Jacksonville: jong enthousiasme geeft de duivenliefhebberij vleugels!
Een kind dat verwonderd voor een duivenkooi blijft staan. Een jonge deelnemer die trots zijn eigen duif presenteert. Een ervaren liefhebber die met plezier uitlegt waar je op moet letten. Daar begint de toekomst van onze liefhebberij!
Conceptillustratie met AI gemaakt: jonge duivenliefhebbers leren van een ervaren begeleider.
In Jacksonville, in de Amerikaanse staat Illinois, krijgt dat enthousiasme volop ruimte. Op 21 november 2026 houdt de Jacksonville Area Pigeon Club haar 52e jaarlijkse duivententoonstelling. Op het programma staan jeugdwedstrijden, bijzondere duivenrassen en gelegenheid om duiven te kopen, verkopen en ruilen. Alle ingrediënten voor een dag vol ontmoetingen en ontdekkingen.
Zelf meedoen, zelf ontdekken
Voor jonge deelnemers van 5 tot 18 jaar is er een eigen categorie. Vooraf inschrijven kost voor hen twee dollar per duif, de helft van het tarief in de open klasse. Zo maakt de organisatie de stap naar deelname wat kleiner.
En stel je dat plezier eens voor: je hebt thuis je duif verzorgd, haar goed bekeken en voorbereid. Dan komt de tentoonstellingsdag. Je mag laten zien waar je zo je best voor hebt gedaan. Natuurlijk is een prijs prachtig. Maar ook de eerste deelname kan iets losmaken dat jarenlang blijft hangen.
Een vereniging met wortels én nieuwe energie
De club bestaat sinds 1973, toen twaalf liefhebbers samen het initiatief namen. Tijdens de jubileumtentoonstelling in 2023 waren er 33 duivenrassen te zien. Jongeren konden er ook oefenen met het beoordelen van duiven en het herkennen van rassen. Een mooie manier om hun belangstelling verder aan te wakkeren.
Want wie zelf mag kijken en kiezen, krijgt vanzelf vragen. Waarom draagt die duif haar vleugels zo? Wat maakt dit ras bijzonder? Hoe krijg je een duif in zo’n mooie conditie?
Voor een ervaren liefhebber zijn dat heerlijke vragen. Je kunt iets overdragen waar je zelf al jaren plezier aan beleeft. En voor een beginner gaat er een wereld open.
Dat enthousiasme kunnen we overal gebruiken
Ook voor onze Europese verenigingen zit daarin inspiratie. Nodig jongeren uit, geef hun iets te doen en neem hun belangstelling serieus. Laat hen een duif bekijken, een ras herkennen of samen met een keurmeester een beoordeling bespreken.
Een tentoonstelling kan zo veel meer opleveren dan een rij uitslagen. Er kunnen vriendschappen ontstaan, ideeën worden uitgewisseld en nieuwe liefhebbers hun eerste stappen zetten.
In Jacksonville staat weer een nieuwe editie voor de deur. Hopelijk gaan er straks jonge deelnemers naar huis met een prijs, een mooi verhaal en vooral heel veel zin om verder te gaan.
Want wie vandaag een vonkje duivenliefde aanwakkert, kan daar morgen een leven lang plezier mee geven!
Jacksonville: young enthusiasm gives pigeon keeping wings!
A child stops in wonder beside a pigeon cage. A young exhibitor proudly presents a bird. An experienced fancier happily explains what to look for. This is where the future of our hobby begins!
AI-created concept illustration: young pigeon enthusiasts learn from an experienced fancier.
In Jacksonville, Illinois, that enthusiasm has room to flourish. On 21 November 2026, the Jacksonville Area Pigeon Club will hold its 52nd annual pigeon show. Youth contests, rare breeds and opportunities to buy, sell and trade birds promise a day of encounters and discoveries.
Taking part and discovering
Young exhibitors aged 5 to 18 have their own category. Advance entry costs two dollars per bird, half the open-show rate. It is a practical way to make participation more accessible.
Imagine the excitement: you have cared for your pigeon at home and prepared it carefully. Now you can show what you have worked for. A prize is wonderful, but even a first appearance can spark an interest that lasts for years.
Deep roots and fresh energy
The club began in 1973 with twelve enthusiasts. Its anniversary show in 2023 featured 33 breeds. Young people also had opportunities to practise judging pigeons and identifying breeds, an engaging way to develop their interest.
Looking closely brings questions. Why does this pigeon hold its wings that way? What makes this breed special? How do you keep a bird in such good condition?
For experienced fanciers, these are rewarding questions: a chance to share something they have enjoyed for years. For beginners, a whole world opens up.
Enthusiasm worth sharing
European clubs can take inspiration too. Invite young people, give them something to do and take their curiosity seriously. Let them examine a pigeon, recognise a breed or discuss an assessment with a judge.
A show can produce much more than results. Friendships can grow, ideas can circulate and new enthusiasts can take their first steps.
Another Jacksonville show is approaching. May its young participants go home with a prize, a good story and above all the desire to continue.
A spark of pigeon enthusiasm today can bring a lifetime of enjoyment!
Jacksonville : l’enthousiasme des jeunes donne des ailes à la passion des pigeons !
Un enfant s’arrête, émerveillé, devant une cage. Un jeune exposant présente fièrement son pigeon. Un amateur expérimenté explique avec plaisir ce qu’il faut observer. C’est là que commence l’avenir de notre passion !
Illustration conceptuelle créée avec l’IA : de jeunes passionnés apprennent auprès d’un amateur expérimenté.
À Jacksonville, dans l’Illinois, cet enthousiasme trouve sa place. Le 21 novembre 2026, le Jacksonville Area Pigeon Club organisera sa 52e exposition annuelle. Concours pour les jeunes, races rares et possibilités d’acheter, vendre ou échanger des pigeons : de quoi passer une journée riche en rencontres et en découvertes.
Participer et découvrir
Les jeunes de 5 à 18 ans disposent de leur propre catégorie. L’inscription anticipée coûte deux dollars par pigeon, soit la moitié du tarif de la catégorie ouverte. Un geste concret pour faciliter la participation.
Imaginez le plaisir : après avoir soigné et préparé son pigeon à la maison, on peut enfin présenter le fruit de ses efforts. Un prix fait toujours plaisir, mais une première participation peut déjà faire naître une passion durable.
Des racines et une énergie nouvelle
Le club est né en 1973 de l’initiative de douze amateurs. Son exposition anniversaire de 2023 présentait 33 races. Les jeunes pouvaient aussi s’exercer au jugement et à la reconnaissance des races : une belle manière de nourrir leur curiosité.
Observer suscite des questions. Pourquoi ce pigeon porte-t-il ses ailes ainsi ? Qu’est-ce qui distingue cette race ? Comment obtenir une si belle condition ?
Pour les amateurs expérimentés, ces questions offrent le plaisir de transmettre. Pour les débutants, tout un monde s’ouvre.
Un enthousiasme à partager
Nos associations européennes peuvent également y trouver de l’inspiration. Invitons les jeunes, proposons-leur une activité et prenons leurs questions au sérieux. Laissons-les observer un pigeon, reconnaître une race ou discuter avec un juge.
Une exposition peut apporter bien davantage qu’un classement : des amitiés, des échanges et les premiers pas de nouveaux passionnés.
Une nouvelle édition approche à Jacksonville. Souhaitons aux jeunes participants de repartir avec un prix, une belle histoire et surtout l’envie de continuer.
Une étincelle de passion aujourd’hui peut offrir toute une vie de plaisir !
Jacksonville: Junge Begeisterung verleiht der Taubenliebe Flügel!
Ein Kind bleibt staunend vor einem Taubenkäfig stehen. Ein junger Aussteller zeigt stolz seine Taube. Ein erfahrener Züchter erklärt begeistert, worauf es ankommt. Hier beginnt die Zukunft unseres Hobbys!
Mit KI erstellte Illustration: Junge Taubenfreunde lernen von einem erfahrenen Züchter.
In Jacksonville im US-Bundesstaat Illinois bekommt diese Begeisterung Raum. Am 21. November 2026 veranstaltet der Jacksonville Area Pigeon Club seine 52. jährliche Taubenschau. Jugendwettbewerbe, seltene Rassen sowie Kauf, Verkauf und Tausch versprechen Begegnungen und Entdeckungen.
Mitmachen und entdecken
Für Jugendliche von 5 bis 18 Jahren gibt es eine eigene Kategorie. Bei vorheriger Anmeldung kostet die Teilnahme zwei Dollar pro Taube, die Hälfte des Beitrags in der offenen Klasse. Das erleichtert den Einstieg.
Man stelle sich die Aufregung vor: Zu Hause wurde die Taube gepflegt und vorbereitet, nun darf man sie präsentieren. Ein Preis ist wunderbar. Doch schon die erste Teilnahme kann eine Begeisterung wecken, die viele Jahre anhält.
Starke Wurzeln und frische Energie
Der Verein entstand 1973 auf Initiative von zwölf Taubenfreunden. Bei der Jubiläumsschau 2023 waren 33 Rassen vertreten. Jugendliche konnten sich auch im Bewerten der Tauben und Erkennen der Rassen versuchen. So wächst Interesse durch eigenes Tun.
Genaues Hinsehen weckt Fragen. Warum hält diese Taube ihre Flügel so? Was zeichnet ihre Rasse aus? Wie erreicht man eine so gute Verfassung?
Erfahrene Züchter können dabei mit Freude ihr Wissen weitergeben. Für Anfänger öffnet sich eine neue Welt.
Begeisterung weitergeben
Auch europäische Vereine können sich anregen lassen: Jugendliche einladen, ihnen Aufgaben geben und ihre Neugier ernst nehmen. Eine Taube betrachten, eine Rasse erkennen oder mit einem Preisrichter eine Bewertung besprechen.
Eine Ausstellung kann weit mehr als Ergebnisse bringen. Freundschaften entstehen, Ideen werden ausgetauscht und neue Taubenfreunde machen ihre ersten Schritte.
In Jacksonville steht die nächste Schau bevor. Hoffentlich nehmen die jungen Teilnehmer einen Preis, eine schöne Geschichte und vor allem Lust auf mehr mit nach Hause.
Ein Funke Taubenbegeisterung kann lebenslange Freude schenken!
Jacksonville: ¡el entusiasmo de los jóvenes da alas a la afición por las palomas!
Un niño se detiene maravillado ante una jaula. Un joven expositor presenta orgulloso su paloma. Un aficionado experimentado explica con alegría en qué hay que fijarse. ¡Así comienza el futuro de nuestra afición!
Ilustración conceptual creada con IA: jóvenes aficionados aprenden de un criador experimentado.
En Jacksonville, Illinois, ese entusiasmo tiene su espacio. El 21 de noviembre de 2026, el Jacksonville Area Pigeon Club celebrará su 52.ª exposición anual. Concursos juveniles, razas poco comunes y oportunidades de comprar, vender e intercambiar palomas prometen una jornada de encuentros y descubrimientos.
Participar y descubrir
Los participantes de 5 a 18 años tienen una categoría propia. La inscripción anticipada cuesta dos dólares por paloma, la mitad de la tarifa de la categoría abierta. Una medida práctica que facilita la participación.
Imaginemos la ilusión: después de cuidar y preparar la paloma en casa, llega el momento de presentarla. Un premio es estupendo, pero incluso una primera participación puede despertar una afición duradera.
Raíces firmes y nueva energía
El club nació en 1973 por iniciativa de doce aficionados. En su exposición de aniversario de 2023 estuvieron representadas 33 razas. Los jóvenes también pudieron practicar la valoración de las palomas y el reconocimiento de razas, una buena forma de alimentar su curiosidad.
Observar de cerca provoca preguntas. ¿Por qué lleva así las alas? ¿Qué distingue a esta raza? ¿Cómo se consigue una condición tan buena?
Para los veteranos, son preguntas que permiten compartir años de experiencia. Para quien empieza, se abre todo un mundo.
Un entusiasmo para compartir
Las asociaciones europeas también pueden encontrar inspiración. Invitemos a los jóvenes, démosles una tarea y tomemos en serio su curiosidad. Que observen una paloma, reconozcan una raza o comenten una valoración con un juez.
Una exposición puede ofrecer mucho más que clasificaciones: amistades, intercambio de ideas y primeros pasos de nuevos aficionados.
Jacksonville prepara otra edición. Ojalá sus jóvenes participantes regresen con un premio, una buena historia y, sobre todo, muchas ganas de continuar.
¡Una chispa de entusiasmo por las palomas puede regalar toda una vida de satisfacciones!
Van Argentijnse fondvluchten tot het verenigingsleven in Amerika: vijf berichten over sport, ontmoeting en betrokkenheid. Met een terugblik uit Australië.
Conceptillustratie met AI gemaakt: postduiven verbinden de wereld.
Argentinië — 850 kilometer grote fond
InfoPico meldde op 8 oktober een vlucht vanuit Curuzú Cuatiá naar General Pico over 850 kilometer. Don Pedro van Pablo Rossetto had de snelste duif; El Chasqui begon als leider van het grotefondkampioenschap.
In Da’an, in de provincie Jilin, maakte een postduivenwedstrijd deel uit van het najaarsprogramma voor cultuur en toerisme. Economic Daily noemt een wedstrijdperiode van eind september tot half oktober 2026.
Verenigde Staten — ontmoeting en nieuwe liefhebbers
De AU Convention staat voor december 2026 in Tampa aangekondigd. Racing Pigeon Digest beschrijft daarnaast initiatieven om veteranen, hulpverleners en nieuwe liefhebbers via de duivensport bij elkaar te brengen.
Argentinië — eeuwfeest met internationale uitnodiging
De Argentijnse bond presenteert de Derby Centenario 2026 in Marcos Paz, gekoppeld aan Ibero-Amerikaanse en FCI-wedstrijden. Ook liefhebbers uit de Benelux en de Verenigde Staten zijn uitgenodigd.
Australië — terugblik: een jubileum voor het ziekenhuis
ABC berichtte op 29 augustus over een geplande jubileumvlucht van de honderdjarige club in Warrnambool ten bate van ziekenhuisapparatuur. De bron bevestigt de afloop niet en bespreekt ook zorgen over vogelgriep.
Tour du monde — les pigeons relient les continents
Du grand fond argentin à la vie associative américaine : cinq nouvelles consacrées au sport, aux rencontres et à la solidarité. Avec un retour sur une initiative australienne.
Illustration conceptuelle créée avec l’IA : les pigeons relient le monde.
Argentine — 850 kilomètres de grand fond
InfoPico annonçait le 8 octobre une épreuve de 850 kilomètres de Curuzú Cuatiá à General Pico. Don Pedro, de Pablo Rossetto, avait le pigeon le plus rapide ; El Chasqui prenait la tête du championnat de grand fond.
À Da’an, dans le Jilin, une compétition colombophile figurait au programme culturel et touristique d’automne. Economic Daily situe cette compétition entre fin septembre et mi-octobre 2026.
La convention de l’AU est annoncée à Tampa pour décembre 2026. Racing Pigeon Digest présente aussi des initiatives réunissant anciens militaires, personnels de secours et nouveaux amateurs autour de la colombophilie.
Argentine — un centenaire ouvert à l’international
La fédération argentine présente le Derby Centenario 2026 à Marcos Paz, associé à des compétitions ibéro-américaines et de la FCI. Des amateurs du Benelux et des États-Unis sont également invités.
Australie — rétrospective : un anniversaire solidaire
Le 29 août, ABC présentait une course prévue pour le centenaire du club de Warrnambool, au profit d’équipements hospitaliers. La source ne confirme pas son déroulement et aborde aussi les préoccupations liées à la grippe aviaire.
From Argentine distance racing to American club life: five reports about sport, friendship and community. Including a look back at an Australian initiative.
AI-generated conceptual illustration: racing pigeons connect the world.
Argentina — an 850-kilometre distance race
On 8 October, InfoPico reported an 850-kilometre race from Curuzú Cuatiá to General Pico. Pablo Rossetto’s Don Pedro loft had the fastest pigeon; El Chasqui opened as leader of the long-distance championship.
In Da’an, Jilin province, a pigeon competition formed part of the autumn cultural and tourism programme. Economic Daily places the competition between late September and mid-October 2026.
The AU Convention is announced for Tampa in December 2026. Racing Pigeon Digest also describes initiatives bringing veterans, first responders and new fanciers together through pigeon racing.
Argentina — a centenary with international invitations
The Argentine federation presents the Derby Centenario 2026 in Marcos Paz, linked to Ibero-American and FCI competitions. Fanciers from the Benelux countries and the United States have also been invited.
Australia — looking back: a centenary for the hospital
On 29 August, ABC reported a planned centenary race by Warrnambool’s club to support hospital equipment. The source does not confirm the outcome and also discusses concerns about bird flu.
Vom argentinischen Weitstreckensport bis zum amerikanischen Vereinsleben: fünf Meldungen über Sport, Begegnung und Gemeinschaft. Mit einem Rückblick auf eine australische Initiative.
Mit KI erstellte konzeptionelle Illustration: Brieftauben verbinden die Welt.
Argentinien — 850 Kilometer auf der Weitstrecke
InfoPico berichtete am 8. Oktober über einen 850-Kilometer-Flug von Curuzú Cuatiá nach General Pico. Pablo Rossettos Schlag Don Pedro stellte die schnellste Taube; El Chasqui übernahm zum Auftakt die Führung der Weitstreckenmeisterschaft.
In Da’an in der Provinz Jilin gehörte ein Brieftaubenwettbewerb zum herbstlichen Kultur- und Tourismusprogramm. Economic Daily nennt dafür den Zeitraum von Ende September bis Mitte Oktober 2026.
Die AU Convention ist für Dezember 2026 in Tampa angekündigt. Racing Pigeon Digest beschreibt außerdem Initiativen, die Veteranen, Rettungskräfte und neue Interessierte durch den Brieftaubensport zusammenbringen.
Der argentinische Verband stellt das Derby Centenario 2026 in Marcos Paz vor, verbunden mit iberoamerikanischen und FCI-Wettbewerben. Auch Züchter aus den Beneluxstaaten und den USA wurden eingeladen.
Australien — Rückblick: Jubiläum für das Krankenhaus
ABC berichtete am 29. August über einen geplanten Jubiläumsflug des hundertjährigen Vereins in Warrnambool zugunsten von Krankenhausausstattung. Die Quelle bestätigt den Ausgang nicht und behandelt auch Bedenken wegen der Vogelgrippe.
Del gran fondo argentino a la vida asociativa estadounidense: cinco noticias sobre deporte, encuentros y comunidad. Con una mirada retrospectiva a una iniciativa australiana.
Ilustración conceptual creada con IA: las palomas mensajeras unen el mundo.
Argentina — 850 kilómetros de gran fondo
InfoPico informó el 8 de octubre de una carrera de 850 kilómetros desde Curuzú Cuatiá hasta General Pico. Don Pedro, de Pablo Rossetto, tuvo la paloma más rápida; El Chasqui encabezó el inicio del campeonato de gran fondo.
En Da’an, provincia de Jilin, una competición colombófila integró el programa cultural y turístico de otoño. Economic Daily sitúa la competición entre finales de septiembre y mediados de octubre de 2026.
La convención de la AU está anunciada para diciembre de 2026 en Tampa. Racing Pigeon Digest también describe iniciativas que reúnen a veteranos, personal de emergencias y nuevos aficionados mediante la colombofilia.
Argentina — un centenario con invitación internacional
La federación argentina presenta el Derby Centenario 2026 en Marcos Paz, vinculado a competiciones iberoamericanas y de la FCI. También se ha invitado a aficionados del Benelux y de Estados Unidos.
Australia — retrospectiva: un aniversario solidario
El 29 de agosto, ABC anunció una carrera prevista por el centenario del club de Warrnambool para apoyar equipamiento hospitalario. La fuente no confirma el desenlace y también aborda preocupaciones por la gripe aviar.
Vier berichten uit de internationale duivensport: Europese asduiven, Zuid-Afrika, Zimbabwe en Engeland.
Europese grote fond — asduifklassementen gepubliceerd
Colombe Joyeuse publiceerde op 17 oktober de klassementen voor Asduif Pau en Asduif Marseille over 2022–2026 en Europees Asduif Grote Fond 2026. In de bekendmaking staat dat reclamaties mogelijk zijn tot 15 november 2026. De volledige klassementen zijn via de bron te raadplegen.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Volgens het PIPA-verslag van 15 oktober won Sunfire Wing van dr. Henk de Weerd de AFRIKAPRO-finale over 601 kilometer tegen 1.212 duiven, met 1.229 meter per minuut. Die Painters & SG Ullrich wonnen de Black Jacket, het klassement voor de beste liefhebber.
De Victoria Falls World Challenge Pigeon Race meldt dat de inzending nog geopend is. De finale staat gepland op vrijdag 2 juli 2027. De organisatie kondigt een totale prijzenpot van één miljoen Amerikaanse dollar aan, verdeeld over de finale en de overige competities. Raadpleeg de organisatie voor voorwaarden en inzendmogelijkheden.
Engeland — internationale duivenbijeenkomst in Doncaster
Het Racing Pigeon International Event vindt plaats op zaterdag 31 oktober 2026 op Doncaster Racecourse. Volgens de aankondiging komen liefhebbers, exposanten en bezoekers uit Groot-Brittannië en Europa samen.
Actualités colombophiles internationales — 18 octobre
Quatre nouvelles : as-pigeons européens, Afrique du Sud, Zimbabwe et Angleterre.
Grand fond européen — publication des classements des as-pigeons
Le 17 octobre, Colombe Joyeuse a publié les classements As-pigeon Pau et Marseille 2022–2026 ainsi que celui de l’As-pigeon européen Grand Fond 2026. Le communiqué indique que les réclamations sont possibles jusqu’au 15 novembre 2026. Les classements complets sont accessibles via la source.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Afrique du Sud — Henk de Weerd remporte la finale AFRIKAPRO
Selon le reportage PIPA du 15 octobre, Sunfire Wing du Dr Henk de Weerd a remporté la finale AFRIKAPRO de 601 kilomètres contre 1 212 pigeons, à 1 229 mètres par minute. Die Painters & SG Ullrich ont remporté la Black Jacket, classement du meilleur amateur.
La Victoria Falls World Challenge Pigeon Race indique que les inscriptions de pigeons restent ouvertes. La finale est prévue le vendredi 2 juillet 2027. L’organisation annonce un montant total de prix d’un million de dollars américains, réparti entre la finale et les autres compétitions. Consulter l’organisateur pour les conditions de participation.
Angleterre — rendez-vous international à Doncaster
Le Racing Pigeon International Event se tiendra le samedi 31 octobre 2026 à Doncaster Racecourse. Selon l’annonce, il réunira amateurs, exposants et visiteurs du Royaume-Uni et d’Europe.
Four updates: European ace pigeons, South Africa, Zimbabwe and England.
European marathon racing — ace pigeon rankings published
On 17 October, Colombe Joyeuse published the Pau and Marseille Ace Pigeon rankings for 2022–2026 and the European Long Distance Ace Pigeon ranking for 2026. The announcement gives 15 November 2026 as the deadline for objections. Full rankings are available through the source.
Want to know more? Click the source links in this article.
According to PIPA’s report dated 15 October, Dr Henk de Weerd’s Sunfire Wing won the 601-kilometre AFRIKAPRO final against 1,212 pigeons, at 1,229 metres per minute. Die Painters & SG Ullrich won the Black Jacket competition for best fancier.
The Victoria Falls World Challenge Pigeon Race reports that pigeon intake remains open. The final is scheduled for Friday 2 July 2027. The organiser advertises a total prize fund of one million US dollars across the final and other competitions. Consult the organiser for entry conditions and arrangements.
The Racing Pigeon International Event will take place on Saturday 31 October 2026 at Doncaster Racecourse. The announcement says it will bring together fanciers, exhibitors and visitors from the UK and Europe.
Colombe Joyeuse veröffentlichte am 17. Oktober die As-Tauben-Ranglisten Pau und Marseille für 2022–2026 sowie die europäische As-Tauben-Rangliste Große Weitstrecke 2026. Laut Mitteilung sind Einsprüche bis zum 15. November 2026 möglich. Die vollständigen Ranglisten sind über die Quelle abrufbar.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Südafrika — Henk de Weerd gewinnt das AFRIKAPRO-Finale
Laut PIPA-Bericht vom 15. Oktober gewann Sunfire Wing von Dr. Henk de Weerd das AFRIKAPRO-Finale über 601 Kilometer gegen 1.212 Tauben mit 1.229 Metern pro Minute. Die Painters & SG Ullrich gewannen die Black Jacket für den besten Züchter.
Beim Victoria Falls World Challenge Pigeon Race ist die Taubenannahme laut Veranstalter weiterhin geöffnet. Das Finale ist für Freitag, den 2. Juli 2027, geplant. Angekündigt ist ein Gesamtpreisgeld von einer Million US-Dollar für das Finale und die weiteren Wettbewerbe. Teilnahmebedingungen und Anlieferung bitte beim Veranstalter prüfen.
Das Racing Pigeon International Event findet am Samstag, den 31. Oktober 2026, auf der Pferderennbahn Doncaster statt. Laut Ankündigung kommen Züchter, Aussteller und Besucher aus Großbritannien und Europa zusammen.
Noticias colombófilas internacionales — 18 de octubre
Cuatro noticias: palomas as europeas, Sudáfrica, Zimbabue e Inglaterra.
Gran fondo europeo — publicados los rankings de palomas as
El 17 de octubre, Colombe Joyeuse publicó los rankings de palomas as de Pau y Marsella de 2022–2026 y el ranking europeo de paloma as de Gran Fondo 2026. El anuncio señala que se admiten reclamaciones hasta el 15 de noviembre de 2026. Las clasificaciones completas pueden consultarse en la fuente.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Sudáfrica — Henk de Weerd gana la final de AFRIKAPRO
Según el reportaje de PIPA del 15 de octubre, Sunfire Wing del Dr. Henk de Weerd ganó la final de AFRIKAPRO de 601 kilómetros contra 1.212 palomas, a 1.229 metros por minuto. Die Painters & SG Ullrich ganaron la Black Jacket al mejor colombófilo.
La Victoria Falls World Challenge Pigeon Race informa de que la recepción de palomas sigue abierta. La final está prevista para el viernes 2 de julio de 2027. La organización anuncia un total de un millón de dólares estadounidenses en premios, repartidos entre la final y las demás competiciones. Consultar las condiciones y modalidades de participación con el organizador.
El Racing Pigeon International Event se celebrará el sábado 31 de octubre de 2026 en Doncaster Racecourse. Según el anuncio, reunirá a colombófilos, expositores y visitantes del Reino Unido y Europa.
Ruim 1.300 liefhebbers reageerden op een NPO-peiling over het maximale aantal in te korven duiven. Volgens de bond ziet een duidelijke meerderheid ruimte voor aanpassing. Dit is een peiling, geen aangekondigde regelwijziging.
Zelfstandig spelende jeugdleden kunnen tot 30 oktober deelnemen. De competitie is bestemd voor liefhebbers die op 1 januari 2026 nog geen 21 waren en voldoen aan de lidmaatschaps- en deelnamevoorwaarden. Raadpleeg de bron voor alle spelregels.
De RPRA neemt voorbestellingen aan voor GB27-ringen. Clubs en leden die hun contributie hebben betaald kunnen online bestellen; bestellen per formulier of telefonisch is ook mogelijk. De ringen worden geleverd in veelvouden van 20. Volgens de aankondiging worden de pakketten in de eerste week van december verzonden.
Plus de 1 300 amateurs ont répondu à un sondage de la NPO sur le nombre maximal de pigeons à enloger. Selon la fédération, une nette majorité envisage une adaptation. Il s’agit d’un sondage, pas d’une modification réglementaire annoncée.
Les jeunes amateurs concourant en leur propre nom peuvent participer jusqu’au 30 octobre. La compétition concerne les amateurs âgés de moins de 21 ans au 1er janvier 2026 et remplissant les conditions d’affiliation et de participation. Consulter la source pour le règlement complet.
La RPRA accepte les précommandes de bagues GB27. Les clubs et les membres à jour de cotisation peuvent commander en ligne ; les commandes par formulaire ou par téléphone sont également possibles. Les bagues sont fournies par multiples de 20. Selon le communiqué, les colis seront expédiés durant la première semaine de décembre.
More than 1,300 fanciers responded to an NPO poll about the maximum number of pigeons entered per race. According to the federation, a clear majority sees scope for adjustment. This is a poll, not an announced rule change.
Junior fanciers racing independently in their own name can enter until 30 October. The competition is for those under 21 on 1 January 2026 who meet the membership and entry requirements. See the source for the full rules.
The RPRA is accepting pre-orders for GB27 rings. Clubs and paid-up members can order online; orders by form or telephone are also possible. Rings are supplied in multiples of 20. According to the announcement, parcels will be dispatched in the first week of December.
Über 1.300 Züchter nahmen an einer NPO-Umfrage zur Höchstzahl einzusetzender Tauben teil. Laut Verband sieht eine deutliche Mehrheit Spielraum für Anpassungen. Es handelt sich um eine Umfrage, nicht um eine angekündigte Regeländerung.
Jugendliche, die selbstständig unter eigenem Namen spielen, können bis zum 30. Oktober teilnehmen. Der Wettbewerb richtet sich an Züchter, die am 1. Januar 2026 noch keine 21 Jahre alt waren und die Mitgliedschafts- und Teilnahmebedingungen erfüllen. Alle Regeln stehen in der Quelle.
Die RPRA nimmt Vorbestellungen für GB27-Ringe entgegen. Vereine und Mitglieder mit bezahltem Beitrag können online bestellen; Bestellungen per Formular oder Telefon sind ebenfalls möglich. Die Ringe werden in Vielfachen von 20 geliefert. Laut Mitteilung werden die Pakete in der ersten Dezemberwoche versandt.
Más de 1.300 aficionados respondieron a una encuesta de la NPO sobre el número máximo de palomas que pueden encestarse. Según la federación, una clara mayoría considera posibles ajustes. Es una encuesta, no un cambio reglamentario anunciado.
Los jóvenes que compiten de forma independiente y en su propio nombre pueden participar hasta el 30 de octubre. El concurso está destinado a quienes no habían cumplido 21 años el 1 de enero de 2026 y cumplen los requisitos de afiliación y participación. Consultar la fuente para conocer todas las reglas.
La RPRA acepta reservas de anillas GB27. Los clubes y socios al corriente de sus cuotas pueden hacer el pedido en línea; también se puede pedir mediante formulario o por teléfono. Las anillas se suministran en múltiplos de 20. Según el anuncio, los paquetes se enviarán durante la primera semana de diciembre.
Binnen in een transportwagen voor Barcelona 2025: de manden en drinkbakken die onderweg dagelijks aandacht vragen. Fotobron: PIPA, Barcelona internationaal 2025. PIPA
Wanneer de duiven naar Barcelona vertrekken, begint voor hun liefhebbers het wachten. Voor de begeleiders begint juist een periode van intensief werk: onderweg verzorgen, water bijvullen, controleren en uiteindelijk beslissen wanneer de duiven verantwoord kunnen vertrekken. Achter de beroemde vlucht schuilt een verhaal van toewijding, improvisatie en soms een glimlach.
Cureghem Centre: de organisatie achter de traditie
Wie over de reis naar Barcelona vertelt, kan niet voorbijgaan aan Cureghem Centre. Deze Belgische organisatie was jarenlang nauw verbonden met de vlucht. De Catalaanse sportencyclopedie vermeldt al een Barcelonalossing van Cureghem Centre in 1924, met ondersteuning van de toenmalige Reial Societat Columbòfila de Catalunya. De band met de plaatselijke duivensport heeft dus diepe wortels.
Van 1951 tot en met 2020 organiseerde Cureghem Centre de naoorlogse internationale Barcelonavlucht. Die traditie was niet vanzelfsprekend. Volgens een historische terugblik stonden in 1956 slechts 885 duiven aan de start en werd zelfs overwogen ermee te stoppen. Een jaar later steeg het aantal naar 3.350. Barcelona groeide verder uit tot een ontmoeting tussen liefhebbers uit verschillende landen.
Achter de naam stonden mensen: voorzitter Patrick De Muylder, secretaris Luc De Geest, Guy Libotte en vele chauffeurs, verzorgers en vrijwilligers. Hun werk liep van het voorbereiden van de reis tot het huldigen van de winnaars. Sinds 1989 was het Constant Vanden Stock-stadion in Anderlecht de vaste plaats voor de jaarlijkse viering; in 2018 verhuisde die naar Wolvertem. Daar werd ook stilgestaan bij de overleden convoyeur Franky Delbecque. De Geest sprak bovendien over de charme van een gedrukte uitslag: een tastbare herinnering om later nog eens in terug te bladeren. Zo omvat het verhaal van Cureghem Centre zowel de reis als de mensen en herinneringen die de sport bijeenhouden.
In de tijd van het vervoer per trein verdeelde hoofdconvoyeur Guy Libotte het werk over tien duivenwagons. Tijdens haltes vulden de begeleiders het water bij. De reis ging via Vierzon, Limoges, Brive en Narbonne naar de Spaanse grens. Toen de mannen daar gegrilde haantjes aten, grapte een douanier dat hij nu begreep waarom zoveel Barcelonaduiven achterbleven.
Een andere herinnering uit die treinperiode toont hoe snel de stemming kon omslaan. Bij helder weer waren de begeleiders al bezig de manden uit te laden. Een telefoontje naar het weerinstituut veranderde alles: slecht weer op de vliegroute en een krachtige mistral rond de Pyreneeën. Libotte liet het werk onmiddellijk stoppen. De duiven moesten een dag langer wachten. Een blauwe lucht op de losplaats vertelde slechts een deel van het verhaal.
Libotte werd een vertrouwd gezicht van Barcelona. In 2017 huldigde Cureghem Centre hem voor vijftig jaar inzet als convoyeur. Een jaar later ontving hij tijdens de Franse kampioenenviering een medaille van de Franse Senaat. Een halve eeuw duiven begeleiden: het is een bijzondere vorm van trouw aan de sport.
Ook met vrachtwagens bleef de reis een onderneming. In 2018 viel de afgesproken losplaats enkele uren vóór aankomst van het konvooi weg. De organisatoren moesten uitwijken naar een hotelparking bij Vilafranca, ongeveer 45 kilometer westelijker. De duiven brachten ondertussen een middag door in de koelte van een wijngaard.
De verslaggever ontmoette daar een groep Nederlandse liefhebbers onder leiding van Wil Vollebregt, nationaal Barcelonawinnaar van 2013. Zij waren gekomen om de lossing mee te maken, maar moesten op vrijdag terugvliegen terwijl de vlucht werd uitgesteld. De duiven konden wachten; hun vliegtuig niet. Een liefhebber uit Uruguay was zelfs uitsluitend voor de lossing naar Spanje gereisd. Barcelona trekt mensen van ver buiten de deelnemende landen.
Het reisverslag van Albert van Dongen uit 2020 laat vooral de dagelijkse zorg zien. Via Châteauroux, Cahors en Fitou ging het konvooi naar Cunit, nabij Barcelona. Bij iedere tussenstop werden de duiven gecontroleerd en de drinkbakken waar nodig bijgevuld. Op de overnachtplaatsen volgden schoonmaken, voeren en het aanvullen van de watervoorraden. Met temperaturen van 32 tot 34 graden bleef drinken een voortdurend aandachtspunt. Na de lossing wachtte bovendien nog de lange terugreis.
Die verantwoordelijkheid geldt ook voor andere internationale vluchten. Tijdens de reis naar Narbonne in 2014 liep de temperatuur op tot 38 graden. Toen de watervoorraad vrijwel uitgeput was, hielpen de plaatselijke brandweer en gemeente bij het aanvullen. Ook zulke helpers maken deel uit van het verhaal achter een lossing.
Sinds 2021 ligt de organisatie van Barcelona bij de Belgische Verstandhouding, de Entente Belge. De extreme hitte van 2025 onderstreepte opnieuw hoeveel voorbereiding nodig is. Voor de Belgische, Franse, Duitse, Engelse en Luxemburgse duiven werden vijf vrachtwagens ingezet in plaats van vier; Nederland verzorgde eigen vervoer. Extra ruimte tussen de manden verbeterde de ventilatie. Bij aankomst bleven de lichten een uur branden om de duiven gelegenheid te geven te drinken. Op de losplaats in Vilanova del Vallès hielp de gemeente met een aansluiting op het stadswater.
De treinwagons zijn verdwenen, maar de verantwoordelijkheid reist nog altijd mee. Achter iedere lossing liggen lange dagen, korte nachten en beslissingen die de liefhebber thuis nauwelijks ziet.
Wanneer de duiven de lucht kiezen, begint voor hen de weg naar huis. Voor de begeleiders blijven de lege manden, het opruimen en de terugreis. Ook zij verlangen dan naar thuiskomen.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
À l’intérieur d’un camion pour Barcelone 2025 : paniers et abreuvoirs nécessitant des soins quotidiens pendant le trajet. Source photo : PIPA, Barcelone international 2025. PIPA
Lorsque les pigeons partent pour Barcelone, l’attente commence pour leurs amateurs. Pour les convoyeurs, c’est au contraire une période de travail intense : assurer les soins, remplir les abreuvoirs, contrôler les oiseaux et, enfin, déterminer quand ils peuvent prendre leur envol dans des conditions acceptables. Derrière ce concours célèbre se cache une histoire de dévouement, d’improvisation et parfois de sourires.
Cureghem Centre : l’organisation derrière la tradition
Raconter le voyage vers Barcelone, c’est aussi raconter Cureghem Centre. Cette organisation belge fut longtemps étroitement liée au concours. L’encyclopédie du sport catalan mentionne déjà un lâcher de Cureghem Centre à Barcelone en 1924, avec le soutien de la Reial Societat Columbòfila de Catalunya de l’époque. Les liens avec la colombophilie locale ont donc des racines profondes.
De 1951 à 2020 inclus, Cureghem Centre organisa le Barcelone international d’après-guerre. Cette tradition n’allait pas de soi. Selon une rétrospective historique, seuls 885 pigeons participèrent en 1956 et l’arrêt du concours fut même envisagé. L’année suivante, ils furent 3 350. Barcelone continua ensuite à devenir un rendez-vous entre amateurs de différents pays.
Derrière ce nom, il y avait des personnes : le président Patrick De Muylder, le secrétaire Luc De Geest, Guy Libotte et de nombreux chauffeurs, soigneurs et bénévoles. Leur travail allait des préparatifs du voyage à la remise des prix. Depuis 1989, le stade Constant Vanden Stock à Anderlecht accueillait la fête annuelle ; en 2018, celle-ci déménagea à Wolvertem. On y rendit aussi hommage au convoyeur disparu Franky Delbecque. De Geest évoqua le charme d’un résultat imprimé : un souvenir tangible que l’on peut feuilleter plus tard. L’histoire de Cureghem Centre rassemble ainsi le voyage, les personnes et les souvenirs qui unissent la colombophilie.
À l’époque du transport ferroviaire, le chef convoyeur Guy Libotte répartissait le travail entre dix wagons de pigeons. Aux arrêts, les accompagnateurs renouvelaient l’eau. Le trajet passait par Vierzon, Limoges, Brive et Narbonne avant la frontière espagnole. Voyant les hommes manger des poulets grillés, un douanier plaisanta : il comprenait enfin pourquoi tant de pigeons de Barcelone ne revenaient pas.
Un autre souvenir de cette époque montre à quelle vitesse la situation pouvait changer. Sous un ciel dégagé, les convoyeurs avaient déjà commencé à décharger les paniers. Un appel à l’institut météorologique changea tout : mauvais temps sur la ligne de vol et puissant mistral autour des Pyrénées. Libotte fit immédiatement interrompre le travail. Les pigeons durent attendre une journée de plus. Le ciel bleu du lieu de lâcher ne racontait qu’une partie de l’histoire.
Libotte devint une figure familière de Barcelone. En 2017, Cureghem Centre salua ses cinquante années d’engagement comme convoyeur. L’année suivante, lors de la remise des prix des champions français, il reçut une médaille du Sénat français. Accompagner les pigeons pendant un demi-siècle témoigne d’une fidélité remarquable à la colombophilie.
Avec les camions, le voyage resta une véritable entreprise. En 2018, le lieu de lâcher prévu devint indisponible quelques heures avant l’arrivée du convoi. Les organisateurs se replièrent sur le parking d’un hôtel près de Vilafranca, environ 45 kilomètres plus à l’ouest. Entre-temps, les pigeons passèrent un après-midi dans la fraîcheur d’un vignoble.
Le journaliste y rencontra un groupe d’amateurs néerlandais conduit par Wil Vollebregt, vainqueur national de Barcelone en 2013. Ils étaient venus assister au lâcher, mais devaient reprendre l’avion le vendredi alors que le concours était reporté. Les pigeons pouvaient attendre ; leur avion, non. Un amateur avait même fait le voyage depuis l’Uruguay uniquement pour assister au lâcher. Barcelone attire bien au-delà des pays participants.
Le récit d’Albert van Dongen en 2020 met surtout en lumière les soins quotidiens. Par Châteauroux, Cahors et Fitou, le convoi rejoignit Cunit, près de Barcelone. À chaque étape, les pigeons étaient contrôlés et les abreuvoirs complétés si nécessaire. Aux lieux de repos, il fallait nettoyer, nourrir et renouveler les réserves d’eau. Avec des températures de 32 à 34 degrés, l’abreuvement restait une préoccupation constante. Après le lâcher venait encore le long trajet de retour.
Cette responsabilité s’applique aussi aux autres concours internationaux. En route vers Narbonne en 2014, la température atteignit 38 degrés. Lorsque les réserves d’eau furent presque épuisées, les pompiers et la municipalité aidèrent à les renouveler. Ces personnes font elles aussi partie de l’histoire derrière un lâcher.
Depuis 2021, l’organisation de Barcelone relève de la Belgische Verstandhouding — Entente Belge. La chaleur extrême de 2025 rappela l’importance de la préparation. Les pigeons belges, français, allemands, anglais et luxembourgeois furent répartis entre cinq camions au lieu de quatre ; les Pays-Bas assurèrent leur propre transport. Un espace supplémentaire entre les paniers améliorait la ventilation. À l’arrivée, les lumières restèrent allumées une heure pour permettre aux pigeons de boire. À Vilanova del Vallès, la municipalité facilita le raccordement au réseau d’eau.
Les wagons ont disparu, mais la responsabilité accompagne toujours le voyage. Derrière chaque lâcher se trouvent de longues journées, de courtes nuits et des décisions que l’amateur, chez lui, aperçoit à peine.
Quand les pigeons prennent leur envol, le chemin du retour commence pour eux. Pour les convoyeurs restent les paniers vides, le rangement et la route. Eux aussi ont alors hâte de rentrer.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Inside a transport lorry for Barcelona 2025: baskets and drinking troughs requiring daily attention on the journey. Photo source: PIPA, Barcelona International 2025. PIPA
When the pigeons leave for Barcelona, the waiting begins for their fanciers. For the convoyers, a period of intensive work begins: caring for the birds, replenishing water, checking their condition and finally deciding when they can safely be released. Behind the famous race lies a story of dedication, improvisation and occasional smiles.
Cureghem Centre: the organisation behind the tradition
The journey to Barcelona cannot be told without Cureghem Centre. This Belgian organisation was closely associated with the race for many years. The Catalan sports encyclopaedia already records a Cureghem Centre liberation in Barcelona in 1924, supported by the then Reial Societat Columbòfila de Catalunya. Its relationship with local pigeon racing therefore has deep roots.
From 1951 through 2020, Cureghem Centre organised the post-war Barcelona International. That tradition was not guaranteed. According to a historical account, only 885 pigeons competed in 1956, and ending the race was even considered. A year later, entries rose to 3,350. Barcelona continued to grow into a meeting point for fanciers from different countries.
Behind the name were people: chairman Patrick De Muylder, secretary Luc De Geest, Guy Libotte and many drivers, attendants and volunteers. Their work extended from preparing the journey to honouring the winners. From 1989, the Constant Vanden Stock stadium in Anderlecht was the regular venue for the annual celebration; in 2018, it moved to Wolvertem. The late convoyer Franky Delbecque was also remembered there. De Geest spoke of the charm of a printed result: a tangible reminder to leaf through later. Cureghem Centre’s story therefore embraces the journey, the people and the memories that hold the sport together.
In the days of rail transport, head convoyer Guy Libotte divided the work among ten pigeon wagons. At stops, the attendants replenished the water. The route passed through Vierzon, Limoges, Brive and Narbonne before reaching the Spanish border. When the men ate grilled chickens there, a customs officer joked that he now understood why so many Barcelona pigeons failed to return.
Another recollection from that railway era shows how quickly circumstances could change. In clear weather, the convoyers had already begun unloading baskets. A telephone call to the weather institute changed everything: bad weather along the flight route and a strong mistral around the Pyrenees. Libotte stopped the work immediately. The pigeons had to wait another day. Blue skies at the liberation site told only part of the story.
Libotte became a familiar face at Barcelona. In 2017, Cureghem Centre honoured his fifty years of service as a convoyer. The following year, at the French champions’ presentation, he received a medal from the French Senate. Half a century accompanying pigeons is a remarkable expression of loyalty to the sport.
The journey remained an undertaking even with lorries. In 2018, the agreed liberation site became unavailable only hours before the convoy arrived. The organisers moved to a hotel car park near Vilafranca, about 45 kilometres further west. Meanwhile, the pigeons spent an afternoon in the cool surroundings of a vineyard.
The reporter met a group of Dutch fanciers led by Wil Vollebregt, the 2013 Dutch national Barcelona winner. They had come to see the liberation but had to fly home on Friday while the race was postponed. The pigeons could wait; their aircraft could not. A fancier had even travelled from Uruguay solely to witness the release. Barcelona draws people from far beyond the participating countries.
Albert van Dongen’s account of the 2020 journey highlights the daily care. The convoy travelled through Châteauroux, Cahors and Fitou to Cunit, near Barcelona. At every stop, the pigeons were checked and drinking troughs topped up as needed. Overnight stops meant cleaning, feeding and replenishing water reserves. In temperatures of 32 to 34 degrees, drinking remained a constant concern. After liberation, the long return journey still lay ahead.
The same responsibility applies to other international races. During the journey to Narbonne in 2014, temperatures reached 38 degrees. When water reserves were almost exhausted, the local fire brigade and municipality helped replenish them. Such helpers also belong to the story behind a liberation.
Since 2021, Barcelona has been organised by the Belgische Verstandhouding — Entente Belge. The extreme heat of 2025 again underlined the preparation required. Belgian, French, German, English and Luxembourg pigeons were divided among five lorries instead of four; the Netherlands provided its own transport. Additional space between baskets improved ventilation. On arrival, the lights remained on for an hour to give the pigeons time to drink. At Vilanova del Vallès, the municipality helped provide a mains water connection.
The railway wagons have disappeared, but the responsibility still travels with the birds. Behind every liberation lie long days, short nights and decisions that the fancier at home barely sees.
When the pigeons take to the sky, their journey home begins. For the convoyers, the empty baskets, clearing up and return trip remain. They too are then longing to get home.
Want to know more? Click the source links in this article.
Im Transportwagen für Barcelona 2025: Körbe und Tränken, die unterwegs täglich betreut werden. Fotoquelle: PIPA, Barcelona international 2025. PIPA
Wenn die Tauben nach Barcelona aufbrechen, beginnt für ihre Züchter das Warten. Für die Begleiter beginnt dagegen eine arbeitsreiche Zeit: die Tiere versorgen, Wasser nachfüllen, kontrollieren und schließlich entscheiden, wann ein verantwortbarer Auflass möglich ist. Hinter dem berühmten Flug stehen Einsatzbereitschaft, Improvisation und manchmal auch ein Lächeln.
Cureghem Centre: die Organisation hinter der Tradition
Wer von der Reise nach Barcelona erzählt, kommt an Cureghem Centre nicht vorbei. Diese belgische Organisation war viele Jahre eng mit dem Flug verbunden. Die katalanische Sportenzyklopädie erwähnt bereits einen Barcelona-Auflass von Cureghem Centre im Jahr 1924, unterstützt von der damaligen Reial Societat Columbòfila de Catalunya. Die Verbindung zum örtlichen Brieftaubensport hat also tiefe Wurzeln.
Von 1951 bis einschließlich 2020 organisierte Cureghem Centre den internationalen Barcelonaflug der Nachkriegszeit. Diese Tradition war keineswegs selbstverständlich. Laut einem historischen Rückblick nahmen 1956 nur 885 Tauben teil, und sogar ein Ende des Fluges wurde erwogen. Ein Jahr später stieg die Zahl auf 3.350. Barcelona entwickelte sich weiter zu einem Treffpunkt für Züchter verschiedener Länder.
Hinter dem Namen standen Menschen: Vorsitzender Patrick De Muylder, Sekretär Luc De Geest, Guy Libotte und zahlreiche Fahrer, Betreuer und Freiwillige. Ihre Arbeit reichte von der Reisevorbereitung bis zur Ehrung der Sieger. Seit 1989 war das Constant Vanden Stock-Stadion in Anderlecht der feste Ort der Jahresfeier; 2018 zog sie nach Wolvertem um. Dort gedachte man auch des verstorbenen Konvoyeurs Franky Delbecque. De Geest sprach zudem vom besonderen Reiz einer gedruckten Ergebnisliste: einer greifbaren Erinnerung zum späteren Durchblättern. Die Geschichte von Cureghem Centre verbindet so die Reise mit den Menschen und Erinnerungen, die den Sport zusammenhalten.
In der Zeit des Bahntransports verteilte Chefkonvoyeur Guy Libotte die Arbeit auf zehn Taubenwaggons. Bei den Zwischenhalten füllten die Begleiter das Wasser nach. Die Fahrt führte über Vierzon, Limoges, Brive und Narbonne zur spanischen Grenze. Als die Männer dort gegrillte Hähnchen aßen, scherzte ein Zollbeamter, nun verstehe er, warum so viele Barcelonatauben nicht zurückkehrten.
Eine weitere Erinnerung aus dieser Zeit zeigt, wie schnell sich die Lage ändern konnte. Bei klarem Wetter hatten die Begleiter bereits begonnen, die Körbe auszuladen. Ein Anruf beim Wetterinstitut änderte alles: schlechtes Wetter auf der Flugstrecke und ein kräftiger Mistral im Bereich der Pyrenäen. Libotte ließ die Arbeit sofort einstellen. Die Tauben mussten einen weiteren Tag warten. Der blaue Himmel am Auflassort erzählte nur einen Teil der Geschichte.
Libotte wurde zu einem vertrauten Gesicht von Barcelona. 2017 würdigte Cureghem Centre seinen fünfzigjährigen Einsatz als Konvoyeur. Ein Jahr später erhielt er bei der französischen Meisterehrung eine Medaille des französischen Senats. Ein halbes Jahrhundert Taubenbegleitung zeugt von außergewöhnlicher Treue zum Sport.
Auch mit Lastwagen blieb die Reise ein großes Unternehmen. 2018 stand der vereinbarte Auflassplatz wenige Stunden vor Ankunft des Konvois plötzlich nicht mehr zur Verfügung. Die Organisatoren wichen auf einen Hotelparkplatz bei Vilafranca aus, etwa 45 Kilometer weiter westlich. Inzwischen verbrachten die Tauben einen Nachmittag in der Kühle eines Weinbergs.
Der Reporter traf dort eine Gruppe niederländischer Züchter unter Leitung von Wil Vollebregt, dem niederländischen Nationalsieger Barcelona 2013. Sie wollten den Auflass erleben, mussten aber am Freitag zurückfliegen, während der Flug verschoben wurde. Die Tauben konnten warten, ihr Flugzeug nicht. Ein Züchter war sogar ausschließlich für den Auflass aus Uruguay angereist. Barcelona zieht Menschen weit über die teilnehmenden Länder hinaus an.
Albert van Dongens Reisebericht von 2020 zeigt vor allem die tägliche Versorgung. Über Châteauroux, Cahors und Fitou fuhr der Konvoi nach Cunit bei Barcelona. Bei jedem Zwischenhalt wurden die Tauben kontrolliert und die Tränken bei Bedarf nachgefüllt. An den Übernachtungsplätzen standen Reinigung, Fütterung und das Auffüllen der Wasservorräte an. Bei Temperaturen von 32 bis 34 Grad blieb das Tränken eine ständige Aufgabe. Nach dem Auflass wartete noch die lange Rückfahrt.
Diese Verantwortung gilt auch für andere internationale Flüge. Auf der Reise nach Narbonne 2014 stieg die Temperatur auf 38 Grad. Als die Wasservorräte nahezu erschöpft waren, halfen die örtliche Feuerwehr und die Gemeinde beim Nachfüllen. Auch solche Helfer gehören zur Geschichte hinter einem Auflass.
Seit 2021 liegt die Organisation von Barcelona bei der Belgische Verstandhouding — Entente Belge. Die extreme Hitze 2025 verdeutlichte erneut die Bedeutung der Vorbereitung. Belgische, französische, deutsche, englische und luxemburgische Tauben wurden auf fünf statt vier Lastwagen verteilt; die Niederlande organisierten einen eigenen Transport. Mehr Abstand zwischen den Körben verbesserte die Belüftung. Nach der Ankunft blieb das Licht eine Stunde eingeschaltet, damit die Tauben trinken konnten. Am Auflassort Vilanova del Vallès half die Gemeinde mit einem Anschluss an das öffentliche Wassernetz.
Die Bahnwagen sind verschwunden, doch die Verantwortung reist weiterhin mit. Hinter jedem Auflass stehen lange Tage, kurze Nächte und Entscheidungen, die der Züchter zu Hause kaum wahrnimmt.
Wenn die Tauben in die Luft steigen, beginnt für sie der Heimweg. Für die Begleiter bleiben leere Körbe, Aufräumarbeiten und die Rückfahrt. Auch sie sehnen sich dann nach Hause.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Interior de un camión para Barcelona 2025: cestas y bebederos que requieren atención diaria durante el viaje. Fuente de la foto: PIPA, Barcelona Internacional 2025. PIPA
Cuando las palomas parten hacia Barcelona, comienza la espera para sus aficionados. Para los acompañantes comienza, en cambio, un periodo de intenso trabajo: cuidar las aves, reponer agua, comprobar su estado y finalmente decidir cuándo pueden soltarse en condiciones aceptables. Detrás de esta célebre carrera hay dedicación, improvisación y, a veces, una sonrisa.
Cureghem Centre: la organización detrás de la tradición
Contar el viaje a Barcelona implica también hablar de Cureghem Centre. Esta organización belga estuvo estrechamente vinculada a la carrera durante muchos años. La enciclopedia del deporte catalán ya recoge una suelta de Cureghem Centre en Barcelona en 1924, con el apoyo de la entonces Reial Societat Columbòfila de Catalunya. Su relación con la colombofilia local tiene, por tanto, raíces profundas.
Desde 1951 hasta 2020, Cureghem Centre organizó el Barcelona Internacional de la posguerra. La continuidad no estaba garantizada. Según una retrospectiva histórica, en 1956 participaron solamente 885 palomas e incluso se planteó poner fin a la carrera. Un año después, la cifra subió a 3.350. Barcelona siguió creciendo como punto de encuentro para aficionados de distintos países.
Detrás del nombre había personas: el presidente Patrick De Muylder, el secretario Luc De Geest, Guy Libotte y numerosos conductores, cuidadores y voluntarios. Su trabajo abarcaba desde los preparativos del viaje hasta el homenaje a los ganadores. Desde 1989, el estadio Constant Vanden Stock de Anderlecht era la sede habitual de la celebración anual; en 2018 se trasladó a Wolvertem. Allí se recordó también al fallecido acompañante Franky Delbecque. De Geest habló del encanto de un resultado impreso: un recuerdo tangible que se puede volver a hojear. La historia de Cureghem Centre reúne así el viaje, las personas y los recuerdos que mantienen unida la colombofilia.
En la época del transporte ferroviario, el jefe de los acompañantes, Guy Libotte, repartía el trabajo entre diez vagones de palomas. En las paradas se reponía el agua. El recorrido pasaba por Vierzon, Limoges, Brive y Narbona antes de llegar a la frontera española. Cuando los hombres comían allí pollos asados, un aduanero bromeó diciendo que ahora entendía por qué tantas palomas de Barcelona no regresaban.
Otro recuerdo de aquella época muestra lo rápido que podía cambiar la situación. Con cielo despejado, los acompañantes ya habían empezado a descargar las cestas. Una llamada al instituto meteorológico lo cambió todo: mal tiempo en la ruta de vuelo y un fuerte mistral alrededor de los Pirineos. Libotte detuvo inmediatamente el trabajo. Las palomas tuvieron que esperar un día más. El cielo azul del lugar de suelta solo contaba una parte de la historia.
Libotte se convirtió en una figura familiar de Barcelona. En 2017, Cureghem Centre homenajeó sus cincuenta años como acompañante. Al año siguiente recibió una medalla del Senado francés durante la entrega de premios a los campeones franceses. Medio siglo acompañando palomas es una muestra extraordinaria de fidelidad a la colombofilia.
Incluso con camiones, el viaje siguió siendo una gran tarea. En 2018, el lugar de suelta acordado dejó de estar disponible pocas horas antes de la llegada del convoy. Los organizadores se trasladaron al aparcamiento de un hotel cerca de Vilafranca, unos 45 kilómetros más al oeste. Entretanto, las palomas pasaron una tarde en el frescor de un viñedo.
El periodista encontró allí un grupo de aficionados neerlandeses encabezado por Wil Vollebregt, ganador nacional neerlandés de Barcelona en 2013. Habían viajado para presenciar la suelta, pero debían tomar el avión de regreso el viernes mientras la carrera se aplazaba. Las palomas podían esperar; su avión, no. Un aficionado había viajado incluso desde Uruguay únicamente para asistir a la suelta. Barcelona atrae a personas de mucho más allá de los países participantes.
El relato de Albert van Dongen de 2020 muestra sobre todo los cuidados diarios. El convoy pasó por Châteauroux, Cahors y Fitou hasta llegar a Cunit, cerca de Barcelona. En cada parada se revisaban las palomas y se rellenaban los bebederos cuando era necesario. En los lugares de descanso había que limpiar, alimentar y reponer las reservas de agua. Con temperaturas de 32 a 34 grados, el suministro de agua era una preocupación constante. Después de la suelta todavía quedaba el largo viaje de vuelta.
La misma responsabilidad existe en otras carreras internacionales. Durante el viaje a Narbona en 2014, la temperatura alcanzó los 38 grados. Cuando las reservas de agua estaban casi agotadas, los bomberos y el ayuntamiento ayudaron a reponerlas. Estas personas también forman parte de la historia detrás de una suelta.
Desde 2021, la organización de Barcelona corresponde a la Belgische Verstandhouding — Entente Belge. El calor extremo de 2025 volvió a mostrar la importancia de los preparativos. Las palomas belgas, francesas, alemanas, inglesas y luxemburguesas se distribuyeron entre cinco camiones en lugar de cuatro; los Países Bajos organizaron su propio transporte. Una mayor separación entre las cestas mejoró la ventilación. Al llegar, las luces permanecieron encendidas durante una hora para que las palomas pudieran beber. En Vilanova del Vallès, el ayuntamiento facilitó una conexión a la red de agua.
Los vagones han desaparecido, pero la responsabilidad sigue acompañando el viaje. Detrás de cada suelta hay jornadas largas, noches cortas y decisiones que el aficionado apenas ve desde casa.
Cuando las palomas levantan el vuelo, empieza para ellas el camino a casa. Para los acompañantes quedan las cestas vacías, la limpieza y el viaje de regreso. También ellos desean entonces volver a casa.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
ALCN Normandië veertig jaar duivensport in een familiale sfeer
Veertig jaar grote fond, sportieve successen en de mensen die de vereniging dragen.
Amicale des Longs Cours de Normandie
In de duivensport vertellen uitslagen veel, maar niet alles. Achter iedere vlucht staan mensen die voorbereiden, organiseren, helpen en samen wachten op de terugkeer van hun duiven. Bij de Amicale des Longs Cours de Normandie, kortweg ALCN, vormen zij het hart van de vereniging.
In 2026 vierde de ALCN haar veertigjarig bestaan. Op zondag 22 maart kwamen de leden in Surville bijeen voor veertig jaar grote fond, internationale wedstrijden en gedeelde passie.
Samen de grote fond beleven
De naam van de vereniging geeft haar doel aan: liefhebbers van lange afstanden bijeenbrengen. Barcelona, Marseille, Narbonne en Perpignan vragen geduld, zorgvuldige voorbereiding en vertrouwen in de duif.
De ALCN organiseert het inkorven en de gezamenlijke deelname aan deze internationale vluchten. Dat betekent veel vrijwilligerswerk: duiven controleren, registraties nakijken en manden voorbereiden. De inkorfvoorschriften noemen verantwoordelijken en duidelijke afspraken voor deelnemers.
Inkorven is ook een ontmoeting. Een kop koffie, een gesprek over de voorbereiding, verwachtingen voor de vlucht en een handje helpen bij de manden: die eenvoudige momenten geven een vereniging haar karakter.
Een vereniging waar je je thuis voelt
Kina van Breene verwoordde het zo: « L’ALCN, c’est comme une famille ! » — De ALCN is als een familie!
Die uitspraak staat ook op de verenigingswebsite. Zij beschrijft wat geen uitslag kan meten: de verbondenheid tussen mensen met dezelfde passie.
Vergaderingen, prijsuitreikingen en gezamenlijke maaltijden dragen daaraan bij. Het programma van de algemene vergadering in 2022 bevatte een ontvangst, een gezamenlijke maaltijd en de prijsuitreiking. Bij de ALCN gaan sport en gezelligheid samen.
Nationale en internationale successen
De sportieve geschiedenis omvat nationale en internationale overwinningen en talrijke podiumplaatsen. Algemene uitslagen, duivinnen en jaarlingen moeten afzonderlijk worden bekeken: één duif kan meerdere categorieën winnen. De onderstaande prestaties beschrijven gedocumenteerde successen en vormen geen volledige erelijst van alle veertig jaren.
Van de eerste successen naar grote overwinningen
In 2004 wonnen Gérard en Sylvain Cuffel nationaal Perpignan. In 2005 wonnen Daniel en Catherine Busnel nationaal Pau. Pascal Dudouit won vervolgens nationaal Perpignan in 2006.
Hanin-Lamoulen J. & Y. wonnen internationaal Perpignan duivinnen in 2007. In 2008 wonnen Daniel en Catherine Busnel Narbonne nationaal en internationaal; Guy Lecarpentier won internationaal Narbonne duivinnen.
In 2011 won Jacques Vandermeersch nationaal Narbonne jaarlingen én duivinnen jaarlingen met ring 004254-10. De ALCN-erelijst vermeldt ook een eerste internationale plaats in het als Narbonne duivinnen aangeduide klassement en een tweede internationale plaats bij de jaarlingen.
Pascal en Gérard Dudouit wonnen nationaal Perpignan duivinnen in 2013 en nationaal Perpignan in 2014, met dat laatste jaar ook een tweede internationale plaats.
Het jaar 2015 staat in het geheugen van de vereniging gegrift. Gérard, Sylvain en Mathieu Cuffel wonnen Barcelona internationaal en nationaal. Pascal en Gérard Dudouit wonnen Perpignan internationaal en nationaal duivinnen; dezelfde duif werd tweede in de algemene nationale en internationale uitslag.
De overwinningen gaan verder
In 2020 won Bertrand Dulong internationaal Perpignan duivinnen op de naar Rieux-Minervois verplaatste vlucht. Pascal Dudouit won dat jaar nationaal Narbonne jaarlingen en duivinnen en werd tweede internationaal jaarlingen. Jacques Vandermeersch eindigde tweede nationaal Narbonne oude duiven.
In 2022 won de familie Cuffel internationaal Perpignan. Pascal Dudouit won nationaal Barcelona en internationaal Barcelona duivinnen en werd tweede in de algemene internationale uitslag. In 2024 voegde hij een nationale overwinning op Perpignan toe.
Podiumplaatsen verdienen ook aandacht
Eerste plaatsen vertellen niet het hele verhaal. Gérard en Sylvain Cuffel werden tweede nationaal en internationaal Perpignan in 2003, tweede nationaal Narbonne in 2006 en derde internationaal Perpignan in 2007.
Carl Ginfray werd tweede nationaal en internationaal Vitoria in 2010. In 2011 werd hij tweede nationaal Narbonne jaarlingen en duivinnen jaarlingen en derde in het internationale Narbonne-duivinnenklassement dat de ALCN publiceert. Maurice Hue werd derde nationaal Vitoria in 2009.
Roger Delamare werd derde nationaal Pau in 2005, achter Daniel en Catherine Busnel en Guy Lecarpentier, respectievelijk eerste en tweede. Alain Follier werd tweede nationaal Pau in 2004. Jacques Vandermeersch werd tweede nationaal Marseille in 2008. Pascal Dudouit behaalde ook een tweede nationale plaats Perpignan in 2005 en een derde nationale plaats Pau in 2002.
Bij de recentere prestaties horen de tweede internationale plaats Perpignan 2020 en de derde internationale plaats Marseille 2025 van de familie Cuffel. Ook deze podiumplaatsen verdienen hun plaats naast de overwinningen.
De ALCN-vluchtwinnaars van 2026
Het jubileumjaar bracht een nieuw hoogtepunt. Patrice en Jérôme Cholet wonnen internationaal Narbonne 2026 en werden ook derde. Gérard Dudouit werd tweede: het internationale podium was volledig Normandisch.
Binnen de ALCN won Gérard Dudouit Barcelona en wonnen Patrice en Jérôme Cholet Narbonne oude duiven. Bertrand Dulong won Narbonne jaarlingen en Jean-Claude Pluriau de laatste vlucht, Perpignan, verplaatst naar Mazamet.
Op Marseille 2026 was Jacques Moriceau uit Les Sables-d’Olonne de ALCN-winnaar. De vereniging noemt daarnaast Nicolas Sammartano uit Saint-Pierre-lès-Elbeuf als Normandische winnaar. Zo krijgen beide prestaties de juiste erkenning.
Deze resultaten tonen de verscheidenheid aan hokken die de geschiedenis van de vereniging schrijven. Achter iedere naam staan jaren van voorbereiding, observatie en verzorging. Iedere thuiskomst herinnert eraan waarom deze liefhebbers de grote fond blijven spelen.
De mensen achter de prestaties
Een internationale overwinning ontstaat op het hok van de liefhebber. Een vereniging helpt de voorwaarden te scheppen om aan zulke vluchten deel te nemen.
Mensen besteden hun tijd aan inkorven, administratie, manden en bijeenkomsten. Hun inzet maakt van een groep liefhebbers een gemeenschap.
De waarde van de ALCN ligt daarom zowel in haar erelijst als in het dagelijks verenigingsleven. Kampioenen en liefhebbers die nog op hun grote uitslag wachten, ontmoeten elkaar rond dezelfde belangstelling: de duif en haar vermogen na een lange reis haar hok terug te vinden.
Veertig jaar en verder
De jubileumbijeenkomst in Surville bood gelegenheid terug te kijken op veertig jaar duivensport. De resultaten van 2026 tonen dat de ALCN volop aanwezig blijft op het internationale toneel.
De toekomst rust op de mensen die blijven organiseren, helpen en deelnemen. Bij de ALCN krijgt dat een vertrouwde vorm: samen inkorven, samen hopen en de vreugde van een thuiskomende duif delen.
Misschien is dat de mooiste prestatie van deze veertig jaar: een vereniging waar de passie voor de grote fond en het familiegevoel elkaar blijven versterken.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
ALCN Normandy forty years of pigeon racing in a family atmosphere
Forty years of long-distance racing, sporting achievements and the people behind the association.
Amicale des Longs Cours de Normandie
Results tell us much about pigeon racing, but they do not tell the whole story. Behind every race are people who prepare, organise, help and wait together for their pigeons to return. At the Amicale des Longs Cours de Normandie, known as ALCN, these people are the heart of the association.
In 2026, ALCN celebrated its fortieth anniversary. On Sunday 22 March, its members gathered in Surville to mark forty years of long-distance racing, international competitions and a shared passion.
Sharing a passion for long-distance racing
The association’s name expresses its purpose: bringing long-distance fanciers together. Barcelona, Marseille, Narbonne and Perpignan demand patience, careful preparation and confidence in the pigeon.
ALCN enables members to take part in these international races by organising basketing and their collective participation. This involves considerable voluntary work: checking pigeons, verifying records and preparing baskets. Its basketing instructions specify responsibilities and clear rules for participants.
Basketing is also a chance to meet. A coffee, a conversation about preparation, hopes for the race and a helping hand with the baskets: these simple moments give an association its character.
An association that feels like a family
Kina van Breene put it this way: “L’ALCN, c’est comme une famille !” — ALCN is like a family!
The words also appear on the association’s website. They describe something no result can measure: the bonds between people who share the same passion.
Meetings, prize ceremonies and shared meals contribute to this atmosphere. The programme for the 2022 general meeting included a welcome, a meal together and the presentation of prizes. At ALCN, competition and companionship go together.
National and international successes
ALCN’s sporting history includes national and international wins and numerous podium places. Overall results, hens and yearlings must be distinguished: one pigeon can win several categories. The performances below describe documented successes and do not constitute an exhaustive record of all forty years.
From early successes to major victories
In 2004, Gérard and Sylvain Cuffel won national Perpignan. In 2005, Daniel and Catherine Busnel won national Pau. Pascal Dudouit then won national Perpignan in 2006.
Hanin-Lamoulen J. & Y. won international Perpignan hens in 2007. In 2008, Daniel and Catherine Busnel won Narbonne nationally and internationally, while Guy Lecarpentier won international Narbonne hens.
In 2011, Jacques Vandermeersch won national Narbonne yearlings and national yearling hens with pigeon 004254-10. ALCN’s honours list also credits him with first international in the category presented as Narbonne hens and second international yearlings.
Pascal and Gérard Dudouit won national Perpignan hens in 2013, followed by national Perpignan in 2014, when they also finished second internationally.
The year 2015 left a lasting mark. Gérard, Sylvain and Mathieu Cuffel won Barcelona internationally and nationally. Pascal and Gérard Dudouit won international and national Perpignan hens; the same pigeon also finished second in the overall national and international results.
The victories continue
In 2020, Bertrand Dulong won international Perpignan hens in the race relocated to Rieux-Minervois. That year, Pascal Dudouit won national Narbonne yearlings and hens and finished second international yearlings. Jacques Vandermeersch finished second national Narbonne old birds.
In 2022, the Cuffel family won international Perpignan. Pascal Dudouit won national Barcelona and international Barcelona hens, also finishing second in the overall international result. In 2024, he added another national Perpignan victory.
Podium places deserve recognition too
First places do not tell the whole story. Gérard and Sylvain Cuffel finished second nationally and internationally at Perpignan in 2003, second national Narbonne in 2006 and third international Perpignan in 2007.
Carl Ginfray finished second nationally and internationally at Vitoria in 2010. In 2011, he was second national Narbonne yearlings and yearling hens and third in the international Narbonne hens category published by ALCN. Maurice Hue finished third national Vitoria in 2009.
Roger Delamare finished third national Pau in 2005, behind Daniel and Catherine Busnel and Guy Lecarpentier, respectively first and second. Alain Follier finished second national Pau in 2004. Jacques Vandermeersch finished second national Marseille in 2008. Pascal Dudouit also took second national Perpignan in 2005 and third national Pau in 2002.
More recent results include the Cuffel family’s second international Perpignan in 2020 and third international Marseille in 2025. These podium places belong alongside the victories.
ALCN race winners in 2026
The anniversary year brought another highlight. Patrice and Jérôme Cholet won international Narbonne 2026 and also took third place. Gérard Dudouit finished second: an entirely Norman international podium.
Within ALCN, Gérard Dudouit won Barcelona and Patrice and Jérôme Cholet won Narbonne old birds. Bertrand Dulong won Narbonne yearlings, while Jean-Claude Pluriau won the final race, Perpignan, relocated to Mazamet.
At Marseille 2026, Jacques Moriceau of Les Sables-d’Olonne was the ALCN winner. The association also identifies Nicolas Sammartano of Saint-Pierre-lès-Elbeuf as the Norman winner. This distinction recognises both performances at their proper level.
These results show the variety of lofts contributing to the association’s history. Behind each name are years of preparation, observation and care. Each homecoming is a reminder of why these fanciers remain devoted to long-distance racing.
The people behind the performances
An international victory is built at the fancier’s loft. An association helps create the conditions needed to take part in such races.
People give their time to basketing, administration, baskets and gatherings. Their commitment turns a group of fanciers into a community.
ALCN’s value therefore lies in its everyday life as much as in its honours list. Champions and fanciers still waiting for their big result meet around the same interest: the pigeon and its ability to find its loft after a long journey.
Forty years and the future
The anniversary gathering in Surville offered a chance to look back on forty years of pigeon racing. The results of 2026 show that ALCN remains active on the international stage.
An association’s future depends on those who keep organising, helping and participating. At ALCN, this takes a familiar form: basketing together, hoping together and sharing the joy of a pigeon’s return.
Perhaps that is the finest achievement of these forty years: an association where a passion for long-distance racing and a sense of family continue to strengthen each other.
Want to know more? Click the source links in this article.
ALCN Normandie vierzig Jahre Taubensport in familiärer Atmosphäre
Vierzig Jahre Weitstreckensport, sportliche Erfolge und die Menschen hinter der Vereinigung.
Amicale des Longs Cours de Normandie
Ergebnisse erzählen viel über den Taubensport, aber nicht alles. Hinter jedem Wettflug stehen Menschen, die vorbereiten, organisieren, helfen und gemeinsam auf die Rückkehr ihrer Tauben warten. Bei der Amicale des Longs Cours de Normandie, kurz ALCN, bilden sie das Herz der Vereinigung.
2026 feierte die ALCN ihr vierzigjähriges Bestehen. Am Sonntag, dem 22. März, kamen ihre Mitglieder in Surville zusammen, um vierzig Jahre Weitstreckensport, internationale Wettflüge und gemeinsame Leidenschaft zu feiern.
Die Leidenschaft für die Weitstrecke gemeinsam erleben
Der Name der Vereinigung beschreibt ihr Ziel: Freunde der langen Distanzen zusammenzubringen. Barcelona, Marseille, Narbonne und Perpignan verlangen Geduld, sorgfältige Vorbereitung und Vertrauen in die Taube.
Die ALCN ermöglicht ihren Mitgliedern die Teilnahme an diesen internationalen Wettflügen durch das gemeinsame Einsetzen und dessen Organisation. Dahinter steckt viel ehrenamtliche Arbeit: Tauben kontrollieren, Registrierungen prüfen und Körbe vorbereiten. Die Einsatzvorschriften benennen Verantwortliche und klare Regeln für die Teilnehmer.
Das Einsetzen ist zugleich eine Begegnung. Ein Kaffee, ein Gespräch über die Vorbereitung, Hoffnungen für den Wettflug und Hilfe bei den Körben: Solche einfachen Momente prägen den Charakter einer Vereinigung.
Eine Vereinigung wie eine Familie
Kina van Breene brachte es so zum Ausdruck: « L’ALCN, c’est comme une famille ! » — Die ALCN ist wie eine Familie!
Dieser Satz steht auch auf der Website der Vereinigung. Er beschreibt, was keine Ergebnisliste messen kann: die Verbundenheit von Menschen mit derselben Leidenschaft.
Versammlungen, Siegerehrungen und gemeinsame Mahlzeiten tragen dazu bei. Das Programm der Mitgliederversammlung 2022 umfasste einen Empfang, ein gemeinsames Essen und die Preisverleihung. Bei der ALCN gehören Wettkampf und Geselligkeit zusammen.
Nationale und internationale Erfolge
Die sportliche Geschichte umfasst nationale und internationale Siege sowie zahlreiche Podestplätze. Gesamtwertungen, Weibchen und Jährige sind auseinanderzuhalten: Eine Taube kann mehrere Kategorien gewinnen. Die folgenden Leistungen beschreiben belegte Erfolge und bilden keine vollständige Ehrenliste aller vierzig Jahre.
Von frühen Erfolgen zu großen Siegen
2004 gewannen Gérard und Sylvain Cuffel Perpignan national. 2005 siegten Daniel und Catherine Busnel national auf Pau. Pascal Dudouit gewann anschließend Perpignan national 2006.
Hanin-Lamoulen J. & Y. gewannen Perpignan international Weibchen 2007. 2008 siegten Daniel und Catherine Busnel auf Narbonne national und international; Guy Lecarpentier gewann Narbonne international Weibchen.
2011 gewann Jacques Vandermeersch Narbonne national Jährige und Weibchen Jährige mit der Taube 004254-10. Die ALCN-Ehrenliste nennt zudem den ersten internationalen Platz in der als Narbonne Weibchen bezeichneten Wertung und den zweiten internationalen Platz bei den Jährigen.
Pascal und Gérard Dudouit gewannen Perpignan national Weibchen 2013 und Perpignan national 2014, mit einem zweiten internationalen Platz im letzteren Jahr.
2015 bleibt besonders in Erinnerung. Gérard, Sylvain und Mathieu Cuffel gewannen Barcelona international und national. Pascal und Gérard Dudouit gewannen Perpignan international und national Weibchen; dieselbe Taube wurde außerdem Zweite in der nationalen und internationalen Gesamtwertung.
Die Siege setzen sich fort
2020 gewann Bertrand Dulong Perpignan international Weibchen auf dem nach Rieux-Minervois verlegten Flug. Pascal Dudouit gewann in diesem Jahr Narbonne national Jährige und Weibchen und wurde Zweiter international Jährige. Jacques Vandermeersch belegte den zweiten nationalen Platz Narbonne Alttauben.
2022 gewann die Familie Cuffel Perpignan international. Pascal Dudouit gewann Barcelona national und Barcelona international Weibchen und belegte zudem den zweiten Platz in der internationalen Gesamtwertung. 2024 fügte er einen weiteren nationalen Sieg auf Perpignan hinzu.
Auch Podestplätze verdienen Anerkennung
Erste Plätze erzählen nicht die ganze Geschichte. Gérard und Sylvain Cuffel wurden 2003 Zweite national und international auf Perpignan, 2006 Zweite national Narbonne und 2007 Dritte international Perpignan.
Carl Ginfray wurde 2010 Zweiter national und international Vitoria. 2011 belegte er den zweiten nationalen Platz Narbonne Jährige und Weibchen Jährige sowie den dritten Platz in der von der ALCN veröffentlichten internationalen Narbonne-Weibchenwertung. Maurice Hue wurde Dritter national Vitoria 2009.
Roger Delamare wurde Dritter national Pau 2005, hinter Daniel und Catherine Busnel und Guy Lecarpentier auf den ersten beiden Plätzen. Alain Follier wurde Zweiter national Pau 2004. Jacques Vandermeersch wurde Zweiter national Marseille 2008. Pascal Dudouit erzielte außerdem einen zweiten nationalen Platz Perpignan 2005 und einen dritten nationalen Platz Pau 2002.
Zu den jüngeren Erfolgen gehören der zweite internationale Platz Perpignan 2020 und der dritte internationale Platz Marseille 2025 der Familie Cuffel. Diese Podestplätze gehören neben die Siege.
Die ALCN-Flugsieger 2026
Das Jubiläumsjahr brachte einen weiteren Höhepunkt. Patrice und Jérôme Cholet gewannen Narbonne international 2026 und belegten auch den dritten Platz. Gérard Dudouit wurde Zweiter: Das internationale Podium war vollständig normannisch.
Innerhalb der ALCN gewann Gérard Dudouit Barcelona, Patrice und Jérôme Cholet gewannen Narbonne Alttauben. Bertrand Dulong gewann Narbonne Jährige, Jean-Claude Pluriau den letzten Flug, Perpignan, verlegt nach Mazamet.
Auf Marseille 2026 war Jacques Moriceau aus Les Sables-d’Olonne der ALCN-Sieger. Die Vereinigung nennt außerdem Nicolas Sammartano aus Saint-Pierre-lès-Elbeuf als normannischen Sieger. Diese Unterscheidung würdigt beide Leistungen auf ihrer jeweiligen Ebene.
Die Ergebnisse zeigen die Vielfalt der Schläge, die zur Geschichte der Vereinigung beitragen. Hinter jedem Namen stehen Jahre der Vorbereitung, Beobachtung und Pflege. Jede Heimkehr erinnert daran, warum diese Sportfreunde der Weitstrecke verbunden bleiben.
Die Menschen hinter den Leistungen
Ein internationaler Sieg entsteht auf dem Schlag des Züchters. Eine Vereinigung hilft, die Voraussetzungen für die Teilnahme an solchen Wettflügen zu schaffen.
Menschen geben ihre Zeit für das Einsetzen, die Verwaltung, die Körbe und die Treffen. Ihr Einsatz macht aus einer Gruppe von Taubenfreunden eine Gemeinschaft.
Der Wert der ALCN liegt deshalb ebenso im täglichen Vereinsleben wie in ihrer Ehrenliste. Champions und Sportfreunde, die noch auf ihren großen Erfolg warten, verbindet dasselbe Interesse: die Taube und ihre Fähigkeit, nach einer langen Reise ihren Schlag wiederzufinden.
Vierzig Jahre und die Zukunft
Das Jubiläumstreffen in Surville bot Gelegenheit, auf vierzig Jahre Taubensport zurückzublicken. Die Ergebnisse 2026 zeigen, dass die ALCN weiterhin auf internationaler Ebene präsent ist.
Die Zukunft einer Vereinigung liegt bei denen, die weiterhin organisieren, helfen und teilnehmen. Bei der ALCN heißt das: gemeinsam einsetzen, gemeinsam hoffen und die Freude über eine heimkehrende Taube teilen.
Vielleicht ist das der schönste Erfolg dieser vierzig Jahre: eine Vereinigung, in der sich Weitstreckenbegeisterung und familiärer Zusammenhalt weiter gegenseitig stärken.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
ALCN Normandía cuarenta años de colombofilia en un ambiente familiar
Cuarenta años de gran fondo, éxitos deportivos y compromiso con la asociación.
Amicale des Longs Cours de Normandie
Los resultados cuentan mucho sobre la colombofilia, pero no lo cuentan todo. Detrás de cada concurso hay personas que preparan, organizan, ayudan y esperan juntas el regreso de sus palomas. En la Amicale des Longs Cours de Normandie, conocida como ALCN, estas personas constituyen el corazón de la asociación.
En 2026, la ALCN celebró su cuadragésimo aniversario. El domingo 22 de marzo, sus miembros se reunieron en Surville para celebrar cuarenta años de gran fondo, concursos internacionales y una pasión compartida.
Compartir la pasión por el gran fondo
El nombre de la asociación expresa su vocación: reunir a los aficionados a las largas distancias. Barcelona, Marsella, Narbona y Perpiñán exigen paciencia, una preparación cuidadosa y confianza en la paloma.
La ALCN permite participar en estos concursos internacionales organizando el enceste y la participación colectiva. Esto supone mucho trabajo voluntario: controlar las palomas, comprobar los registros y preparar las cestas. Las instrucciones de enceste establecen responsables y normas claras para los participantes.
El enceste también es un encuentro. Un café, una conversación sobre la preparación, las esperanzas para el concurso y una mano para preparar las cestas: estos momentos sencillos dan personalidad a una asociación.
Una asociación donde uno se siente en familia
Kina van Breene lo expresó así: « L’ALCN, c’est comme une famille ! » — ¡La ALCN es como una familia!
La frase también aparece en la web de la asociación. Describe algo que ninguna clasificación puede medir: los vínculos entre personas unidas por la misma pasión.
Las reuniones, las entregas de premios y las comidas compartidas contribuyen a este ambiente. El programa de la asamblea general de 2022 incluía la recepción de los participantes, una comida y la entrega de premios. En la ALCN, competición y convivencia van de la mano.
Éxitos nacionales e internacionales
Su historia deportiva reúne victorias nacionales e internacionales y numerosos puestos de podio. Hay que distinguir las clasificaciones generales, las hembras y los yearlings: una misma paloma puede ganar varias categorías. Los resultados siguientes recogen éxitos documentados y no constituyen un palmarés exhaustivo de los cuarenta años.
De los primeros éxitos a las grandes victorias
En 2004, Gérard y Sylvain Cuffel ganaron Perpiñán nacional. En 2005, Daniel y Catherine Busnel ganaron Pau nacional. Pascal Dudouit ganó después Perpiñán nacional en 2006.
Hanin-Lamoulen J. & Y. ganaron Perpiñán internacional hembras en 2007. En 2008, Daniel y Catherine Busnel ganaron Narbona nacional e internacional, mientras Guy Lecarpentier ganó Narbona internacional hembras.
En 2011, Jacques Vandermeersch ganó Narbona nacional yearlings y hembras yearlings con la paloma 004254-10. El palmarés de la ALCN también le atribuye el primer puesto internacional en la clasificación presentada como Narbona hembras y el segundo internacional yearlings.
Pascal y Gérard Dudouit ganaron Perpiñán nacional hembras en 2013 y Perpiñán nacional en 2014, con un segundo puesto internacional este último año.
El año 2015 dejó una huella especial. Gérard, Sylvain y Mathieu Cuffel ganaron Barcelona internacional y nacional. Pascal y Gérard Dudouit ganaron Perpiñán internacional y nacional hembras; la misma paloma terminó segunda en las clasificaciones generales nacional e internacional.
Las victorias continúan
En 2020, Bertrand Dulong ganó Perpiñán internacional hembras en el concurso trasladado a Rieux-Minervois. Ese año, Pascal Dudouit ganó Narbona nacional yearlings y hembras y terminó segundo internacional yearlings. Jacques Vandermeersch fue segundo nacional Narbona adultas.
En 2022, la familia Cuffel ganó Perpiñán internacional. Pascal Dudouit ganó Barcelona nacional y Barcelona internacional hembras y fue segundo en la general internacional. En 2024 añadió otra victoria nacional en Perpiñán.
Los podios también merecen reconocimiento
Los primeros puestos no cuentan toda la historia. Gérard y Sylvain Cuffel fueron segundos nacional e internacional Perpiñán en 2003, segundos nacional Narbona en 2006 y terceros internacional Perpiñán en 2007.
Carl Ginfray fue segundo nacional e internacional Vitoria en 2010. En 2011 terminó segundo nacional Narbona yearlings y hembras yearlings y tercero en la clasificación internacional Narbona hembras publicada por la ALCN. Maurice Hue fue tercero nacional Vitoria en 2009.
Roger Delamare fue tercero nacional Pau en 2005, detrás de Daniel y Catherine Busnel y Guy Lecarpentier, primero y segundo respectivamente. Alain Follier fue segundo nacional Pau en 2004. Jacques Vandermeersch fue segundo nacional Marsella en 2008. Pascal Dudouit también obtuvo un segundo nacional Perpiñán en 2005 y un tercero nacional Pau en 2002.
Entre los resultados recientes están el segundo internacional Perpiñán 2020 y el tercero internacional Marsella 2025 de la familia Cuffel. Estos podios tienen su lugar junto a las victorias.
Los ganadores ALCN de 2026
El año del aniversario trajo un nuevo hito. Patrice y Jérôme Cholet ganaron Narbona internacional 2026 y también lograron el tercer puesto. Gérard Dudouit fue segundo: el podio internacional fue completamente normando.
Dentro de la ALCN, Gérard Dudouit ganó Barcelona y Patrice y Jérôme Cholet Narbona adultas. Bertrand Dulong ganó Narbona yearlings, mientras Jean-Claude Pluriau ganó la última prueba, Perpiñán, trasladada a Mazamet.
En Marsella 2026, Jacques Moriceau, de Les Sables-d’Olonne, fue el ganador ALCN. La asociación también distingue a Nicolas Sammartano, de Saint-Pierre-lès-Elbeuf, como ganador normando. Así se reconoce cada actuación en su nivel correspondiente.
Estos resultados muestran la variedad de palomares que contribuyen a la historia de la asociación. Detrás de cada nombre hay años de preparación, observación y cuidados. Cada regreso recuerda por qué estos aficionados siguen vinculados al gran fondo.
Las personas detrás de los resultados
Una victoria internacional se construye en el palomar del aficionado. Una asociación ayuda a reunir las condiciones necesarias para participar en estas pruebas.
Las personas dedican tiempo al enceste, la administración, las cestas y los encuentros. Su compromiso convierte a un grupo de aficionados en una comunidad.
El valor de la ALCN está tanto en su vida cotidiana como en su palmarés. Los campeones y quienes todavía esperan su gran resultado se encuentran alrededor del mismo interés: la paloma y su capacidad para regresar al palomar después de un largo viaje.
Cuarenta años y el futuro
El encuentro de aniversario en Surville permitió recordar cuarenta años de colombofilia. Los resultados de 2026 muestran que la ALCN sigue presente en el escenario internacional.
El futuro de una asociación depende de quienes continúan organizando, ayudando y participando. En la ALCN esto adopta una forma familiar: encestar juntos, esperar juntos y compartir la alegría del regreso de una paloma.
Quizá ese sea el mayor éxito de estos cuarenta años: una asociación donde la pasión por el gran fondo y el espíritu de familia siguen fortaleciéndose mutuamente.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
ALCN Normandie quarante ans de colombophilie dans un esprit de famille
Quarante ans de grand fond, de réussites sportives et d’engagement associatif.
Amicale des Longs Cours de Normandie
En colombophilie, les résultats racontent beaucoup de choses, mais pas tout. Derrière chaque concours, il y a des personnes qui préparent, organisent, donnent un coup de main et attendent ensemble le retour de leurs pigeons. À l’Amicale des Longs Cours de Normandie, connue sous le nom d’ALCN, ces personnes constituent le cœur de l’association.
En 2026, l’ALCN a célébré son quarantième anniversaire. Le dimanche 22 mars, ses membres se sont retrouvés à Surville pour fêter cette étape : quarante années de grand fond, de concours internationaux et de passion partagée.
Vivre ensemble la passion du grand fond
Le nom de l’association exprime sa vocation : réunir les amateurs de longues distances. Des concours comme Barcelone, Marseille, Narbonne et Perpignan demandent de la patience, une préparation attentive et une grande confiance dans le pigeon.
L’ALCN permet à ses membres de participer à ces épreuves internationales en assurant les enlogements et leur organisation collective. Cela représente un important travail bénévole. Les pigeons doivent être contrôlés, les enregistrements vérifiés et les paniers préparés pour le départ. Les consignes actuelles d’enlogement témoignent du soin apporté à cette organisation, avec des responsables désignés et des règles précises pour les participants.
Mais l’enlogement est aussi un moment de rencontre. Un café, une discussion sur la préparation, les espoirs placés dans le concours et un coup de main pour préparer les paniers : ces moments simples donnent à une association toute sa personnalité.
Une association où l’on se sent en famille
Kina van Breene l’a exprimé avec ces mots :
« L’ALCN, c’est comme une famille ! »
Cette phrase figure également sur le site de l’association. Elle décrit ce qu’aucun classement ne peut mesurer : les liens entre des personnes réunies par une même passion.
Les rassemblements contribuent eux aussi à cet esprit. Les réunions, les remises de prix et les repas partagés font partie de la vie de l’amicale. Le programme de l’assemblée générale de 2022 prévoyait ainsi un accueil des participants, un repas en commun et la remise des prix aux lauréats. À l’ALCN, la compétition et la convivialité vont de pair.
Des succès nationaux et internationaux
L’histoire sportive de l’ALCN rassemble des victoires nationales et internationales, mais aussi de nombreuses places sur les podiums. Les classements généraux, les femelles et les yearlings doivent être distingués : un même pigeon peut remporter plusieurs catégories. Les performances ci-dessous retracent les succès documentés, sans prétendre constituer un palmarès exhaustif des quarante années de l’association.
Des premiers succès aux grandes victoires
En 2004, Gérard et Sylvain Cuffel remportent Perpignan national. En 2005, Daniel et Catherine Busnel gagnent Pau national. Pascal Dudouit s’impose à son tour sur Perpignan national en 2006.
Hanin-Lamoulen J. & Y. remportent Perpignan international femelles en 2007. En 2008, Daniel et Catherine Busnel gagnent Narbonne au classement national et international, tandis que Guy Lecarpentier remporte le classement international des femelles de Narbonne.
En 2011, Jacques Vandermeersch remporte Narbonne national yearlings et le classement national des femelles yearlings avec la bague 004254-10. Le palmarès ALCN lui attribue également la première place internationale dans le classement présenté comme Narbonne femelles, ainsi que la deuxième place internationale yearlings.
Pascal et Gérard Dudouit remportent Perpignan national femelles en 2013, puis Perpignan national en 2014, avec une deuxième place internationale cette dernière année.
L’année 2015 marque profondément la mémoire de l’amicale. Gérard, Sylvain et Mathieu Cuffel gagnent Barcelone international et national. Pascal et Gérard Dudouit remportent Perpignan international et national femelles ; leur pigeon se classe également deuxième au général national et international.
Les victoires se poursuivent
En 2020, Bertrand Dulong remporte Perpignan international femelles, sur l’épreuve déplacée à Rieux-Minervois. La même année, Pascal Dudouit gagne Narbonne national yearlings et le classement national des femelles ; il se classe deuxième international yearlings. Jacques Vandermeersch termine deuxième national Narbonne vieux.
En 2022, la famille Cuffel remporte Perpignan international. Pascal Dudouit gagne Barcelone national et Barcelone international femelles, avec également une deuxième place internationale au général. En 2024, il ajoute une nouvelle victoire nationale sur Perpignan à son palmarès.
Des podiums qui méritent aussi leur place
Les premières places ne résument pas toute cette histoire. En 2003, Gérard et Sylvain Cuffel terminent deuxièmes national et international sur Perpignan. Ils obtiennent aussi la deuxième place nationale sur Narbonne en 2006 et une troisième place internationale sur Perpignan en 2007.
Carl Ginfray se classe deuxième national et international sur Vitoria en 2010. En 2011, il est deuxième national Narbonne yearlings et femelles yearlings, ainsi que troisième international dans le classement Narbonne femelles publié par l’ALCN. Maurice Hue est troisième national Vitoria en 2009.
Roger Delamare figure au troisième rang national de Pau en 2005, derrière Daniel et Catherine Busnel et Guy Lecarpentier, respectivement premier et deuxième. Alain Follier se classe deuxième national Pau en 2004. Jacques Vandermeersch est deuxième national Marseille en 2008. Pascal Dudouit obtient également une deuxième place nationale Perpignan en 2005 et une troisième place nationale Pau en 2002.
Les résultats plus récents prolongent cette tradition : la famille Cuffel termine deuxième international Perpignan en 2020 et troisième international Marseille en 2025. Ces podiums ont toute leur place aux côtés des victoires.
Les vainqueurs ALCN de la saison 2026
L’année du quarantième anniversaire apporte un nouveau sommet. Patrice et Jérôme Cholet remportent Narbonne international 2026 et prennent aussi la troisième place. Gérard Dudouit termine deuxième : le podium international est entièrement normand.
Au classement ALCN, Gérard Dudouit gagne Barcelone et Patrice et Jérôme Cholet Narbonne vieux. Bertrand Dulong remporte Narbonne yearlings, tandis que Jean-Claude Pluriau gagne la dernière épreuve, Perpignan, déplacée à Mazamet.
Sur Marseille 2026, Jacques Moriceau, des Sables-d’Olonne, est le vainqueur ALCN. Le site de l’amicale distingue également Nicolas Sammartano, de Saint-Pierre-lès-Elbeuf, comme vainqueur normand. Cette distinction permet de saluer les deux performances à leur juste niveau.
De tels résultats montrent la diversité des colombiers qui contribuent à l’histoire de l’amicale. Chaque nom représente des années de préparation, d’observation et de soins, et chaque retour rappelle pourquoi ces amateurs restent attachés au grand fond.
Les personnes derrière les performances
Une victoire internationale se construit dans le colombier de l’amateur. Mais une association contribue à réunir les conditions nécessaires pour participer à de telles épreuves.
Cela repose sur des personnes qui donnent de leur temps : pour les enlogements, l’administration, la préparation des paniers et les rassemblements. Leur engagement transforme un ensemble d’amateurs en une communauté.
La valeur de l’ALCN réside donc autant dans son palmarès que dans sa vie quotidienne. Les champions et les amateurs qui attendent encore leur grand résultat s’y retrouvent autour du même intérêt : le pigeon et sa capacité à rejoindre son colombier après un long voyage.
Quarante ans et la suite
Le rassemblement anniversaire de Surville a permis de revenir sur quarante années de colombophilie. Les performances de 2026 montrent aussi que l’ALCN reste pleinement présente sur la scène internationale.
L’avenir d’une association repose sur celles et ceux qui continuent à organiser, à aider et à participer. À l’ALCN, cet engagement prend une forme familière : enloger ensemble, espérer ensemble et partager la joie du retour d’un pigeon.
C’est peut-être là que se trouve la plus belle réussite de ces quarante années : une association où la passion du grand fond et l’esprit de famille continuent à se renforcer mutuellement.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Antoine Le Moigne en de geschiedenis van de militaire postduif
Van het belegerde Parijs tot de geallieerde strijd in Normandië
Het begin in Parijs 1870 en 1871
Tijdens de Frans-Duitse Oorlog werd Parijs belegerd en raakte de stad vrijwel afgesneden van de buitenwereld. Telegraafverbindingen waren verbroken en koeriers konden de vijandelijke linies nauwelijks passeren. Postduiven boden een andere mogelijkheid om berichten de stad binnen te brengen.
De vogels werden per ballon vanuit Parijs naar gebieden buiten de omsingeling vervoerd. Van daaruit konden zij met berichten terugvliegen naar hun vertrouwde hok in de stad. Door teksten sterk te verkleinen, paste veel informatie in een klein kokertje.
De inzet tijdens het beleg liet zien wat een postduif kon betekenen wanneer gewone verbindingen wegvielen. Een veilige aankomst was nooit zeker: weer, roofvogels en vijandelijke activiteiten vormden risico’s.
Ets nummer 5, eigendom WvB
Van experiment naar militaire duivendienst
Na 1870 begonnen verschillende Europese legers het gebruik van postduiven te organiseren. Er kwamen vaste hokken, verzorgers en afspraken voor de training, het vervoer en de verwerking van berichten. De vogel was één onderdeel van een groter communicatiesysteem.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden postduiven op grote schaal aan het front ingezet. Wanneer telefoonlijnen waren vernield of andere verbindingen niet beschikbaar waren, konden zij korte berichten terugbrengen over bijvoorbeeld de positie van een eenheid of de behoefte aan versterking. Dat gebeurde onder zware omstandigheden, te midden van lawaai, rook en beschietingen. Sommige vogels bereikten ondanks verwondingen hun hok en kregen daarvoor officiële erkenning.
Tussen de oorlogen het verplaatsbare hok
Na de Eerste Wereldoorlog namen radio en telefoon een steeds grotere plaats in. Toch bleven legers postduiven beschikbaar houden voor situaties waarin technische verbindingen uitvielen, werden verstoord of niet gebruikt konden worden.
Naast vaste hokken bestonden er ook verplaatsbare hokken. Daarmee konden duiven dichter bij een militaire eenheid worden ondergebracht. Zo’n hok kon echter niet zonder voorbereiding naar een nieuwe plek worden gebracht en meteen als betrouwbare thuisbasis dienen. De vogels moesten aan hun omgeving wennen; verzorging, training en planning bleven bepalend voor de werking van het systeem.
Een verplaatsbaar duivenhok bij een D-Day-herdenking in Normandië, 7 juni 2026.
De Tweede Wereldoorlog en D-Day
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zetten verschillende strijdende partijen opnieuw postduiven in. Ook verzetsgroepen en geallieerde eenheden gebruikten ze om informatie naar een bekende basis terug te brengen. De vogels konden van waarde zijn wanneer radiostilte nodig was of een verbinding ontbrak.
Een bericht werd in een klein kokertje aan de duif bevestigd. Na het loslaten vloog zij terug naar het hok dat zij als thuisbasis kende. Dat was tegelijk de kracht en de beperking van deze methode: een postduif kon een bericht terugbrengen, maar niet zelf een willekeurige bestemming kiezen of een antwoord meenemen zonder opnieuw te worden vervoerd.
Een verplaatsbaar hok bood ruimte om de vogels bij een eenheid te huisvesten en te verzorgen. Het maakte communicatie in het veld mogelijk zonder kabels of elektrische voeding, maar bleef afhankelijk van goed voorbereide vogels en ervaren verzorgers.
Antoine Le Moigne bij zijn presentatie van een Amerikaanse mobiele duiveninstallatie in Normandië.
Antoine Le Moigne in Normandië
Tijdens de D-Day-herdenkingen in Normandië maakt Antoine Le Moigne deze geschiedenis tastbaar. Le Moigne komt uit Airel en is lid van duivenvereniging L’Hirondelle d’Isigny-sur-Mer. Hij presenteert een Amerikaans verplaatsbaar hok uit de Tweede Wereldoorlog en vertelt hoe militaire eenheden postduiven konden inzetten.
Het object nodigt uit om verder te kijken dan de techniek alleen. Het laat zien hoeveel voorbereiding en vertrouwen schuilgingen achter een ogenschijnlijk eenvoudige handeling: een vogel met een bericht loslaten en hopen dat zij haar hok bereikte.
Antoine Le Moigne met een postduif.
Een geschiedenis die nog aanspreekt
Voor de hedendaagse duivenliefhebber is het vermogen van een postduif om haar hok terug te vinden vertrouwd. De omstandigheden waarin militaire duiven vlogen, waren heel anders dan die van de sport. Toch vormt die terugkeer naar een bekende basis de verbinding tussen toen en nu.
Jong en oud luisteren naar de uitleg over postduiven tijdens de herdenking.
Met zijn presentatie brengt Antoine Le Moigne een minder bekend deel van de geschiedenis opnieuw tot leven. Zijn verhalen vormen een bloemlezing over vindingrijkheid, vertrouwen en de bijzondere band tussen mens en duif. Die band vormt ook vandaag het hart van de duivensport. Iedere vlucht begint met dagelijkse zorg en geduldige training op het hok. Dan volgt het moment waarop de duif wordt losgelaten en de liefhebber uitkijkt naar haar terugkeer. Wie die thuiskomst meemaakt, begrijpt waarom deze sport mensen blijft boeien. Zo verbindt Antoine de verhalen van toen met de duivensport van nu en nodigt hij jong en oud uit om de postduif en haar verzorgers van dichtbij te leren kennen.
Redactie
septembre 2026
Antoine Le Moigne et l’histoire du pigeon voyageur militaire
De Paris assiégé aux forces alliées en Normandie
Les débuts à Paris en 1870 et 1871
Pendant la guerre franco-allemande, Paris fut assiégé et presque coupé du monde extérieur. Les lignes télégraphiques étaient interrompues et les courriers pouvaient difficilement franchir les lignes ennemies. Les pigeons voyageurs offraient un autre moyen de faire entrer des messages dans la ville.
Les oiseaux quittaient Paris en ballon pour rejoindre des zones situées hors du siège. De là, ils pouvaient rentrer avec des messages vers leur colombier habituel dans la ville. La réduction des textes permettait de placer beaucoup d’informations dans un petit tube.
Le siège montra ce qu’un pigeon voyageur pouvait apporter lorsque les communications ordinaires étaient coupées. Son arrivée n’était jamais garantie : la météo, les rapaces et les activités ennemies représentaient des risques.
Gravure numéro 5, collection WvB.
De l’expérience au service militaire des pigeons
Après 1870, plusieurs armées européennes organisèrent l’emploi des pigeons voyageurs. Elles établirent des colombiers permanents, désignèrent des soigneurs et fixèrent des règles pour l’entraînement, le transport et le traitement des messages. L’oiseau n’était qu’un élément d’un système de communication plus vaste.
Pendant la Première Guerre mondiale, les pigeons voyageurs furent largement employés au front. Lorsque les lignes téléphoniques étaient détruites ou que les autres moyens de liaison manquaient, ils pouvaient rapporter de courts messages sur la position d’une unité ou une demande de renforts. Ils volaient dans des conditions difficiles, au milieu du bruit, de la fumée et des bombardements. Certains rejoignirent leur colombier malgré leurs blessures et reçurent une reconnaissance officielle.
Le colombier mobile entre les deux guerres
Après la Première Guerre mondiale, la radio et le téléphone occupèrent une place croissante. Les armées continuèrent pourtant à disposer de pigeons lorsque les liaisons techniques tombaient en panne, étaient brouillées ou ne pouvaient pas être utilisées.
À côté des colombiers fixes existaient des colombiers mobiles. Ils permettaient de loger les oiseaux plus près d’une unité militaire. On ne pouvait toutefois pas déplacer un colombier sans préparation et en faire immédiatement une base de retour fiable. Les pigeons devaient s’habituer à leur environnement ; soins, entraînement et organisation restaient essentiels.
Un colombier mobile lors d’une commémoration du Débarquement en Normandie, le 7 juin 2026.
La Seconde Guerre mondiale et le Débarquement
Pendant la Seconde Guerre mondiale, plusieurs camps utilisèrent à nouveau des pigeons voyageurs. Des groupes de résistance et des unités alliées s’en servirent aussi pour rapporter des informations vers une base connue. Ces oiseaux pouvaient être précieux lorsqu’il fallait garder le silence radio ou lorsqu’une liaison manquait.
Un message était fixé à la patte du pigeon dans un petit tube. Une fois lâché, il regagnait le colombier qu’il connaissait comme base. C’était à la fois la force et la limite du procédé : le pigeon rapportait un message chez lui, mais ne choisissait pas librement une destination et ne pouvait rapporter une réponse sans avoir été transporté à nouveau.
Un colombier mobile permettait de loger et de soigner les oiseaux auprès d’une unité. Il rendait possible une communication sur le terrain sans câbles ni alimentation électrique, à condition de disposer de pigeons bien préparés et de soigneurs expérimentés.
Antoine Le Moigne devant sa présentation d’une installation colombophile mobile américaine en Normandie.
Antoine Le Moigne en Normandie
Lors des commémorations du Débarquement en Normandie, Antoine Le Moigne rend cette histoire concrète. Originaire d’Airel et membre de L’Hirondelle d’Isigny-sur-Mer, il présente un colombier mobile américain de la Seconde Guerre mondiale et explique comment les unités militaires pouvaient employer les pigeons voyageurs.
Cette installation invite à regarder au-delà de la technique. Elle révèle la préparation et la confiance nécessaires à un geste apparemment simple : lâcher un oiseau portant un message et espérer qu’il rejoigne son colombier.
Antoine Le Moigne avec un pigeon voyageur.
Une histoire qui nous parle encore
Les colombophiles d’aujourd’hui connaissent bien la capacité du pigeon à retrouver son colombier. Les conditions de vol des pigeons militaires différaient beaucoup de celles du sport. Leur retour vers une base familière relie pourtant le passé au présent.
Petits et grands écoutent les explications sur les pigeons voyageurs pendant la commémoration.
Par sa présentation, Antoine Le Moigne redonne vie à une partie moins connue de l’histoire. Ses récits composent une mosaïque d’ingéniosité, de confiance et de liens entre l’être humain et le pigeon. Ce lien reste aujourd’hui au cœur de la colombophilie. Chaque vol commence par des soins quotidiens et un entraînement patient au colombier. Vient ensuite le lâcher et l’attente du retour. Ceux qui vivent cette arrivée comprennent pourquoi cette passion continue de fasciner. Antoine relie ainsi les récits d’autrefois à la colombophilie actuelle et invite petits et grands à découvrir de près le pigeon voyageur et les personnes qui en prennent soin.
Rédaction
September 2026
Antoine Le Moigne and the history of the military homing pigeon
From besieged Paris to Allied forces in Normandy
The beginning in Paris, 1870 and 1871
During the Franco-Prussian War, Paris was besieged and almost cut off from the outside world. Telegraph lines had been severed, and couriers could scarcely cross enemy lines. Homing pigeons offered another way to bring messages into the city.
The birds were carried by balloon from Paris to areas beyond the siege. From there they could fly back with messages to their familiar loft in the city. By greatly reducing the size of the text, a great deal of information could fit into a small tube.
Their use during the siege showed what a homing pigeon could do when ordinary communications failed. A safe arrival was never certain: weather, birds of prey and enemy activity all posed risks.
Engraving number 5, WvB collection.
From experiment to military pigeon service
After 1870, several European armies began organising the use of homing pigeons. They established permanent lofts, appointed handlers and set rules for training, transport and processing messages. The bird was one part of a larger communication system.
During the First World War, homing pigeons were used extensively at the front. When telephone lines were destroyed or other links were unavailable, they could carry short messages back about a unit’s position or need for reinforcements. They flew in harsh conditions amid noise, smoke and shellfire. Some reached their loft despite injuries and received official recognition.
The mobile loft between the wars
After the First World War, radio and telephone became increasingly important. Armies nevertheless kept pigeons available for situations in which technical connections failed, were disrupted or could not be used.
Alongside permanent lofts there were mobile ones, allowing birds to be housed nearer a military unit. A loft could not simply be moved to a new location and immediately serve as a reliable home base. The pigeons had to become familiar with their surroundings; care, training and planning remained essential.
A mobile pigeon loft at a D-Day commemoration in Normandy on 7 June 2026.
The Second World War and D-Day
During the Second World War, various belligerents again used homing pigeons. Resistance groups and Allied units also used them to return information to a known base. The birds could be valuable when radio silence was needed or a connection was unavailable.
A message was attached to a pigeon in a small tube. Once released, it flew back to the loft it knew as home. This was both the method’s strength and its limitation: the bird could bring a message home, but could not choose an arbitrary destination or carry a reply without being transported again.
A mobile loft provided space to house and care for birds near a unit. It made communication in the field possible without cables or electricity, but depended on well-prepared pigeons and experienced handlers.
Antoine Le Moigne presenting an American mobile pigeon installation in Normandy.
Antoine Le Moigne in Normandy
At D-Day commemorations in Normandy, Antoine Le Moigne brings this history to life. From Airel and a member of L’Hirondelle d’Isigny-sur-Mer, he presents an American mobile loft from the Second World War and explains how military units could use homing pigeons.
The installation invites visitors to look beyond the equipment. It shows how much preparation and trust lay behind a seemingly simple act: releasing a bird with a message and hoping it reached its loft.
Antoine Le Moigne with a homing pigeon.
A history that still speaks to us
Modern pigeon fanciers know the bird’s ability to find its way home. The conditions in which military pigeons flew were very different from those of the sport. Yet the return to a familiar base links then and now.
Children and adults listen to an explanation about homing pigeons at the commemoration.
Through his presentation, Antoine Le Moigne brings a lesser-known part of history to life. His stories form a collection about ingenuity, trust and the special bond between people and pigeons. That bond remains at the heart of pigeon racing today. Every flight begins with daily care and patient training at the loft. Then comes the release and the wait for the bird’s return. Anyone who experiences that homecoming understands why this sport continues to captivate people. Antoine connects stories from the past with today’s sport and invites young and old to get to know the homing pigeon and its carers.
Editorial team
September 2026
Antoine Le Moigne und die Geschichte der Militärbrieftaube
Vom belagerten Paris bis zu den Alliierten in der Normandie
Der Anfang in Paris 1870 und 1871
Während des Deutsch-Französischen Krieges wurde Paris belagert und war nahezu von der Außenwelt abgeschnitten. Telegrafenleitungen waren unterbrochen, und Boten konnten die feindlichen Linien kaum überwinden. Brieftauben boten eine weitere Möglichkeit, Nachrichten in die Stadt zu bringen.
Die Vögel wurden mit Ballons aus Paris in Gebiete außerhalb des Belagerungsrings gebracht. Von dort konnten sie mit Nachrichten zu ihrem vertrauten Schlag in der Stadt zurückfliegen. Stark verkleinerte Texte ermöglichten es, viele Informationen in einem kleinen Röhrchen unterzubringen.
Ihr Einsatz während der Belagerung zeigte, was Brieftauben leisten konnten, wenn gewöhnliche Verbindungen ausfielen. Eine sichere Ankunft war nie garantiert: Wetter, Greifvögel und feindliche Aktivitäten stellten Risiken dar.
Stich Nummer 5, Sammlung WvB.
Vom Versuch zum militärischen Brieftaubendienst
Nach 1870 begannen mehrere europäische Armeen, den Einsatz von Brieftauben zu organisieren. Sie richteten feste Schläge ein, bestimmten Betreuer und regelten Training, Transport und Nachrichtenverarbeitung. Der Vogel war nur ein Teil eines größeren Kommunikationssystems.
Im Ersten Weltkrieg wurden Brieftauben in großem Umfang an der Front eingesetzt. Wenn Telefonleitungen zerstört waren oder andere Verbindungen fehlten, konnten sie kurze Meldungen über den Standort einer Einheit oder den Bedarf an Verstärkung zurückbringen. Sie flogen unter schwierigen Bedingungen zwischen Lärm, Rauch und Beschuss. Manche erreichten trotz Verletzungen ihren Schlag und wurden dafür offiziell ausgezeichnet.
Der mobile Taubenschlag zwischen den Kriegen
Nach dem Ersten Weltkrieg gewannen Funk und Telefon zunehmend an Bedeutung. Dennoch hielten Armeen Brieftauben bereit, falls technische Verbindungen ausfielen, gestört wurden oder nicht genutzt werden konnten.
Neben festen gab es auch mobile Schläge. Damit konnten Tauben näher bei einer militärischen Einheit untergebracht werden. Ein Schlag ließ sich jedoch nicht ohne Vorbereitung versetzen und sofort als zuverlässiger Heimatschlag nutzen. Die Vögel mussten sich an ihre Umgebung gewöhnen; Pflege, Training und Planung blieben entscheidend.
Ein mobiler Taubenschlag bei einer D-Day-Gedenkveranstaltung in der Normandie am 7. Juni 2026.
Der Zweite Weltkrieg und D-Day
Im Zweiten Weltkrieg setzten verschiedene Kriegsparteien erneut Brieftauben ein. Auch Widerstandsgruppen und alliierte Einheiten nutzten sie, um Informationen zu einem bekannten Stützpunkt zurückzubringen. Die Vögel waren wertvoll, wenn Funkstille nötig war oder eine Verbindung fehlte.
Eine Nachricht wurde in einem kleinen Röhrchen an der Taube befestigt. Nach dem Auflassen flog sie zu dem Schlag zurück, den sie als Zuhause kannte. Darin lagen Stärke und Grenze der Methode: Die Taube konnte eine Nachricht nach Hause bringen, aber weder ein beliebiges Ziel wählen noch ohne erneuten Transport eine Antwort zurückbringen.
Ein mobiler Schlag bot Platz, um die Vögel bei einer Einheit unterzubringen und zu versorgen. Er ermöglichte Kommunikation im Feld ohne Kabel oder Strom, setzte aber gut vorbereitete Tauben und erfahrene Betreuer voraus.
Antoine Le Moigne bei seiner Präsentation einer amerikanischen mobilen Taubenanlage in der Normandie.
Antoine Le Moigne in der Normandie
Bei den D-Day-Gedenkveranstaltungen in der Normandie macht Antoine Le Moigne diese Geschichte anschaulich. Er stammt aus Airel, gehört dem Verein L’Hirondelle d’Isigny-sur-Mer an und zeigt einen amerikanischen mobilen Taubenschlag aus dem Zweiten Weltkrieg. Dabei erklärt er, wie militärische Einheiten Brieftauben einsetzen konnten.
Die Anlage lädt dazu ein, über die Technik hinauszublicken. Sie zeigt, wie viel Vorbereitung und Vertrauen hinter einer scheinbar einfachen Handlung steckten: einen Vogel mit einer Nachricht freizulassen und zu hoffen, dass er seinen Schlag erreichte.
Antoine Le Moigne mit einer Brieftaube.
Eine Geschichte, die noch heute berührt
Heutige Taubenliebhaber kennen die Fähigkeit der Brieftaube, ihren Schlag wiederzufinden. Die Bedingungen, unter denen Militärtauben flogen, unterschieden sich stark vom Sport. Doch die Rückkehr zu einem vertrauten Ort verbindet damals und heute.
Jung und Alt hören bei der Gedenkveranstaltung Erläuterungen über Brieftauben.
Mit seiner Präsentation lässt Antoine Le Moigne einen weniger bekannten Teil der Geschichte lebendig werden. Seine Erzählungen handeln von Einfallsreichtum, Vertrauen und der besonderen Beziehung zwischen Mensch und Taube. Diese Beziehung steht auch heute im Mittelpunkt des Brieftaubensports. Jeder Flug beginnt mit täglicher Pflege und geduldigem Training am Schlag. Dann folgen das Auflassen und das Warten auf die Rückkehr. Wer diese Heimkehr erlebt, versteht, weshalb der Sport Menschen weiterhin begeistert. So verbindet Antoine die Geschichten von damals mit dem Brieftaubensport von heute und lädt Jung und Alt ein, Brieftauben und ihre Betreuer aus der Nähe kennenzulernen.
Redaktion
septiembre de 2026
Antoine Le Moigne y la historia de la paloma mensajera militar
Del París sitiado a las fuerzas aliadas en Normandía
Los comienzos en París en 1870 y 1871
Durante la guerra franco-prusiana, París quedó sitiada y casi aislada del exterior. Las líneas telegráficas estaban cortadas y los mensajeros apenas podían atravesar las líneas enemigas. Las palomas mensajeras ofrecían otra forma de hacer llegar mensajes a la ciudad.
Las aves salían de París en globo hacia zonas situadas fuera del cerco. Desde allí podían regresar con mensajes a su palomar habitual en la ciudad. Al reducir mucho el tamaño de los textos, era posible introducir abundante información en un pequeño tubo.
Su empleo durante el sitio mostró el valor de la paloma mensajera cuando fallaban las comunicaciones habituales. La llegada nunca estaba garantizada: el tiempo, las aves rapaces y la actividad enemiga eran riesgos.
Grabado número 5, colección WvB.
Del experimento al servicio militar de palomas
Después de 1870, varios ejércitos europeos organizaron el uso de palomas mensajeras. Establecieron palomares fijos, cuidadores y normas para el entrenamiento, el transporte y el tratamiento de los mensajes. El ave era una parte de un sistema de comunicaciones más amplio.
Durante la Primera Guerra Mundial, las palomas mensajeras se utilizaron ampliamente en el frente. Cuando se destruían las líneas telefónicas o faltaban otras conexiones, podían llevar de vuelta mensajes breves sobre la posición de una unidad o la necesidad de refuerzos. Volaban en condiciones duras, entre ruido, humo y bombardeos. Algunas llegaron a su palomar pese a estar heridas y recibieron reconocimiento oficial.
El palomar móvil entre las dos guerras
Después de la Primera Guerra Mundial, la radio y el teléfono cobraron cada vez más importancia. Sin embargo, los ejércitos mantuvieron palomas disponibles para cuando las comunicaciones técnicas fallaban, eran interferidas o no podían utilizarse.
Junto a los palomares fijos también había palomares móviles, que permitían alojar las aves más cerca de una unidad militar. Sin embargo, no bastaba con trasladar un palomar para que se convirtiera enseguida en una base de regreso fiable. Las palomas debían acostumbrarse al entorno; los cuidados, el entrenamiento y la planificación seguían siendo esenciales.
Un palomar móvil en una conmemoración del Día D en Normandía, el 7 de junio de 2026.
La Segunda Guerra Mundial y el Día D
Durante la Segunda Guerra Mundial, distintos bandos volvieron a utilizar palomas mensajeras. Grupos de la resistencia y unidades aliadas también las emplearon para devolver información a una base conocida. Podían ser valiosas cuando era necesario mantener el silencio de radio o no había conexión.
El mensaje se sujetaba a la paloma en un pequeño tubo. Al soltarla, regresaba al palomar que conocía como hogar. Esa era a la vez la fuerza y la limitación del método: podía llevar un mensaje a casa, pero no elegir cualquier destino ni traer una respuesta sin ser transportada de nuevo.
Un palomar móvil permitía alojar y cuidar las aves junto a una unidad. Hacía posible comunicarse en el terreno sin cables ni electricidad, aunque dependía de palomas bien preparadas y cuidadores experimentados.
Antoine Le Moigne durante la presentación de una instalación móvil estadounidense para palomas en Normandía.
Antoine Le Moigne en Normandía
Durante las conmemoraciones del Día D en Normandía, Antoine Le Moigne da vida a esta historia. Procede de Airel y es miembro de L’Hirondelle d’Isigny-sur-Mer. Presenta un palomar móvil estadounidense de la Segunda Guerra Mundial y explica cómo podían utilizar las palomas mensajeras las unidades militares.
La instalación invita a mirar más allá de la técnica. Muestra la preparación y la confianza que había detrás de un gesto aparentemente sencillo: soltar un ave con un mensaje y esperar que llegara a su palomar.
Antoine Le Moigne con una paloma mensajera.
Una historia que sigue vigente
Los colombófilos de hoy conocen bien la capacidad de la paloma para encontrar su palomar. Las condiciones en que volaban las palomas militares eran muy distintas de las deportivas. Sin embargo, el regreso a un hogar conocido une el pasado con el presente.
Niños y adultos escuchan la explicación sobre las palomas mensajeras durante la conmemoración.
Con su presentación, Antoine Le Moigne devuelve la vida a una parte menos conocida de la historia. Sus relatos reúnen ingenio, confianza y el vínculo especial entre las personas y las palomas. Ese vínculo sigue estando en el centro de la colombofilia actual. Cada vuelo comienza con los cuidados diarios y un entrenamiento paciente en el palomar. Después llegan la suelta y la espera del regreso. Quien vive esa llegada comprende por qué este deporte sigue fascinando. Antoine conecta así las historias de ayer con la colombofilia de hoy e invita a pequeños y mayores a conocer de cerca a la paloma mensajera y a quienes la cuidan.
Redacción
01 · 10 · 2026
Als het netwerk zwijgt, krijgt de postduif weer een boodschap
Een kleine USB-stick. Een postduif. En een boodschap die toch haar bestemming moet bereiken.
Het klinkt als een merkwaardige combinatie. Toch beschreef Le Monde op 7 augustus 2026 hoe binnen het Franse leger het vervoer van digitale gegevens per postduif wordt overwogen voor het geval communicatieverbindingen volledig uitvallen. Geen aangekondigde inzet, maar een mogelijkheid die volgens een geïnterviewde officier op tafel blijft liggen.
Daarmee krijgt onze vertrouwde postduif een plaats in een heel hedendaags verhaal. Want hoe afhankelijk zijn we geworden van verbindingen waarvan we verwachten dat ze altijd werken?
Een bericht versturen is vanzelfsprekend — totdat het scherm geen verbinding meer aangeeft.
De boodschap verandert, de bode blijft
Vroeger zat er een dun briefje in de capsule. Tegenwoordig zou een kleine gegevensdrager documenten, foto’s en andere informatie kunnen bevatten. De inhoud verandert; de opdracht blijft herkenbaar: een boodschap naar huis brengen.
Op de Mont-Valérien bij Parijs houdt Frankrijk nog ongeveer tweehonderd militaire postduiven. Eén daarvan is duivin 737, die centraal staat in de reportage. Haar verzorger Sylvain heeft momenteel geen opdracht om de vogels voor berichtenvervoer op te leiden, maar zegt dat hij de benodigde kennis en handleidingen nog bezit.
Voor duivenliefhebbers behoeft het vermogen van de vogel weinig uitleg. Wat dit verhaal bijzonder maakt, is de vraag die erachter schuilgaat: kan een eeuwenoude bode nog betekenis hebben wanneer moderne techniek ons in de steek laat?
Een andere waarde dan een klassering
In dit verhaal telt geen prijspercentage. Het gaat om informatie die ergens nodig is. Een aankomst krijgt dan een andere betekenis: de boodschap is binnen.
We hoeven de postduif daarvoor geen wondermiddel te noemen. Ook zij kent haar beperkingen. Maar het idee verdient aandacht, juist omdat het zo eenvoudig en tastbaar is.
Terwijl communicatiesystemen steeds ingewikkelder worden, blijft er een vogel die naar haar hok terugkeert — en onderweg iets voor mensen kan meenemen.
Misschien krijgt de 737 nooit zo’n opdracht. Hopelijk blijven de verbindingen gewoon werken. Maar dat in 2026 nog over deze mogelijkheid wordt gesproken, geeft het woord postduif opnieuw inhoud.
Een boodschap hoeft niet altijd door een kabel. Soms kan zij vleugels krijgen.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
L’association paraît surprenante. Pourtant, le 7 août 2026, Le Monde décrivait comment le transport de données numériques par pigeon était envisagé au sein de l’armée française en cas de rupture totale des communications. Aucun déploiement annoncé, mais une possibilité qui reste à l’étude selon un officier interrogé.
Notre familier pigeon voyageur trouve ainsi sa place dans une histoire très actuelle. À quel point sommes-nous devenus dépendants de connexions que nous imaginons toujours disponibles ?
Envoyer un message semble évident — jusqu’au moment où l’écran n’affiche plus aucune connexion.
Le message change, le messager demeure
Autrefois, la capsule contenait un mince billet. Aujourd’hui, un petit support numérique pourrait transporter documents, photos et autres informations. Le contenu change ; la mission reste reconnaissable : rapporter un message à la maison.
Au Mont-Valérien, près de Paris, la France conserve environ deux cents pigeons militaires. La femelle 737 est au cœur du reportage. Sylvain, qui s’en occupe, n’a actuellement aucun ordre de former les oiseaux au transport de messages, mais affirme posséder encore les connaissances et les manuels nécessaires.
Pour les colombophiles, les capacités de l’oiseau demandent peu d’explications. Ce qui rend cette histoire intéressante, c’est la question qu’elle pose : un messager ancestral peut-il encore être utile lorsque la technologie moderne nous fait défaut ?
Une valeur différente d’un classement
Ici, aucun pourcentage de prix ne compte. Il s’agit d’informations attendues quelque part. L’arrivée prend alors un autre sens : le message est reçu.
Il n’est pas nécessaire de présenter le pigeon comme une solution miracle. Lui aussi a ses limites. Mais l’idée mérite attention, précisément parce qu’elle est simple et concrète.
Alors que les systèmes de communication deviennent toujours plus complexes, un oiseau continue de regagner son colombier — et peut emporter quelque chose pour les hommes.
Peut-être la 737 ne recevra-t-elle jamais cette mission. Espérons que les connexions continuent de fonctionner. Mais le fait que cette possibilité soit encore évoquée en 2026 redonne du sens au mot pigeon voyageur.
Un message n’a pas toujours besoin d’un câble. Parfois, il peut prendre des ailes.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
It sounds like an unusual combination. Yet on 7 August 2026, Le Monde described how transporting digital data by pigeon was being considered within the French military in the event of a complete communications outage. No deployment has been announced, but an interviewed officer said the possibility remained on the table.
Our familiar homing pigeon suddenly has a place in a very contemporary story. How dependent have we become on connections we expect to work all the time?
Sending a message seems straightforward — until the screen says there is no connection.
The message changes, the messenger remains
A thin note once fitted inside the capsule. Today, a small storage device could carry documents, photographs and other information. The contents change; the task remains familiar: bringing a message home.
At Mont-Valérien near Paris, France still keeps around two hundred military pigeons. Hen 737 is at the centre of the report. Her keeper Sylvain currently has no orders to train the birds to carry messages, but says he still has the necessary knowledge and manuals.
Pigeon fanciers need little explanation of the bird’s abilities. What makes this story interesting is its question: can an age-old messenger still be useful when modern technology lets us down?
A different value from a placing
There is no prize percentage here. This is about information needed somewhere. An arrival takes on another meaning: the message is in.
We need not call the pigeon a miracle solution. It has limitations too. But the idea deserves attention precisely because it is simple and tangible.
As communication systems grow ever more complex, a bird still returns to its loft — and can carry something for people along the way.
Perhaps 737 will never receive such an assignment. Hopefully the connections will keep working. But the fact that this possibility is still discussed in 2026 gives renewed meaning to the carrier pigeon.
A message does not always need a cable. Sometimes it can grow wings.
Want to know more? Click the source links in this article.
Das klingt nach einer ungewöhnlichen Kombination. Doch Le Monde beschrieb am 7. August 2026, wie innerhalb der französischen Armee der Transport digitaler Daten durch Brieftauben für einen vollständigen Ausfall der Kommunikationsverbindungen erwogen wird. Kein angekündigter Einsatz, sondern eine Möglichkeit, die laut einem befragten Offizier weiterhin im Raum steht.
Damit findet unsere vertraute Brieftaube ihren Platz in einer sehr aktuellen Geschichte. Wie abhängig sind wir von Verbindungen geworden, von denen wir erwarten, dass sie immer funktionieren?
Eine Nachricht zu verschicken ist selbstverständlich — bis der Bildschirm keine Verbindung mehr anzeigt.
Die Nachricht verändert sich, der Bote bleibt
Früher steckte ein dünner Zettel in der Kapsel. Heute könnte ein kleiner Datenträger Dokumente, Fotos und weitere Informationen enthalten. Der Inhalt verändert sich; die Aufgabe bleibt vertraut: eine Nachricht nach Hause bringen.
Auf dem Mont-Valérien bei Paris hält Frankreich noch etwa zweihundert Militärbrieftauben. Eine davon ist die Täubin 737, die im Mittelpunkt der Reportage steht. Ihr Betreuer Sylvain hat derzeit keinen Auftrag, die Vögel zur Nachrichtenübermittlung auszubilden. Er sagt jedoch, dass er das nötige Wissen und die Handbücher noch besitzt.
Taubenliebhabern müssen die Fähigkeiten des Vogels kaum erklärt werden. Interessant ist die Frage dahinter: Kann ein jahrhundertealter Bote noch hilfreich sein, wenn moderne Technik uns im Stich lässt?
Ein anderer Wert als eine Platzierung
Hier zählt kein Preisprozentsatz. Es geht um Informationen, die irgendwo gebraucht werden. Eine Ankunft bekommt eine andere Bedeutung: Die Nachricht ist da.
Wir müssen die Brieftaube dafür nicht zum Wundermittel erklären. Auch sie hat ihre Grenzen. Doch die Idee verdient Aufmerksamkeit, gerade weil sie so einfach und greifbar ist.
Während Kommunikationssysteme immer komplizierter werden, kehrt ein Vogel weiterhin zu seinem Schlag zurück — und kann unterwegs etwas für Menschen mitnehmen.
Vielleicht bekommt die 737 niemals einen solchen Auftrag. Hoffentlich funktionieren die Verbindungen weiter. Doch dass diese Möglichkeit 2026 noch besprochen wird, gibt dem Wort Brieftaube wieder Bedeutung.
Eine Nachricht braucht nicht immer ein Kabel. Manchmal kann sie Flügel bekommen.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Parece una combinación curiosa. Sin embargo, el 7 de agosto de 2026, Le Monde describió cómo el ejército francés contempla el transporte de datos digitales mediante palomas en caso de interrupción total de las comunicaciones. No se ha anunciado ningún despliegue, pero un oficial entrevistado afirmó que la posibilidad sigue sobre la mesa.
Nuestra conocida paloma mensajera encuentra así un lugar en una historia muy actual. ¿Hasta qué punto dependemos de conexiones que esperamos que funcionen siempre?
Enviar un mensaje parece algo sencillo — hasta que la pantalla indica que no hay conexión.
El mensaje cambia, el mensajero permanece
Antes, la cápsula contenía una fina nota. Hoy, un pequeño dispositivo de almacenamiento podría llevar documentos, fotografías y otra información. Cambia el contenido; la misión sigue siendo reconocible: llevar un mensaje a casa.
En el Mont-Valérien, cerca de París, Francia mantiene unas doscientas palomas militares. La hembra 737 protagoniza el reportaje. Su cuidador, Sylvain, no tiene actualmente órdenes de preparar a las aves para transportar mensajes, pero afirma conservar los conocimientos y manuales necesarios.
Los colombófilos necesitan pocas explicaciones sobre las capacidades del ave. Lo interesante es la pregunta que plantea esta historia: ¿puede un mensajero de siglos seguir siendo útil cuando la tecnología moderna nos falla?
Un valor distinto al de una clasificación
Aquí no cuenta ningún porcentaje de premios. Se trata de información que alguien necesita. Una llegada adquiere otro significado: el mensaje ha llegado.
No hace falta presentar a la paloma como una solución milagrosa. También tiene sus limitaciones. Pero la idea merece atención precisamente por ser tan sencilla y tangible.
Mientras los sistemas de comunicación se vuelven cada vez más complejos, un ave sigue regresando a su palomar — y puede llevar algo para las personas durante el viaje.
Quizá la 737 nunca reciba una misión así. Ojalá las conexiones sigan funcionando. Pero que esta posibilidad todavía se comente en 2026 devuelve sentido al nombre de paloma mensajera.
Un mensaje no siempre necesita un cable. A veces puede tener alas.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Pigeon Magazine staat vanaf september 2026 online. De bekendheid van deze krant groeit uitsluitend dankzij jullie, de bezoekers die de link verder verspreiden. Dank jullie allen! 🙏
Pigeon Magazine is een actuele digitale krant die dagelijks wordt aangevuld met nieuwe inzichten, aanvullingen en — waar nodig — correcties.
Willem van Breene
septembre 2026
Un mot de remerciement
Pigeon Magazine est en ligne depuis septembre 2026. La notoriété de ce journal grandit uniquement grâce à vous, les lecteurs qui partagez son lien. Merci à toutes et à tous ! 🙏
Pigeon Magazine est un journal numérique d’actualité, enrichi chaque jour de nouvelles réflexions, de compléments et — lorsque cela s’avère nécessaire — de corrections.
Willem van Breene
September 2026
A word of thanks
Pigeon Magazine has been online since September 2026. This newspaper is gaining recognition entirely thanks to you, the visitors who share its link. Thank you all! 🙏
Pigeon Magazine is a current digital newspaper that is updated daily with new insights, additions and — where necessary — corrections.
Willem van Breene
September 2026
Ein Wort des Dankes
Pigeon Magazine ist seit September 2026 online. Die Bekanntheit dieser Zeitung wächst allein dank euch, den Besucherinnen und Besuchern, die den Link weitergeben. Vielen Dank euch allen! 🙏
Pigeon Magazine ist eine aktuelle digitale Zeitung, die täglich um neue Erkenntnisse, Ergänzungen und — wo nötig — Korrekturen erweitert wird.
Willem van Breene
septiembre de 2026
Unas palabras de agradecimiento
Pigeon Magazine está en línea desde septiembre de 2026. La difusión de este periódico crece únicamente gracias a vosotros, los visitantes que compartís el enlace. ¡Muchas gracias a todos! 🙏
Pigeon Magazine es un periódico digital de actualidad que se completa cada día con nuevas ideas, aportaciones y — cuando es necesario — correcciones.
Willem van Breene
september 2026
Een frisse ochtend in Normandië
Op een frisse en nogal regenachtige ochtend in september heb ik mij hier in Normandië verdiept in een nieuwe uitdaging: het maken van een eigentijds, internationaal duivenmagazine.
Met behulp van ChatGPT heb ik een eerste aanzet gegeven voor Pigeon Magazine. Deze moderne ondersteuning maakt het eenvoudiger om informatie op internet te vinden, verschillende bronnen te raadplegen en uiteenlopende meningen met elkaar te vergelijken. Niet om het denken over te nemen, maar juist om onderwerpen sneller en grondiger te kunnen onderzoeken.
Het initiatief voor een internationale duivenkrant was voor mij ooit een droom. Dankzij de mogelijkheden van deze tijd ben ik nu zelf begonnen met de verdere ontwikkeling van Pigeon Magazine. Gelukkig zijn er vrienden die in de toekomst ook bijdragen en aanvullingen zullen verzorgen, zodat het magazine geen one-man show wordt. 😉
Ik hoop het magazine vrijwel dagelijks verder aan te vullen met uitbreidingen en aanvullingen op bestaande artikelen, maar natuurlijk ook met geheel nieuwe bijdragen.
Het doel is een onafhankelijke digitale duivenkrant waarin actueel nieuws, ervaringen uit de praktijk, verzorging, techniek, wetenschap en ontwikkelingen binnen de duivensport samenkomen. Niet geschreven vanuit één land, organisatie of persoonlijke overtuiging, maar met ruimte voor verschillende inzichten.
Pigeon Magazine wordt zonder enig winstoogmerk uitgegeven. Er komen daarom geen advertenties of commerciële banners die de onafhankelijkheid van de inhoud zouden kunnen beïnvloeden.
Door informatie zorgvuldig te vergelijken, willen we komen tot heldere en evenwichtige conclusies die op een zo breed mogelijk draagvlak zijn gebaseerd. Zo moet Pigeon Magazine uitgroeien tot een toegankelijk en internationaal platform: gemaakt voor en door liefhebbers van de postduivensport.
Willem van Breene
septembre 2026
Un matin frais en Normandie
Par une matinée fraîche et particulièrement pluvieuse de septembre, en Normandie, je me suis consacré à un nouveau défi : créer un magazine colombophile moderne et international.
Avec l’aide de ChatGPT, j’ai posé les premières bases de Pigeon Magazine. Cet outil moderne facilite la recherche d’informations sur internet, la consultation de différentes sources et la comparaison d’avis parfois divergents. Il ne s’agit pas de remplacer la réflexion, mais de pouvoir étudier les sujets plus rapidement et plus en profondeur.
Créer un journal colombophile international était autrefois un rêve pour moi. Grâce aux possibilités actuelles, j’ai maintenant commencé moi-même à poursuivre le développement de Pigeon Magazine. Heureusement, des amis apporteront également à l’avenir leurs contributions et leurs compléments, afin que le magazine ne devienne pas le projet d’un seul homme. 😉
J’espère enrichir le magazine presque quotidiennement, en développant et en complétant les articles existants, mais aussi, bien entendu, en publiant de toutes nouvelles contributions.
L’objectif est de créer un journal colombophile numérique et indépendant, réunissant l’actualité, les expériences de terrain, les soins, la technique, la science et les évolutions de la colombophilie. Il ne sera pas écrit du seul point de vue d’un pays, d’une organisation ou d’une conviction personnelle, mais laissera toute leur place aux différents éclairages.
Pigeon Magazine est publié sans aucun but lucratif. Il n’y aura donc ni publicités ni bannières commerciales susceptibles d’influencer l’indépendance de son contenu.
En comparant soigneusement les informations, nous voulons parvenir à des conclusions claires et équilibrées, fondées sur une base aussi large que possible. Pigeon Magazine doit ainsi devenir une plateforme accessible et internationale, créée par et pour les passionnés de colombophilie.
Willem van Breene
September 2026
A fresh morning in Normandy
On a fresh and rather rainy morning in September, here in Normandy, I turned my attention to a new challenge: creating a modern, international pigeon magazine.
With the help of ChatGPT, I have made a first start on Pigeon Magazine. This modern support makes it easier to find information online, consult different sources and compare a range of opinions. The aim is not to replace independent thought, but to investigate subjects more quickly and thoroughly.
The idea of creating an international pigeon-racing newspaper was once a dream of mine. Thanks to today’s possibilities, I have now begun developing Pigeon Magazine myself. Fortunately, several friends will also contribute articles and additional content in the future, ensuring that the magazine does not become a one-man show. 😉
I hope to expand the magazine almost daily, both by developing and adding to existing articles and, of course, by publishing entirely new contributions.
The goal is an independent digital pigeon newspaper bringing together current news, practical experience, care, technology, science and developments within the sport. It will not be written solely from the perspective of one country, organisation or personal conviction, but will make room for different points of view.
Pigeon Magazine is published without any profit motive whatsoever. There will therefore be no advertisements or commercial banners that could influence its editorial independence.
By comparing information carefully, we hope to reach clear and balanced conclusions supported as broadly as possible. In this way, Pigeon Magazine should grow into an accessible international platform, created by and for racing pigeon enthusiasts.
Willem van Breene
September 2026
Ein frischer Morgen in der Normandie
An einem frischen und recht regnerischen Morgen im September habe ich mich hier in der Normandie einer neuen Aufgabe gewidmet: der Entwicklung eines modernen, internationalen Brieftaubenmagazins.
Mit Unterstützung von ChatGPT habe ich einen ersten Entwurf für Pigeon Magazine erstellt. Diese moderne Hilfe erleichtert es, Informationen im Internet zu finden, verschiedene Quellen zu prüfen und unterschiedliche Meinungen miteinander zu vergleichen. Sie soll das eigene Denken nicht ersetzen, sondern eine schnellere und gründlichere Recherche ermöglichen.
Die Idee einer internationalen Brieftaubenzeitung war für mich einst ein Traum. Dank der heutigen Möglichkeiten habe ich nun selbst mit der Weiterentwicklung von Pigeon Magazine begonnen. Glücklicherweise werden künftig auch Freunde Beiträge und Ergänzungen beisteuern, damit das Magazin keine One-Man-Show wird. 😉
Ich hoffe, das Magazin nahezu täglich weiter auszubauen: durch Erweiterungen und Ergänzungen bestehender Artikel, aber selbstverständlich auch durch völlig neue Beiträge.
Ziel ist eine unabhängige digitale Taubenzeitung, die aktuelle Nachrichten, praktische Erfahrungen, Versorgung, Technik, Wissenschaft und Entwicklungen im Brieftaubensport zusammenführt. Dabei soll Raum für unterschiedliche Sichtweisen bleiben.
Pigeon Magazine wird ohne jegliche Gewinnerzielungsabsicht herausgegeben. Deshalb wird es weder Werbung noch kommerzielle Banner geben, die die Unabhängigkeit der Inhalte beeinflussen könnten.
Durch den sorgfältigen Vergleich von Informationen wollen wir zu klaren und ausgewogenen Schlussfolgerungen gelangen. So soll Pigeon Magazine zu einer zugänglichen internationalen Plattform werden – von und für Brieftaubenfreunde.
Willem van Breene
septiembre de 2026
Una mañana fresca en Normandía
En una fresca y bastante lluviosa mañana de septiembre, aquí en Normandía, me he dedicado a un nuevo reto: crear un periódico colombófilo internacional y actual.
Con la ayuda de ChatGPT he dado los primeros pasos para crear Pigeon Magazine. Esta herramienta facilita encontrar información en internet, consultar distintas fuentes y comparar opiniones. No sustituye nuestro criterio: nos ayuda a investigar los temas con más rapidez y profundidad.
La idea de un periódico colombófilo internacional fue durante mucho tiempo un sueño para mí. Gracias a las posibilidades actuales he empezado a desarrollar Pigeon Magazine. Por fortuna, algunos amigos aportarán en el futuro sus propios textos y ampliaciones, para que no se convierta en un proyecto de una sola persona. 😉
El objetivo es un periódico digital independiente que reúna noticias de actualidad, experiencias prácticas, cuidados, tecnología, ciencia y novedades de la colombofilia. Tendrá espacio para distintas perspectivas, sin hablar en nombre de un único país, organización o convicción personal. Pigeon Magazine se publica sin ánimo de lucro. Por eso no incluirá anuncios ni banners comerciales que puedan influir en la independencia de sus contenidos.
Espero ampliar y completar los artículos existentes casi a diario, además de publicar nuevas contribuciones.
Al comparar cuidadosamente la información queremos llegar a conclusiones claras y equilibradas, basadas en una perspectiva lo más amplia posible. Así, Pigeon Magazine podrá convertirse en una plataforma internacional accesible, hecha por y para los aficionados a las palomas mensajeras.
Willem van Breene
september 2026
Journées européennes du patrimoine: op bezoek in Château de Vouilly
Château de Vouilly tijdens de Journées européennes du patrimoine, september 2026. Foto: Willem van Breene.
Voor de afwisseling lijkt het mij aardig om in Pigeon Magazine regelmatig aandacht te schenken aan gebeurtenissen die niet rechtstreeks met de duivensport te maken hebben, maar wel iets vertellen over onze omgeving, cultuur en geschiedenis.
Afgelopen weekend vonden in Frankrijk de Journées européennes du patrimoine plaats, de Europese Open Monumentendagen. Een mooie aanleiding om plaatsen te bezoeken die normaal niet, of slechts beperkt, voor het publiek toegankelijk zijn.
Ditmaal hoefden we niet ver te reizen. We bezochten Château de Vouilly, gelegen in het rustige Normandische landschap, op slechts enkele kilometers van Isigny-sur-Mer. Achter de statige gevel en de fraai aangelegde tuin gaat een buitengewoon verhaal schuil. Tijdens de zomer van 1944 werd het kasteel namelijk het hoofdkwartier van ongeveer vijftig geallieerde oorlogscorrespondenten.
Van landgoed tot perscentrum
De geschiedenis van Château de Vouilly gaat veel verder terug dan de Tweede Wereldoorlog. Op deze plaats stond oorspronkelijk een versterkt middeleeuws kasteel met torens en een ophaalbrug. Het huidige gebouw kreeg vooral in de zeventiende en achttiende eeuw zijn vorm.
Omstreeks 1760 liet de familie De Cussy het landgoed ingrijpend veranderen. Er kwamen onder meer paviljoens, een oranjerie en een tuin in Franse stijl. In de negentiende eeuw verdwenen verschillende oude verdedigingswerken, waardoor het complex steeds meer het karakter kreeg van een elegante buitenplaats. In 1934 kwam het domein in handen van de familie Hamel. Tien jaar later werd het rustige bestaan er plotseling volledig verstoord.
De duiventoren: rijkdom in steen
Bij het kasteel hoort ook een indrukwekkende duiventoren. De binnenwand telt maar liefst 1.050 nestnissen, in Frankrijk boulins genoemd. Volgens de toelichting konden er vroeger meer dan vijfhonderd koppels duiven verblijven.
Zo’n grote duiventoren was niet alleen praktisch, maar vooral een zichtbaar teken van welvaart en aanzien. Onder het ancien régime was het houden van een omvangrijke duiventil vaak verbonden aan feodale privileges en aan de grootte van het landbezit. De duiven leverden vlees, terwijl hun mest — de waardevolle colombine — op het land werd gebruikt. Hoe meer nestnissen een toren bezat, hoe groter en rijker de eigenaar doorgaans was. De duiventoren van Vouilly vertelt daarom op zijn eigen manier hoeveel betekenis en bezit ooit met het kasteel waren verbonden.
De binnenzijde van de historische duiventoren: 1.050 nestnissen boden vroeger plaats aan meer dan vijfhonderd koppels duiven. Foto: Willem van Breene.
De pers volgt de invasie
Enkele dagen na de geallieerde landingen van 6 juni 1944 werd het kasteel door het Amerikaanse leger gevorderd. Van 10 juni tot 10 augustus 1944 verbleven hier ongeveer vijftig journalisten, fotografen en radioverslaggevers. Zij volgden de zware strijd in Normandië en brachten het nieuws over de bevrijding naar de rest van de wereld.
Onder hen bevonden zich namen die later legendarisch zouden worden: schrijver Ernest Hemingway, oorlogsfotograaf Robert Capa, journalist Ernie Pyle, de jonge Walter Cronkite en Andy Rooney. Zij werkten voor grote kranten, persbureaus en tijdschriften, waaronder Reuters, Associated Press, Life en The New York Times.
De correspondenten verbleven grotendeels in tenten in de tuin. Overdag trokken zij met de militairen richting het front. Daarna keerden zij terug naar Vouilly om hun verslagen uit te werken en hun foto’s en berichten naar Engeland en Amerika te laten verzenden.
De eetkamer waarin de oorlogscorrespondenten hun berichten uitwerkten. In de aangrenzende ruimte vond de militaire censuur plaats. Foto: Château de Vouilly.
Berichten onder militaire censuur
In de oranjerie stond de radiozender waarmee de berichten werden doorgestuurd. De eetkamer was bestemd voor de correspondenten; een aangrenzende ruimte werd gebruikt voor de militaire censuur. Elk verslag werd gecontroleerd om te voorkomen dat gevoelige informatie over troepenbewegingen of plannen bij de vijand terechtkwam.
Ook generaal Omar Bradley, bevelhebber van het Amerikaanse Eerste Leger, hield in het kasteel persconferenties. Château de Vouilly groeide zo gedurende enkele beslissende weken uit tot een belangrijk centrum van de internationale oorlogsverslaggeving.
Ooggetuigen van de geschiedenis
De journalisten schreven niet alleen over militaire operaties, maar ook over het lot van soldaten en burgers, de verwoeste dorpen en het dagelijkse leven in een bevrijd maar zwaar getroffen Normandië. Hun berichten bepaalden mede hoe miljoenen mensen buiten Frankrijk de Slag om Normandië beleefden. Terwijl in de omgeving nog hevig werd gevochten, werden in dit relatief rustige kasteel de eerste versies van de geschiedenis geschreven.
Een plaquette van de Overseas Press Club of America herinnert nog altijd aan deze bijzondere periode.
Een stille plaats met een indrukwekkend verleden
Wie Château de Vouilly vandaag bezoekt, treft vooral rust aan. Het gebouw, de tuin, de vijver en de oude oranjerie vormen een bijna vredig geheel. Het is moeilijk voor te stellen dat hier in de zomer van 1944 militaire voertuigen arriveerden, tenten in het park stonden en journalisten haastig hun verslagen uitwerkten terwijl het front slechts enkele kilometers verderop lag.
Juist daarom zijn de Journées européennes du patrimoine zo waardevol. Ze openen niet alleen deuren van historische gebouwen, maar brengen ook verhalen opnieuw tot leven. Ons bezoek was veel meer dan een kijkje in een fraai Normandisch kasteel: het was een ontmoeting met een plaats waar geschiedenis niet alleen werd beleefd, maar ook werd vastgelegd en aan de wereld werd verteld.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Journées européennes du patrimoine : visite du Château de Vouilly
Le Château de Vouilly pendant les Journées européennes du patrimoine, septembre 2026. Photo : Willem van Breene.
Pour varier les sujets, il me paraît intéressant que Pigeon Magazine parle régulièrement d’événements qui ne concernent pas directement la colombophilie, mais qui racontent notre région, sa culture et son histoire.
Le week-end dernier, les Journées européennes du patrimoine nous ont conduits au Château de Vouilly, à quelques kilomètres d’Isigny-sur-Mer. Derrière sa façade imposante se cache une histoire exceptionnelle : durant l’été 1944, le château devint le quartier général d’une cinquantaine de correspondants de guerre alliés.
D’un domaine au centre de presse
Le site accueillait autrefois un château médiéval fortifié. L’édifice actuel prit principalement sa forme aux XVIIe et XVIIIe siècles. Vers 1760, la famille de Cussy fit aménager des pavillons, une orangerie et un jardin à la française. La famille Hamel devint propriétaire du domaine en 1934.
Le pigeonnier : une richesse bâtie dans la pierre
Le château possède également un impressionnant pigeonnier dont les parois comptent 1 050 boulins. D’après les explications données sur place, plus de cinq cents couples de pigeons pouvaient autrefois y vivre.
Un pigeonnier de cette importance constituait un signe visible de fortune et de prestige. Sous l’Ancien Régime, le droit de colombier était lié aux privilèges seigneuriaux et à l’étendue des terres. Les pigeons fournissaient de la viande et leur fiente, appelée colombine, formait un engrais précieux. Le nombre de boulins témoignait ainsi directement de la richesse du propriétaire.
L’intérieur du pigeonnier historique : ses 1 050 boulins pouvaient autrefois accueillir plus de cinq cents couples de pigeons. Photo : Willem van Breene.
La presse suit l’invasion
Quelques jours après le Débarquement du 6 juin, l’armée américaine réquisitionna le château. Du 10 juin au 10 août 1944, journalistes, photographes et reporters radio y suivirent la bataille de Normandie. Ernest Hemingway, Robert Capa, Ernie Pyle, Walter Cronkite et Andy Rooney comptaient parmi eux.
Ils logeaient principalement sous tente dans le parc, partaient vers le front durant la journée, puis revenaient à Vouilly pour rédiger et transmettre leurs reportages.
La salle à manger où les correspondants rédigeaient leurs dépêches. La censure militaire travaillait dans la pièce voisine. Photo : Château de Vouilly.
Des dépêches sous contrôle
Un émetteur installé dans l’orangerie envoyait leurs messages. La salle à manger était réservée aux correspondants, tandis qu’une pièce voisine servait à la censure militaire. Le général Omar Bradley y donna également des conférences de presse.
Des témoins de l’histoire
Les correspondants ne racontaient pas seulement les opérations militaires. Ils décrivaient le sort des soldats et des civils, les villages détruits et la vie quotidienne d’une Normandie libérée, mais profondément meurtrie. Leurs dépêches ont contribué à façonner la manière dont des millions de lecteurs, hors de France, ont suivi la bataille de Normandie. Tandis que les combats se poursuivaient non loin de là, ce château relativement paisible voyait s’écrire les premiers récits de l’histoire.
Un lieu paisible au passé impressionnant
Aujourd’hui, le château, le jardin, l’étang et l’ancienne orangerie respirent la tranquillité. Il est difficile d’imaginer les véhicules militaires, les tentes et le bruit des machines à écrire, alors que le front se trouvait à quelques kilomètres.
Les Journées européennes du patrimoine ouvrent plus que des portes : elles rendent vie aux récits du passé. Cette visite fut une rencontre avec un lieu où l’histoire fut vécue, écrite puis racontée au monde.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
European Heritage Days: visiting Château de Vouilly
Château de Vouilly during the European Heritage Days, September 2026. Photo: Willem van Breene.
For a little variety, Pigeon Magazine will occasionally look beyond pigeon racing to events that tell us something about our surroundings, culture and history.
Last weekend’s European Heritage Days took us to Château de Vouilly, only a few kilometres from Isigny-sur-Mer. Behind its dignified façade lies an extraordinary story: in the summer of 1944 the château became headquarters for some fifty Allied war correspondents.
From country estate to press centre
A fortified medieval castle once stood here. The present building took shape mainly during the seventeenth and eighteenth centuries. Around 1760, the de Cussy family added pavilions, an orangery and formal French gardens. In the nineteenth century, old defensive structures disappeared and the property became an elegant country estate. The Hamel family acquired it in 1934. Ten years later, war abruptly disturbed its peace.
The dovecote: wealth built in stone
The château also has an impressive dovecote whose inner walls contain 1,050 nesting recesses, known in France as boulins. According to the information given at the château, it once accommodated more than five hundred pairs of pigeons.
A dovecote of this size was both practical and a visible symbol of wealth and prestige. Under the Ancien Régime, dovecote rights were associated with seigneurial privilege and the extent of an estate. Pigeons provided meat, while their valuable manure fertilised the land. The number of nesting recesses therefore reflected the owner’s prosperity.
Inside the historic dovecote: its 1,050 nesting recesses once accommodated more than five hundred pairs of pigeons. Photo: Willem van Breene.
The press follows the invasion
Days after the Allied landings of 6 June, the U.S. Army requisitioned the château. From 10 June until 10 August 1944, journalists, photographers and radio reporters covered the Battle of Normandy from here. Ernest Hemingway, Robert Capa, Ernie Pyle, Walter Cronkite and Andy Rooney were among them. They worked for newspapers, news agencies and magazines including Reuters, Associated Press, Life and The New York Times.
They largely slept in tents in the grounds, travelled towards the front by day and returned to Vouilly to write and transmit their reports.
The dining room where the correspondents prepared their dispatches. Military censorship operated in the adjoining room. Photo: Château de Vouilly.
Dispatches under censorship
A transmitter in the orangery sent their stories onwards. The dining room was assigned to the correspondents, while the adjoining room was used for military censorship. Every report was checked to prevent sensitive information about troop movements and plans from reaching the enemy. General Omar Bradley, commander of the U.S. First Army, also held press conferences at the château.
Eyewitnesses to history
The journalists wrote about soldiers and civilians as well as military operations, devastated villages and daily life in a liberated but badly damaged Normandy. Their reports shaped how millions outside France experienced the Battle of Normandy. A plaque from the Overseas Press Club of America still commemorates this period.
A peaceful place with a powerful past
Today the château, garden, pond and orangery seem almost completely peaceful. It is difficult to imagine the military vehicles, tents and clattering typewriters while the fighting continued only a few kilometres away.
European Heritage Days do more than open historic doors: they bring the stories behind them back to life. This visit was an encounter with a place where history was experienced, recorded and told to the world.
Want to know more? Click the source links in this article.
Europäische Tage des Denkmals: Besuch im Château de Vouilly
Château de Vouilly während der Europäischen Tage des Denkmals, September 2026. Foto: Willem van Breene.
Zur Abwechslung soll Pigeon Magazine regelmäßig auch über Ereignisse berichten, die nicht unmittelbar mit dem Brieftaubensport zu tun haben, aber etwas über unsere Umgebung, Kultur und Geschichte erzählen.
Am vergangenen Wochenende führten uns die Europäischen Tage des Denkmals zum Château de Vouilly, nur wenige Kilometer von Isigny-sur-Mer entfernt. Hinter der stattlichen Fassade verbirgt sich eine außergewöhnliche Geschichte: Im Sommer 1944 wurde das Schloss zum Hauptquartier von rund fünfzig alliierten Kriegskorrespondenten.
Vom Landsitz zum Pressezentrum
Einst stand hier eine befestigte mittelalterliche Burg. Das heutige Gebäude erhielt seine Gestalt vor allem im 17. und 18. Jahrhundert. Um 1760 ließ die Familie de Cussy Pavillons, eine Orangerie und einen französischen Garten anlegen. 1934 übernahm die Familie Hamel das Anwesen.
Der Taubenturm: Reichtum in Stein
Zum Schloss gehört außerdem ein eindrucksvoller Taubenturm. Seine Innenwände enthalten 1.050 Nistnischen, auf Französisch boulins. Nach den Erläuterungen vor Ort konnten dort früher mehr als fünfhundert Taubenpaare leben.
Ein Taubenturm dieser Größe war nicht nur nützlich, sondern auch ein sichtbares Zeichen von Wohlstand und Ansehen. Im Ancien Régime war das Taubenschlagrecht mit herrschaftlichen Privilegien und der Größe des Landbesitzes verbunden. Die Tauben lieferten Fleisch, ihr wertvoller Mist diente als Dünger. Die Zahl der Nistnischen spiegelte daher den Reichtum des Besitzers wider.
Im Inneren des historischen Taubenturms: 1.050 Nistnischen boten einst Platz für mehr als fünfhundert Taubenpaare. Foto: Willem van Breene.
Die Presse folgt der Invasion
Wenige Tage nach der alliierten Landung vom 6. Juni beschlagnahmte die US-Armee das Schloss. Vom 10. Juni bis zum 10. August 1944 berichteten hier Journalisten, Fotografen und Rundfunkreporter über die Schlacht in der Normandie. Zu ihnen gehörten Ernest Hemingway, Robert Capa, Ernie Pyle, Walter Cronkite und Andy Rooney.
Sie schliefen überwiegend in Zelten im Park, fuhren tagsüber an die Front und kehrten anschließend nach Vouilly zurück, um ihre Berichte zu verfassen und zu übermitteln.
Der Speisesaal, in dem die Korrespondenten ihre Meldungen verfassten. Im Nebenraum arbeitete die Militärzensur. Foto: Château de Vouilly.
Meldungen unter Zensur
Ein Sender in der Orangerie übermittelte die Berichte. Der Speisesaal war den Korrespondenten vorbehalten, während der Nebenraum der Militärzensur diente. Auch General Omar Bradley hielt im Schloss Pressekonferenzen ab.
Augenzeugen der Geschichte
Die Korrespondenten berichteten nicht allein von militärischen Operationen, sondern auch vom Schicksal der Soldaten und Zivilisten, von zerstörten Dörfern und vom Alltag in einer befreiten, doch schwer getroffenen Normandie. Ihre Texte und Bilder prägten, wie Millionen Menschen außerhalb Frankreichs die Schlacht um die Normandie wahrnahmen. Während wenige Kilometer entfernt noch gekämpft wurde, entstanden in Vouilly bereits die ersten Berichte, aus denen später Geschichtsschreibung wurde. Eine Gedenktafel des Overseas Press Club of America erinnert daran.
Ein stiller Ort mit bewegender Vergangenheit
Heute strahlen Schloss, Garten, Teich und Orangerie nahezu vollkommene Ruhe aus. Militärfahrzeuge, Zelte und klappernde Schreibmaschinen sind kaum vorstellbar, während nur wenige Kilometer entfernt noch gekämpft wurde.
Die Europäischen Tage des Denkmals öffnen nicht nur historische Türen, sondern erwecken auch die Geschichten dahinter zu neuem Leben. Der Besuch führte uns an einen Ort, an dem Geschichte erlebt, festgehalten und der Welt erzählt wurde.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Días Europeos del Patrimonio: visita al Château de Vouilly
Château de Vouilly durante los Días Europeos del Patrimonio, septiembre de 2026. Foto: Willem van Breene.
Para variar, Pigeon Magazine también dedica atención a acontecimientos que nos hablan de nuestro entorno, nuestra cultura y nuestra historia.
Durante los Días Europeos del Patrimonio visitamos el Château de Vouilly, cerca de Isigny-sur-Mer. En el verano de 1944, el castillo fue el cuartel general de unos cincuenta corresponsales de guerra aliados.
De residencia señorial a centro de prensa
En este lugar hubo un castillo medieval fortificado, con torres y puente levadizo. El edificio actual tomó forma en los siglos XVII y XVIII. Hacia 1760, la familia De Cussy añadió pabellones, una orangerie y jardines de estilo francés. En el siglo XIX desaparecieron varias defensas antiguas. La familia Hamel adquirió la finca en 1934; diez años después, la guerra alteró su tranquilidad.
El palomar: riqueza construida en piedra
El castillo conserva un impresionante palomar con 1.050 nichos, llamados boulins en francés. Según las explicaciones del lugar, allí podían vivir antiguamente más de quinientas parejas de palomas. El palomar era también una señal visible de riqueza y prestigio. Bajo el Antiguo Régimen, los grandes palomares estaban vinculados a privilegios señoriales y a la extensión de las tierras. Las palomas proporcionaban carne y su valioso estiércol, llamado colombine, se utilizaba en los campos. El número de nichos reflejaba la prosperidad del propietario.
Interior del palomar histórico: sus 1.050 nichos podían albergar antiguamente más de quinientas parejas de palomas. Foto: Willem van Breene.
La prensa sigue la invasión
Después del desembarco aliado del 6 de junio, el ejército estadounidense requisó el castillo. Entre el 10 de junio y el 10 de agosto de 1944, periodistas, fotógrafos y reporteros de radio informaron desde allí sobre la batalla de Normandía.
Entre ellos se encontraban Ernest Hemingway, Robert Capa, Ernie Pyle, Walter Cronkite y Andy Rooney. Trabajaban en el castillo y enviaban sus crónicas mientras el frente se encontraba a pocos kilómetros. Trabajaban para periódicos, agencias y revistas como Reuters, Associated Press, Life y The New York Times. Dormían mayormente en tiendas de campaña en el jardín. De día se desplazaban hacia el frente; después regresaban a Vouilly para redactar sus crónicas y enviar noticias y fotografías a Inglaterra y Estados Unidos.
El comedor donde los corresponsales redactaban sus noticias. La censura militar se efectuaba en la sala contigua. Foto: Château de Vouilly.
Noticias bajo censura militar
Un transmisor instalado en la orangerie enviaba las noticias. Cada crónica se revisaba para impedir que llegaran al enemigo datos sensibles sobre movimientos de tropas o planes. El general Omar Bradley, comandante del Primer Ejército estadounidense, también ofreció ruedas de prensa en el castillo.
Testigos de la historia
Los periodistas escribieron sobre las operaciones militares y también sobre soldados y civiles, pueblos destruidos y la vida cotidiana en una Normandía liberada pero duramente afectada. Sus crónicas influyeron en la forma en que millones de personas fuera de Francia vivieron la batalla de Normandía. Una placa del Overseas Press Club of America recuerda todavía aquella etapa.
Un lugar tranquilo con un pasado conmovedor
Hoy, el castillo, el jardín, el estanque y la antigua orangerie transmiten serenidad. Cuesta imaginar los vehículos militares y las tiendas mientras los combates seguían a pocos kilómetros.
Los Días Europeos del Patrimonio no solo abren puertas históricas: también devuelven la vida a las historias que guardan. Vouilly es un lugar donde la historia se vivió, se escribió y se contó al mundo.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
De calculator opent in je browser. Vul daar de onderzoeksuitslagen in en bereken de verwachte uitkomst.
23 · 10 · 2026
Tableau d’accouplement ADN
Photo : Willem van Breene · Retouche : IA / Pigeon Magazine
Saisissez les résultats ADN du mâle et de la femelle. Calculez les génotypes possibles des jeunes, avec une explication claire des qualités associées à chaque marqueur.
La calculatrice s’ouvre dans votre navigateur. Saisissez les résultats des analyses pour calculer les possibilités pour les jeunes.
23 · 10 · 2026
DNA pairing calculator
Photo: Willem van Breene · Edited with AI / Pigeon Magazine
Enter the cock’s and hen’s DNA results. Calculate possible offspring genotypes, with a plain-language explanation of the qualities associated with each marker.
Der Rechner öffnet sich im Browser. Geben Sie dort die DNA-Befunde ein, um mögliche Ergebnisse für die Jungtauben zu berechnen.
23 · 10 · 2026
Calculadora de cruces de ADN
Foto: Willem van Breene · Edición: IA / Pigeon Magazine
Introduzca los resultados de ADN del macho y la hembra. Calcule los posibles genotipos de los pichones con explicaciones claras de las cualidades asociadas a cada marcador.
La calculadora se abre en el navegador. Introduzca allí los resultados de ADN para calcular las posibilidades para los pichones.
21 · 10 · 2026
Een duif kijkt niet stil
Canadese onderzoekers volgen de ogen tijdens de vlucht. Kleine camera’s laten zien hoe postduiven hun blik aanpassen tijdens het vliegen en landen.
Redactie
Artistieke illustratie, gemaakt met AI. Geen foto van de daadwerkelijke onderzoeksopstelling.
Wie zijn duiven ziet thuiskomen, bewondert de vanzelfsprekendheid waarmee ze hun landing inzetten. Achter die vertrouwde beweging gaat een verfijnde samenwerking tussen ogen en vlucht schuil.
Een camera mee naar huis
Anthony B. Lapsansky, Douglas R. Wylie en Douglas L. Altshuler, verbonden aan onder meer de University of British Columbia en de University of Alberta, onderzochten oogbewegingen bij postduiven. Hun studie verscheen op 6 juli 2026 online in Current Biology; de tijdschriftuitgave volgde op 3 augustus.
Het team ontwikkelde een camerasysteem met een minicomputer en bewegingssensoren. De complete uitrusting woog 27 gram. Een op maat gemaakt kapje hield de camera bij het hoofd; de overige apparatuur zat in een rugzakje. De duiven vlogen een bekende route naar hun hok, waar de onderzoekers de opnamen verzamelden.
Het landschap schuift voorbij
Tijdens het vliegen verandert het beeld op het netvlies voortdurend. Dichtbijgelegen voorwerpen lijken sneller voorbij te schuiven dan verre objecten. Die beweging heet optische stroom en bevat informatie over de eigen verplaatsing.
De duiven maakten langzame oogbewegingen die overeenkwamen met de beweging van het landschap langs de horizon. Volgens de onderzoekers past dit bij het stabiliseren van het beeld in het zijdelingse gezichtsveld. Proeven met bewegende computerbeelden ondersteunden die verklaring.
Voor de landing verandert de blik
Bij het naderen van een zitplaats draaiden beide ogen duidelijk naar binnen, richting het landingsdoel. Dat kan de duif helpen om diepte te beoordelen door de iets verschillende beelden van beide ogen te vergelijken.
Wat leert dit ons als liefhebber?
Het onderzoek vergroot onze kennis van de manier waarop duiven hun vlucht en landing visueel begeleiden. De studie onderzocht geen verband tussen het uiterlijk van een oog, wedstrijdprestaties en kweekwaarde. Ook verklaart zij op zichzelf niet hoe een postduif over grote afstand de weg naar huis vindt.
Er blijven vragen bestaan. Het onderzoeksteam verwijst naar een andere studie met ogenschijnlijk afwijkende resultaten. Verschillen in de snelheid van de visuele omgeving kunnen daarbij mogelijk een rol spelen. Verder onderzoek moet duidelijk maken hoe duiven hun oogbewegingen onder uiteenlopende omstandigheden aanpassen.
De duif als leermeester
Volgens de onderzoekers kunnen de bevindingen inspiratie bieden voor vliegende robots. Een beweegbaar camerasysteem zou drones mogelijk kunnen helpen om informatie uit hun omgeving beter te benutten. Die toepassing is voorlopig een vooruitzicht.
Voor de liefhebber ligt de verwondering dichter bij huis. De volgende keer dat een duif haar landing inzet, is er reden om nog eens goed te kijken. Achter die soepele aankomst schuilt meer oogwerk dan wij kunnen zien.
Canadian researchers track eyes in flight. Tiny cameras reveal how homing pigeons adjust their gaze while flying and landing.
Redactie
Artistic illustration created with AI; not a photograph of the actual research setup.
Watching pigeons return, we admire the ease of their landing. Behind that familiar movement lies a finely coordinated relationship between vision and flight.
Taking a camera home
Anthony B. Lapsansky, Douglas R. Wylie and Douglas L. Altshuler, affiliated with institutions including the University of British Columbia and the University of Alberta, studied eye movements in homing pigeons. Their paper appeared online in Current Biology on 6 July 2026, followed by the journal issue on 3 August.
The team developed a camera system with a miniature computer and motion sensors. The complete equipment weighed 27 grams. A fitted hood held the camera near the head; a small backpack carried the other components. The pigeons flew a familiar route home, where the recordings were collected.
Watching the landscape move
As a pigeon flies, images move across its retina. Nearby objects appear to pass faster than distant ones. This visual movement, called optic flow, provides information about the bird’s own motion.
The pigeons made slow eye movements matching the visual flow along the horizon. The researchers interpret this as stabilising the image in the lateral visual field. Laboratory tests using moving computer images supported that explanation.
A different gaze for landing
When approaching a perch, both eyes turned inward towards the landing target. This may help the pigeon judge depth by comparing the slightly different images from its two eyes.
What can fanciers learn?
The study improves our understanding of visual flight and landing control. It did not test links between the appearance of an eye, racing performance or breeding value. Nor does it by itself explain long-distance homing.
Questions remain. The research team points to another study with apparently different results. Differences in the speed of the visual environment may help explain this. Further work is needed to understand how pigeons adapt their eye movements to different conditions.
Learning from pigeons
The findings could inspire flying robots. Movable camera systems might eventually help drones make better use of visual information, but that remains a potential application.
For fanciers, the fascination is closer to home. The next time a pigeon comes in to land, look again: there is more eye work behind that smooth arrival than we can see.
Des chercheurs canadiens suivent le regard en vol. De minuscules caméras montrent comment les pigeons voyageurs adaptent leurs yeux pendant le vol et l’atterrissage.
Redactie
Illustration artistique créée avec l’IA ; il ne s’agit pas d’une photographie du dispositif réel.
En regardant rentrer nos pigeons, nous admirons la facilité avec laquelle ils se posent. Derrière ce mouvement familier se cache une coordination subtile entre la vision et le vol.
Une caméra pour rentrer au colombier
Anthony B. Lapsansky, Douglas R. Wylie et Douglas L. Altshuler, rattachés notamment à l’Université de la Colombie-Britannique et à l’Université de l’Alberta, ont étudié les mouvements oculaires des pigeons voyageurs. Leur étude est parue en ligne dans Current Biology le 6 juillet 2026, puis dans le numéro du 3 août.
L’équipe a conçu un dispositif associant caméra, miniordinateur et capteurs de mouvement. L’ensemble pesait 27 grammes. Un petit chaperon sur mesure maintenait la caméra près de la tête ; le reste était transporté dans un petit sac dorsal. Les pigeons regagnaient leur colombier par un trajet connu, puis les chercheurs récupéraient les enregistrements.
Le paysage défile
En vol, les images se déplacent sur la rétine. Les objets proches semblent défiler plus vite que les objets éloignés. Ce mouvement visuel, appelé flux optique, renseigne sur le déplacement de l’oiseau.
Les pigeons effectuaient de lents mouvements oculaires correspondant au défilement visuel le long de l’horizon. Selon les chercheurs, cela contribue à stabiliser l’image dans le champ visuel latéral. Des essais avec des images mobiles sur ordinateur ont étayé cette interprétation.
Un autre regard pour se poser
À l’approche d’un perchoir, les deux yeux se tournaient vers l’intérieur, en direction de la cible. Cela pourrait permettre d’évaluer la profondeur en comparant les images légèrement différentes des deux yeux.
Ce que peut en retenir le colombophile
L’étude éclaire le contrôle visuel du vol et de l’atterrissage. Elle n’a pas étudié de lien entre l’aspect de l’œil, les performances sportives et la valeur reproductrice. Elle n’explique pas non plus, à elle seule, l’orientation sur de longues distances.
Des questions demeurent. L’équipe mentionne une autre étude aux résultats apparemment différents. La vitesse du défilement visuel pourrait contribuer à expliquer ces différences. D’autres recherches devront préciser les adaptations du regard selon les conditions.
Le pigeon comme modèle
Ces observations pourraient inspirer des robots volants. Des caméras mobiles aideraient peut-être les drones à mieux exploiter leur environnement visuel ; cette application reste une perspective.
Pour le colombophile, l’émerveillement est plus proche. Au prochain retour au colombier, regardons encore : derrière un atterrissage souple, les yeux travaillent davantage que nous ne pouvons le voir.
Kanadische Forscher verfolgen den Blick im Flug. Winzige Kameras zeigen, wie Brieftauben ihre Augen beim Fliegen und Landen anpassen.
Redactie
Mit KI erstellte künstlerische Illustration; kein Foto des tatsächlichen Versuchsaufbaus.
Wenn unsere Tauben heimkehren, bewundern wir ihre mühelose Landung. Hinter dieser vertrauten Bewegung steckt ein fein abgestimmtes Zusammenspiel von Sehen und Fliegen.
Mit einer Kamera nach Hause
Anthony B. Lapsansky, Douglas R. Wylie und Douglas L. Altshuler, unter anderem mit der University of British Columbia und der University of Alberta verbunden, untersuchten Augenbewegungen bei Brieftauben. Ihre Studie erschien am 6. Juli 2026 online in Current Biology; die Zeitschriftenausgabe folgte am 3. August.
Das Team entwickelte ein Kamerasystem mit Minicomputer und Bewegungssensoren. Die gesamte Ausrüstung wog 27 Gramm. Eine angepasste Haube hielt die Kamera am Kopf, ein kleiner Rucksack die übrigen Teile. Die Tauben flogen eine bekannte Strecke zum Heimatschlag, wo die Aufnahmen eingesammelt wurden.
Die Landschaft zieht vorbei
Im Flug bewegen sich Bilder über die Netzhaut. Nahe Gegenstände scheinen schneller vorbeizuziehen als entfernte. Dieser optische Fluss liefert Informationen über die eigene Bewegung.
Die Tauben zeigten langsame Augenbewegungen, die zum optischen Fluss entlang des Horizonts passten. Die Forscher deuten dies als Stabilisierung des Bildes im seitlichen Gesichtsfeld. Laborversuche mit bewegten Computerbildern stützten diese Erklärung.
Ein anderer Blick beim Landen
Beim Anflug auf eine Sitzstange drehten sich beide Augen nach innen zum Landeziel. Dies könnte helfen, Tiefe durch den Vergleich der leicht unterschiedlichen Bilder beider Augen einzuschätzen.
Was lernen Taubenzüchter daraus?
Die Studie erweitert unser Wissen über die visuelle Steuerung von Flug und Landung. Sie untersuchte keinen Zusammenhang zwischen dem Aussehen des Auges, Flugleistung und Zuchtwert. Auch erklärt sie allein nicht das Heimfinden über große Entfernungen.
Fragen bleiben offen. Das Team verweist auf eine weitere Studie mit scheinbar abweichenden Ergebnissen. Unterschiede in der Geschwindigkeit des optischen Flusses könnten dabei eine Rolle spielen. Weitere Forschung muss zeigen, wie sich Augenbewegungen an unterschiedliche Bedingungen anpassen.
Von Tauben lernen
Die Ergebnisse könnten Flugroboter inspirieren. Bewegliche Kameras könnten Drohnen helfen, visuelle Informationen besser zu nutzen. Das ist bislang eine mögliche Anwendung.
Für den Züchter liegt das Staunen näher: Schauen wir bei der nächsten Landung noch einmal hin. Hinter der geschmeidigen Ankunft steckt mehr Augenarbeit, als wir sehen können.
Investigadores canadienses siguen la mirada durante el vuelo. Unas cámaras diminutas muestran cómo las palomas mensajeras ajustan sus ojos al volar y aterrizar.
Redactie
Ilustración artística creada con IA; no es una fotografía del equipo real.
Al ver regresar a nuestras palomas, admiramos la facilidad con la que se posan. Detrás de ese movimiento familiar existe una coordinación refinada entre la vista y el vuelo.
Una cámara de regreso al palomar
Anthony B. Lapsansky, Douglas R. Wylie y Douglas L. Altshuler, vinculados entre otras instituciones a la Universidad de Columbia Británica y la Universidad de Alberta, estudiaron los movimientos oculares de palomas mensajeras. Su trabajo apareció en línea en Current Biology el 6 de julio de 2026 y en el número del 3 de agosto.
El equipo desarrolló un sistema de cámara, miniordenador y sensores de movimiento. El conjunto pesaba 27 gramos. Una pequeña caperuza ajustada sujetaba la cámara junto a la cabeza; una mochila transportaba los demás componentes. Las palomas volaban por una ruta conocida hasta su palomar, donde se recogían las grabaciones.
El paisaje pasa ante los ojos
Durante el vuelo, las imágenes se desplazan por la retina. Los objetos cercanos parecen pasar más deprisa que los lejanos. Este flujo óptico aporta información sobre el propio movimiento.
Las palomas realizaban movimientos oculares lentos que coincidían con el flujo visual a lo largo del horizonte. Los investigadores lo interpretan como una estabilización de la imagen en el campo visual lateral. Las pruebas con imágenes móviles en un ordenador respaldaron esta explicación.
Otra mirada para aterrizar
Al acercarse a una percha, ambos ojos giraban hacia dentro, en dirección al objetivo. Esto podría ayudar a calcular la profundidad comparando las imágenes ligeramente diferentes de los dos ojos.
¿Qué aporta al colombófilo?
El estudio amplía el conocimiento del control visual del vuelo y del aterrizaje. No investigó relaciones entre el aspecto del ojo, los resultados deportivos y el valor reproductor. Tampoco explica por sí solo la orientación a larga distancia.
Quedan preguntas abiertas. El equipo señala otro estudio con resultados aparentemente diferentes. La velocidad del flujo visual podría contribuir a explicar esas diferencias. Harán falta más investigaciones sobre la adaptación de los movimientos oculares a distintas condiciones.
Aprender de las palomas
Los resultados podrían inspirar robots voladores. Las cámaras móviles quizá ayuden a los drones a aprovechar mejor la información visual, aunque esta aplicación sigue siendo una posibilidad futura.
Para el colombófilo, el asombro está más cerca. En el próximo regreso, merece la pena mirar otra vez: detrás de un aterrizaje suave, los ojos trabajan más de lo que podemos ver.
ADN bij postduiven: zeven genetische markers onder de loep
Dit geanonimiseerde profiel laat zien welke aanvullende informatie genetisch onderzoek kan geven. De zeven uitslagen zijn interessant, maar vormen geen zelfstandig prestatiepaspoort: gezondheid, ervaring, motivatie, training en omstandigheden blijven onmisbaar.
Geanonimiseerd analyseverslag. Persoonsgegevens, duifidentificatie en alle verwijzingen naar het uitvoerende laboratorium zijn verwijderd.
Marker
Uitslag
Voorzichtige duiding
LDHA
AA
Interessant voor energiestofwisseling en kweek
DRD4-1
CT
Samen met DRD4-2: CTCT
DRD4-2
CT
Dubbel heterozygoot profiel
CRY1
AG/AG
Veelvoorkomende basisvariant
LRP8
TT
Interessant, maar onderzoeksuitkomsten zijn genuanceerd
GSR
TT
Veelbelovend, nog onvoldoende bevestigd
CASK
GA
Verkennende marker
1. LDHA – AA
LDHA speelt een rol bij de omzetting van lactaat en daarmee bij de energievoorziening van spieren tijdens zware inspanning. Het A-allel werd in meerdere onderzoeken vaker aangetroffen bij goed presterende duiven. AA betekent bovendien dat deze duif aan iedere nakomeling een A-allel doorgeeft. Een prospectief onderzoek uit 2022 vond echter geen algemeen zelfstandig prestatieverschil voor LDHA. De uitslag is dus zeer interessant, vooral voor de kweek, maar geen garantie op vliegkwaliteit.
2 en 3. DRD4-1 en DRD4-2 – CT/CT
DRD4 houdt verband met het dopaminesysteem en wordt onderzocht in relatie tot gedrag, initiatief en doelgerichtheid. CT bij beide markers vormt de combinatie CTCT. Deze dubbele heterozygote combinatie kwam relatief vaak voor bij goed presterende duiven. In het oorspronkelijke onderzoek was het verband vooral overtuigend op korte en middellange afstand; boven 500 kilometer was het verschil niet statistisch bewezen. CTCT is dus een duidelijke positieve aanwijzing, maar niet uitsluitend een “marathongen”.
4. CRY1 – AG/AG
CRY1 codeert voor cryptochroom-1, betrokken bij het dag-nachtritme en mogelijk bij waarneming van het aardmagnetische veld. In één onderzoek met 129 duiven over 100 tot 400 kilometer scoorde AG/TT gemiddeld beter dan AG/AG. AG/AG is de veelvoorkomende basisvariant. Dat zegt niet dat de duif zich slecht oriënteert; de beschikbare onderzoeksbasis is daarvoor te klein.
5. LRP8 – TT
LRP8 is betrokken bij verbindingen tussen zenuwcellen, geheugen, leren en ruimtelijke waarneming. Het T-allel verandert het gevormde eiwit. TT is genetisch interessant, maar nieuw onderzoek bij 311 jonge duiven vond juist gemiddeld hogere asduifpunten bij heterozygote GT-duiven dan bij beide homozygote groepen. TT mag daarom niet automatisch als het beste vlieggenotype worden aangeduid.
6. GSR – TT
GSR codeert voor glutathionreductase, dat cellen helpt beschermen tegen oxidatieve belasting. Ook een mogelijke relatie met magnetoreceptie en navigatie wordt onderzocht. De homozygote uitslag TT is veelbelovend, maar onderzoek uit 2025 concludeerde dat meer werk nodig is om de functionele invloed op wedstrijdprestaties te bevestigen.
7. CASK – GA
CASK speelt een rol bij de communicatie tussen zenuwcellen en bij verbindingen tussen zenuwen en spieren. GA bevat één exemplaar van de onderzochte A-variant en kan dit gemiddeld aan de helft van de nakomelingen doorgeven. De rechtstreekse relatie met wedstrijdprestaties bij postduiven is nog onvoldoende onafhankelijk gevalideerd. Daarom blijft dit voorlopig een verkennende marker.
Het totaalbeeld. Vooral LDHA-AA, de dubbele DRD4-CT/CT-combinatie en de homozygote uitslagen LRP8-TT en GSR-TT trekken de aandacht. CASK-GA voegt een mogelijk interessante variant toe, terwijl CRY1-AG/AG volgens het beperkte huidige onderzoek minder onderscheidend is.
Het zou wetenschappelijk te ver gaan om op basis van zeven markers over een “superieure duif” te spreken. De onderzochte populaties zijn nog klein en sommige resultaten worden door later onderzoek genuanceerd of tegengesproken.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Een uitzonderlijk interessant ADN-profiel, vooral voor verdere observatie, vergelijking en gerichte kweek — maar de mand en de nakomelingen moeten uiteindelijk het genetische verhaal bevestigen.
Redactie
septembre 2026
L’ADN chez le pigeon voyageur : sept marqueurs génétiques passés au crible
Ce profil anonymisé montre les informations complémentaires que peut apporter l’analyse génétique. Les sept résultats sont intéressants, mais ils ne constituent pas un passeport de performance : santé, expérience, motivation, entraînement et circonstances restent indispensables.
Rapport d’analyse anonymisé. Les données personnelles, l’identification du pigeon et toute référence au laboratoire ont été supprimées.
Marqueur
Résultat
Interprétation prudente
LDHA
AA
Intéressant pour le métabolisme énergétique et l’élevage
DRD4-1
CT
Avec DRD4-2 : CTCT
DRD4-2
CT
Profil double hétérozygote
CRY1
AG/AG
Variante de base fréquente
LRP8
TT
Intéressant, mais résultats scientifiques nuancés
GSR
TT
Prometteur, encore insuffisamment confirmé
CASK
GA
Marqueur exploratoire
1. LDHA – AA
LDHA intervient dans la transformation du lactate et l’approvisionnement énergétique des muscles lors d’un effort intense. L’allèle A a été observé plus souvent chez des pigeons performants dans plusieurs études. Un pigeon AA transmet en outre un allèle A à chacun de ses descendants. Une étude prospective de 2022 n’a toutefois pas trouvé d’effet général indépendant de LDHA. Le résultat est donc très intéressant, surtout pour l’élevage, sans garantir la qualité sportive.
2 et 3. DRD4-1 et DRD4-2 – CT/CT
DRD4 est lié au système dopaminergique et étudié en rapport avec le comportement, l’initiative et la détermination. CT aux deux marqueurs forme la combinaison CTCT. Elle était relativement fréquente chez les bons compétiteurs. Dans l’étude initiale, l’association était surtout convaincante sur les courtes et moyennes distances ; au-delà de 500 kilomètres, la différence n’était pas statistiquement démontrée. CTCT est donc un indice positif, mais pas exclusivement un « gène du marathon ».
4. CRY1 – AG/AG
CRY1 code le cryptochrome-1, impliqué dans le rythme jour-nuit et peut-être dans la perception du champ magnétique terrestre. Dans une étude sur 129 pigeons engagés entre 100 et 400 kilomètres, AG/TT obtenait de meilleurs résultats moyens qu’AG/AG. AG/AG reste une variante de base fréquente ; cela ne démontre nullement une mauvaise orientation.
5. LRP8 – TT
LRP8 participe aux connexions neuronales, à la mémoire, à l’apprentissage et à la perception spatiale. L’allèle T modifie la protéine. TT est génétiquement intéressant, mais une étude récente sur 311 jeunes pigeons a trouvé davantage de points d’as chez les hétérozygotes GT que chez les deux groupes homozygotes. TT ne peut donc pas être automatiquement présenté comme le meilleur génotype de vol.
6. GSR – TT
GSR code la glutathion réductase, qui protège les cellules contre le stress oxydatif. Un lien possible avec la magnétoréception et la navigation est également étudié. Le résultat homozygote TT est prometteur, mais l’étude de 2025 estime que son influence fonctionnelle sur les performances doit encore être confirmée.
7. CASK – GA
CASK intervient dans la communication entre cellules nerveuses et dans les connexions neuromusculaires. GA contient un exemplaire de la variante A étudiée et peut la transmettre en moyenne à la moitié des descendants. Son rapport direct avec les performances du pigeon voyageur n’est pas encore suffisamment validé de manière indépendante : il reste donc un marqueur exploratoire.
Vue d’ensemble. LDHA-AA, la combinaison DRD4-CT/CT et les résultats homozygotes LRP8-TT et GSR-TT retiennent particulièrement l’attention. CASK-GA ajoute une variante potentiellement intéressante, tandis que CRY1-AG/AG paraît moins distinctif dans les recherches actuellement disponibles.
Parler de « pigeon supérieur » sur la base de sept marqueurs irait toutefois trop loin. Les populations étudiées restent limitées et certains résultats ont été nuancés, voire contredits, par des travaux ultérieurs.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Un profil ADN exceptionnellement intéressant pour l’observation, la comparaison et un élevage ciblé — mais le panier et les descendants devront finalement confirmer l’histoire génétique.
Rédaction
September 2026
DNA in racing pigeons: seven genetic markers examined
This anonymised profile shows the additional information genetic analysis can provide. The seven results are interesting, but they are not a performance passport: health, experience, motivation, training and conditions remain essential.
Anonymised analysis report. Personal details, pigeon identification and every reference to the laboratory have been removed.
Marker
Result
Cautious interpretation
LDHA
AA
Interesting for energy metabolism and breeding
DRD4-1
CT
Together with DRD4-2: CTCT
DRD4-2
CT
Double-heterozygous profile
CRY1
AG/AG
Common baseline variant
LRP8
TT
Interesting, but research is nuanced
GSR
TT
Promising, not yet sufficiently confirmed
CASK
GA
Exploratory marker
1. LDHA – AA
LDHA is involved in lactate conversion and muscle energy supply during intense exertion. Several studies found the A allele more frequently among successful pigeons. An AA bird also passes an A allele to every offspring. A 2022 prospective study, however, found no general independent performance effect for LDHA. This is therefore a highly interesting result, particularly for breeding, but not a guarantee of racing quality.
2 and 3. DRD4-1 and DRD4-2 – CT/CT
DRD4 is linked to the dopamine system and studied in relation to behaviour, initiative and goal-directedness. CT at both markers produces the CTCT combination. It occurred relatively often among successful pigeons. In the original study, the association was strongest at short and middle distances; beyond 500 kilometres the difference was not statistically demonstrated. CTCT is a positive indication, but not exclusively a “marathon gene”.
4. CRY1 – AG/AG
CRY1 encodes cryptochrome-1, involved in circadian rhythm and possibly the perception of the Earth’s magnetic field. In one study of 129 pigeons racing from 100 to 400 kilometres, AG/TT performed better on average than AG/AG. AG/AG is a common baseline variant. It does not mean that the bird has poor orientation; the evidence base is far too limited for that conclusion.
5. LRP8 – TT
LRP8 is involved in nerve-cell connections, memory, learning and spatial awareness. The T allele changes the resulting protein. TT is genetically interesting, but newer research in 311 young pigeons found higher average ace points in heterozygous GT birds than in either homozygous group. TT should therefore not automatically be called the best racing genotype.
6. GSR – TT
GSR encodes glutathione reductase, which helps protect cells against oxidative stress. A possible link with magnetoreception and navigation is also being investigated. Homozygous TT is promising, but a 2025 study concluded that further work is needed to confirm its functional influence on racing performance.
7. CASK – GA
CASK contributes to communication between nerve cells and to neuromuscular connections. GA contains one copy of the studied A variant and can pass it to roughly half of the offspring. Its direct relationship with pigeon racing performance has not yet been sufficiently validated independently, so it remains an exploratory marker.
The overall picture. LDHA-AA, the double DRD4-CT/CT combination and the homozygous LRP8-TT and GSR-TT results attract particular attention. CASK-GA adds a potentially interesting variant, while CRY1-AG/AG appears less distinctive in the limited research currently available.
It would nevertheless go too far scientifically to call a bird “superior” on the basis of seven markers. Study populations remain small, and later research has qualified or contradicted some earlier findings.
Want to know more? Click the source links in this article.
An exceptionally interesting DNA profile for further observation, comparison and targeted breeding — but the basket and the offspring must ultimately confirm the genetic story.
Editorial team
September 2026
DNA bei Brieftauben: sieben genetische Marker unter der Lupe
Dieses anonymisierte Profil zeigt, welche zusätzlichen Informationen eine genetische Analyse liefern kann. Die sieben Ergebnisse sind interessant, bilden aber keinen Leistungspass: Gesundheit, Erfahrung, Motivation, Training und Bedingungen bleiben unverzichtbar.
Anonymisierter Analysebericht. Persönliche Daten, Taubenidentifikation und sämtliche Hinweise auf das Labor wurden entfernt.
Marker
Ergebnis
Vorsichtige Deutung
LDHA
AA
Interessant für Energiestoffwechsel und Zucht
DRD4-1
CT
Zusammen mit DRD4-2: CTCT
DRD4-2
CT
Doppelt heterozygotes Profil
CRY1
AG/AG
Häufige Grundvariante
LRP8
TT
Interessant, Forschungsergebnisse jedoch differenziert
GSR
TT
Vielversprechend, noch nicht ausreichend bestätigt
CASK
GA
Explorativer Marker
1. LDHA – AA
LDHA ist an der Laktatumwandlung und der Energieversorgung der Muskulatur bei starker Belastung beteiligt. Das A-Allel wurde in mehreren Studien häufiger bei erfolgreichen Tauben gefunden. Eine AA-Taube gibt außerdem jedem Nachkommen ein A-Allel weiter. Eine prospektive Studie von 2022 fand jedoch keinen allgemeinen unabhängigen Leistungseffekt. Das Ergebnis ist besonders für die Zucht interessant, garantiert aber keine Flugqualität.
2 und 3. DRD4-1 und DRD4-2 – CT/CT
DRD4 steht mit dem Dopaminsystem in Verbindung und wird im Zusammenhang mit Verhalten, Initiative und Zielstrebigkeit untersucht. CT an beiden Markern ergibt die Kombination CTCT. Sie kam relativ häufig bei erfolgreichen Tauben vor. In der ursprünglichen Studie war der Zusammenhang vor allem auf kurzen und mittleren Distanzen überzeugend; über 500 Kilometer war der Unterschied statistisch nicht belegt. CTCT ist ein positives Indiz, aber nicht ausschließlich ein „Marathongen“.
4. CRY1 – AG/AG
CRY1 codiert Cryptochrom-1, das am Tag-Nacht-Rhythmus und möglicherweise an der Wahrnehmung des Erdmagnetfelds beteiligt ist. In einer Studie mit 129 Tauben über 100 bis 400 Kilometer schnitt AG/TT im Mittel besser ab als AG/AG. AG/AG ist eine häufige Grundvariante; daraus lässt sich keine schlechte Orientierung ableiten.
5. LRP8 – TT
LRP8 ist an Nervenzellverbindungen, Gedächtnis, Lernen und räumlicher Wahrnehmung beteiligt. Das T-Allel verändert das gebildete Protein. TT ist genetisch interessant, doch neuere Forschung an 311 Jungtauben fand bei heterozygoten GT-Tauben mehr As-Punkte als bei beiden homozygoten Gruppen. TT darf daher nicht automatisch als bestes Fluggenotyp bezeichnet werden.
6. GSR – TT
GSR codiert Glutathionreduktase, die Zellen vor oxidativem Stress schützt. Auch ein möglicher Zusammenhang mit Magnetwahrnehmung und Navigation wird erforscht. Homozygotes TT ist vielversprechend, doch eine Studie von 2025 fordert weitere Untersuchungen, bevor ein funktioneller Einfluss auf die Reiseleistung bestätigt werden kann.
7. CASK – GA
CASK spielt bei der Kommunikation zwischen Nervenzellen und bei neuromuskulären Verbindungen eine Rolle. GA enthält eine Kopie der untersuchten A-Variante und kann sie durchschnittlich an die Hälfte der Nachkommen weitergeben. Der direkte Zusammenhang mit Reiseleistungen ist noch nicht ausreichend unabhängig bestätigt; der Marker bleibt daher explorativ.
Das Gesamtbild. Besonders LDHA-AA, die doppelte DRD4-CT/CT-Kombination sowie LRP8-TT und GSR-TT fallen auf. CASK-GA ergänzt eine möglicherweise interessante Variante, während CRY1-AG/AG nach dem derzeit begrenzten Forschungsstand weniger unterscheidend ist.
Wissenschaftlich wäre es dennoch zu weitgehend, aufgrund von sieben Markern von einer „überlegenen Taube“ zu sprechen. Die untersuchten Populationen sind klein, und spätere Arbeiten haben einzelne Ergebnisse relativiert oder widersprochen.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Ein außergewöhnlich interessantes DNA-Profil für weitere Beobachtung, Vergleiche und gezielte Zucht — doch Korb und Nachzucht müssen die genetische Geschichte letztlich bestätigen.
Redaktion
septiembre de 2026
ADN en palomas mensajeras: siete marcadores genéticos analizados
Este perfil anonimizado muestra qué información adicional puede aportar un análisis genético. Los siete resultados son interesantes, pero no constituyen un pasaporte de rendimiento: la salud, la experiencia, la motivación, el entrenamiento y las circunstancias siguen siendo esenciales.
Informe anonimizado: se han eliminado los datos personales, la identificación de la paloma y toda referencia al laboratorio.
Marcador
Resultado
Interpretación prudente
LDHA
AA
Interesante para el metabolismo energético y la cría
DRD4-1/2
CT/CT
Combinación CTCT
CRY1
AG/AG
Variante frecuente
LRP8
TT
Interesante, con resultados matizados
GSR
TT
Prometedor, aún por confirmar
CASK
GA
Marcador exploratorio
1. LDHA – AA
LDHA participa en el metabolismo del lactato y en el suministro de energía a los músculos durante un esfuerzo intenso. Varios estudios han encontrado el alelo A con mayor frecuencia entre palomas con buenos resultados. Una paloma AA transmite un alelo A a cada descendiente. Sin embargo, un estudio prospectivo de 2022 no halló una ventaja general e independiente de LDHA para el rendimiento. El resultado interesa especialmente para la cría, pero no garantiza la calidad deportiva.
2 y 3. DRD4-1 y DRD4-2 – CT/CT
DRD4 forma parte del sistema dopaminérgico y se estudia por sus posibles relaciones con el comportamiento, la iniciativa y la orientación a objetivos. CT en ambos marcadores produce la combinación CTCT, relativamente frecuente entre palomas que obtuvieron buenos resultados. En el estudio original, la asociación fue más clara en distancias cortas y medias; por encima de 500 kilómetros no se demostró una diferencia estadísticamente significativa. Es un indicio interesante, no un gen exclusivo del maratón.
4. CRY1 – AG/AG
CRY1 codifica criptocromo 1, relacionado con el ritmo diario y posiblemente con la percepción del campo magnético terrestre. En un estudio de 129 palomas que volaron entre 100 y 400 kilómetros, AG/TT obtuvo mejores resultados medios que AG/AG. Esta última es una variante frecuente. Ello no significa que la paloma se oriente mal: la base científica disponible es demasiado pequeña para afirmarlo.
5. LRP8 – TT
LRP8 está implicado en las conexiones neuronales, la memoria, el aprendizaje y la percepción espacial. El alelo T modifica la proteína producida. TT resulta interesante, pero una investigación más reciente con 311 palomas jóvenes observó, de media, mejores puntuaciones de as en las heterocigotas GT que en los dos grupos homocigotos. Por eso no debe presentarse TT automáticamente como el mejor genotipo para competir.
6. GSR – TT
GSR codifica la glutatión reductasa, que ayuda a proteger las células frente al estrés oxidativo. También se investiga una posible relación con la magnetorrecepción y la navegación. El resultado homocigoto TT es prometedor, pero un estudio publicado en 2025 concluyó que hacen falta más trabajos para confirmar su influencia funcional en los resultados deportivos.
7. CASK – GA
CASK interviene en la comunicación entre neuronas y en las conexiones entre nervios y músculos. GA contiene una copia de la variante A estudiada y puede transmitirla, por término medio, a la mitad de los descendientes. La relación directa entre esta variante y el rendimiento de las palomas mensajeras todavía no está suficientemente validada de forma independiente. Por ahora se trata de un marcador exploratorio.
Conjunto del perfil. LDHA-AA, el doble DRD4-CT/CT, LRP8-TT y GSR-TT destacan; CASK-GA añade una variante potencialmente interesante y CRY1-AG/AG parece menos distintiva según las pruebas actuales. Las poblaciones estudiadas siguen siendo pequeñas y trabajos posteriores matizan algunos resultados. Ninguno de los siete marcadores permite, por sí solo, definir una «paloma superior».
Una interpretación con prudencia
LDHA-AA y la combinación CTCT de DRD4 llaman especialmente la atención. LRP8-TT y GSR-TT también son interesantes, mientras que CASK-GA merece observación. Sin embargo, los estudios disponibles son limitados y algunos resultados han sido matizados por investigaciones posteriores.
Conclusión. Estos marcadores pueden ayudar a comparar y orientar la cría, pero no permiten hablar de una “paloma superior”. La cesta, la descendencia, la salud y los resultados deportivos deben confirmar cualquier hipótesis genética.
Un perfil ADN muy interesante para seguir observando y comparar, pero nunca un sustituto de la selección práctica.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Génétique, apprentissage et navigation chez le pigeon voyageur
Deux marqueurs, deux rôles différents
Deux gènes, deux fonctions différentes et une même question : comment le cerveau d’un jeune pigeon apprend-il progressivement à retrouver son colombier ? Les marqueurs CASK et DRD4 concernent tous les deux le système nerveux, mais n’agissent pas au même niveau. CASK participe à l’organisation, à la maturation et au fonctionnement des connexions entre cellules nerveuses. DRD4 code le récepteur D4 de la dopamine, une molécule qui module notamment l’attention, la motivation, l’apprentissage et le comportement.
CASK : construire et organiser le réseau neuronal
Pour apprendre, le cerveau doit établir des connexions efficaces et pouvoir les modifier avec l’expérience. CASK est l’une des protéines qui participent à l’organisation et au bon fonctionnement de ces connexions. Chez le pigeon voyageur, des études génétiques ont identifié cette région comme particulièrement intéressante. Un polymorphisme appelé g.8893G>A est étudié. L’allèle A est fréquent dans les populations analysées, mais les recherches disponibles ne permettent pas d’affirmer qu’un génotype CASK donné rend directement un pigeon meilleur ou plus performant. CASK n’est pas un « gène de l’orientation » : le rôle précis de ses variants chez le pigeon reste à démontrer.
L’entraînement construit-il l’expérience du cerveau ?
Un pigeonneau ne naît pas avec une carte complète de son environnement. Les vols autour du colombier et les entraînements successifs lui apportent des expériences : paysages, odeurs, position du soleil, météo et déplacements en groupe ou en solitaire. Certains génotypes CASK permettent-ils d’acquérir plus rapidement cette expérience ou favorisent-ils la plasticité neuronale ? C’est une hypothèse biologiquement plausible, encore à tester.
DRD4 : régler le fonctionnement du réseau
Si les connexions neuronales constituent le « câblage » du cerveau, la dopamine fait partie des signaux qui en modulent le fonctionnement ; DRD4 est l’un des récepteurs qui reçoit ce signal. Des polymorphismes de DRD4 ont été associés aux performances chez le pigeon voyageur, et d’autres travaux à certains traits comportementaux. Cela ne signifie pas qu’un génotype détermine à lui seul le caractère, l’intelligence ou les performances d’un pigeon.
Un modèle de travail
CASK → organisation et maturation du réseau neuronal ; entraînement et expérience → apprentissage et plasticité ; DRD4 et dopamine → modulation du fonctionnement du réseau ; navigation et comportement → performance observée. Ce schéma aide à poser les bonnes questions, sans démontrer une relation directe de cause à effet entre génotype et performance sportive.
Le GPS : observer l’apprentissage
Un classement indique l’ordre d’arrivée, pas le chemin suivi. Deux pigeons arrivant ensemble peuvent avoir pris des décisions très différentes. Des GPS sur des pigeons génotypés permettraient de mesurer leur direction après le lâcher, leur erreur par rapport au cap du colombier, le temps d’orientation, les corrections de trajectoire, la distance parcourue et leur comportement avec ou sans groupe. En répétant ces mesures au fil des entraînements, on obtiendrait une courbe d’apprentissage propre à chaque pigeon. La question deviendrait : « Comment le génotype influence-t-il la manière dont le pigeon apprend à naviguer ? »
De l’ADN au comportement observable
GÉNOTYPE → APPRENTISSAGE → NAVIGATION MESURÉE PAR GPS → PERFORMANCE. Cette approche irait au-delà d’une association entre marqueur et classement pour chercher comment les différences génétiques pourraient agir sur l’apprentissage et les décisions de navigation.
Ce que nous savons et ce qu’il reste à découvrir
CASK joue un rôle important dans l’organisation et le fonctionnement du système nerveux. DRD4 est un récepteur de la dopamine impliqué dans la modulation de l’activité neuronale. Des variants de ces gènes ont attiré l’attention chez le pigeon voyageur. Nous ne savons pas encore si un variant de CASK accélère l’apprentissage de la navigation ni comment les génotypes DRD4 modifient précisément les décisions en vol. L’intérêt de cette recherche est de comprendre comment l’ADN, l’expérience et le cerveau interagissent.
Repères scientifiques
Les associations génétiques observées dans une population ne prouvent pas qu’un variant cause à lui seul un comportement ou une performance. Les hypothèses sur la vitesse d’apprentissage et les signatures GPS devront être testées expérimentalement. Document de vulgarisation – CASK, DRD4 et navigation du pigeon voyageur.
Sources scientifiques
Gazda M.A. et al. (2018). Signatures of Selection on Standing Genetic Variation Underlie Athletic and Navigational Performance in Racing Pigeons. Molecular Biology and Evolution, 35(5), 1176–1189. DOI: 10.1093/molbev/msy030.
Le signal de sélection le plus marqué chez les pigeons voyageurs chevauchait CASK. Les aptitudes étudiées sont toutefois polygéniques.
Dybus A., Kulig H., Grzesiak W., Domke J., Yu Y.H., Cheng Y.H. (2023). Calcium/Calmodulin-Dependent Serine Protein Kinase (CASK) Gene Polymorphisms in Pigeons. Animals, 13, 2070. DOI: 10.3390/ani13132070.
Le variant CASK g.8893G>A, proche du site d’initiation de la traduction, varie en fréquence selon les populations. Aucun effet significatif du génotype sur les points de course n’a été démontré.
Proskura W.S., Kustosz J., Dybus A., Lanckriet R. (2015). Polymorphism in dopamine receptor D4 gene is associated with pigeon racing performance. Animal Genetics, 46(5), 586–587. DOI: 10.1111/age.12328.
Première étude rapportant une association entre des polymorphismes de DRD4 et les résultats en concours.
Ramadan S.I., Hung T.H., Delacoux M., Kano F., Inoue-Murayama M., Biro D. (2026). Associations of genetic polymorphisms with boldness, stress response, and route efficiency in homing pigeons (Columba livia). Physiology & Behavior, 305, 115211. DOI: 10.1016/j.physbeh.2025.115211.
Chez 137 pigeons, le variant DRD4 C382T était associé à l’audace. Il est distinct des variants DRD4-1 et DRD4-2 présentés dans l’article.
Meskenaite V., Krackow S., Lipp H.P. (2016). Age-Dependent Neurogenesis and Neuron Numbers within the Olfactory Bulb and Hippocampus of Homing Pigeons. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 10, 126. DOI: 10.3389/fnbeh.2016.00126.
Étude de la neurogenèse du bulbe olfactif et de l’hippocampe chez les jeunes pigeons voyageurs et de son évolution avec l’âge.
Stachowski S., Bishop C.M., Griffiths C., Holland R.A. (2026). Naïve young Homing pigeons (Columba livia) learn efficient routes home but are not tied to those routes. Behavioural Processes, 238, 105374. DOI: 10.1016/j.beproc.2026.105374.
Des jeunes pigeons suivis par GPS ont amélioré l’efficacité de leurs trajets entre le premier et le dix-huitième entraînement.
À retenir : CASK et DRD4 présentent un intérêt scientifique et l’apprentissage de la navigation est mesurable. L’idée que certains génotypes CASK accélèrent cet apprentissage reste à tester, par exemple en associant génotypage et suivi GPS.
Auteur: Dr. Emmanuel Leysens
september 2026
CASK en DRD4
Genetica, leren en navigeren bij de postduif
Twee markers, verschillende functies
Hoe leert het brein van een jonge duif geleidelijk de weg naar het hok te vinden? CASK en DRD4 hebben beide met het zenuwstelsel te maken, maar op verschillende niveaus. CASK helpt zenuwverbindingen organiseren, rijpen en functioneren. DRD4 codeert voor de dopamine D4-receptor; dopamine beïnvloedt onder meer aandacht, motivatie, leren en gedrag.
CASK: het neurale netwerk opbouwen
Om te leren moet het brein verbindingen vormen die met ervaring kunnen veranderen. CASK draagt daaraan bij. Bij postduiven wordt onder meer de variant g.8893G>A onderzocht. Het A-allel komt vaak voor in onderzochte populaties, maar er is geen bewijs dat een bepaald CASK-genotype een duif rechtstreeks beter laat presteren. CASK is geen ‘oriëntatiegen’; de precieze werking van de onderzochte varianten moet nog worden aangetoond.
Wat doet training met het brein?
Een jonge duif wordt niet geboren met een complete kaart van haar omgeving. Vluchten rond het hok en opeenvolgende trainingen bieden ervaring met landschap, geuren, zon, weer en het vliegen in een groep of alleen. Of bepaalde CASK-genotypen dit leerproces of de plasticiteit van zenuwcellen versnellen, is een aannemelijke maar nog onbewezen hypothese.
DRD4: het netwerk bijsturen
Als de zenuwverbindingen de bedrading zijn, behoort dopamine tot de signalen die de werking ervan bijsturen. DRD4 ontvangt zo’n signaal. Varianten van DRD4 zijn in onderzoek in verband gebracht met prestaties en bepaalde gedragskenmerken. Geen enkel genotype bepaalt op zichzelf het karakter, de intelligentie of de vliegprestaties.
Een werkmodel
CASK → organisatie en rijping van het neurale netwerk; training en ervaring → leren en plasticiteit; DRD4 en dopamine → bijsturing van het netwerk; navigatie en gedrag → waargenomen prestaties. Dit model toont onderzoeksvragen, geen bewezen oorzakelijk verband.
Met GPS het leren volgen
Een uitslag laat zien wie eerst aankomt, niet hoe iedere duif haar weg vond. GPS bij duiven waarvan het genotype bekend is, kan de richting na lossing, afwijking van de koers naar huis, oriëntatietijd, koerscorrecties, afgelegde afstand en groepsgedrag meten. Herhaalde metingen tijdens trainingen kunnen voor iedere duif een leercurve opleveren. De vraag wordt dan hoe het genotype de ontwikkeling van navigatie beïnvloedt.
Van ADN naar zichtbaar gedrag
GENOTYPE → LEREN → MET GPS GEMETEN NAVIGATIE → PRESTATIE. Zo kunnen onderzoekers verder kijken dan een verband tussen een marker en een plaats op de uitslag en mogelijke mechanismen onderzoeken.
Wat weten we wel en nog niet?
CASK is betrokken bij de opbouw en werking van het zenuwstelsel. DRD4 is een dopaminereceptor die de activiteit van zenuwcellen helpt moduleren. Varianten van beide genen trekken aandacht bij postduiven. Of een CASK-variant navigatie sneller aanleert, en hoe DRD4 de beslissingen tijdens de vlucht precies beïnvloedt, weten we nog niet.
Wetenschappelijke kanttekening
Een statistische samenhang in een populatie bewijst niet dat één variant gedrag of prestaties veroorzaakt. De hypothesen over leersnelheid en GPS-patronen vragen om experimenteel onderzoek. Toegankelijk wetenschappelijk overzicht over CASK, DRD4 en de navigatie van postduiven.
Wetenschappelijke bronnen
Gazda M.A. et al. (2018). Signatures of Selection on Standing Genetic Variation Underlie Athletic and Navigational Performance in Racing Pigeons. Molecular Biology and Evolution, 35(5), 1176–1189. DOI: 10.1093/molbev/msy030.
Het sterkste selectiesignaal bij postduiven overlapte met CASK. Vlieg- en navigatievermogen berusten wel op meerdere genen.
Dybus A., Kulig H., Grzesiak W., Domke J., Yu Y.H., Cheng Y.H. (2023). Calcium/Calmodulin-Dependent Serine Protein Kinase (CASK) Gene Polymorphisms in Pigeons. Animals, 13, 2070. DOI: 10.3390/ani13132070.
De variant CASK g.8893G>A ligt vlak bij de start van de eiwitvorming en komt met verschillende frequenties voor in populaties. Een significant verband met behaalde wedstrijdpunten werd niet aangetoond.
Proskura W.S., Kustosz J., Dybus A., Lanckriet R. (2015). Polymorphism in dopamine receptor D4 gene is associated with pigeon racing performance. Animal Genetics, 46(5), 586–587. DOI: 10.1111/age.12328.
Een vroege studie die een verband vond tussen DRD4-varianten en wedstrijdprestaties.
Ramadan S.I., Hung T.H., Delacoux M., Kano F., Inoue-Murayama M., Biro D. (2026). Associations of genetic polymorphisms with boldness, stress response, and route efficiency in homing pigeons (Columba livia). Physiology & Behavior, 305, 115211. DOI: 10.1016/j.physbeh.2025.115211.
Bij 137 duiven hing de variant DRD4 C382T samen met durf. Dit is een andere variant dan DRD4-1 en DRD4-2 in het artikel.
Meskenaite V., Krackow S., Lipp H.P. (2016). Age-Dependent Neurogenesis and Neuron Numbers within the Olfactory Bulb and Hippocampus of Homing Pigeons. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 10, 126. DOI: 10.3389/fnbeh.2016.00126.
Onderzoek naar nieuwe zenuwcellen in de reukbol en hippocampus van jonge postduiven en de verandering daarvan met de leeftijd.
Stachowski S., Bishop C.M., Griffiths C., Holland R.A. (2026). Naïve young Homing pigeons (Columba livia) learn efficient routes home but are not tied to those routes. Behavioural Processes, 238, 105374. DOI: 10.1016/j.beproc.2026.105374.
Jonge duiven die met GPS werden gevolgd, vlogen tussen de eerste en achttiende training aantoonbaar efficiënter naar huis.
Kort samengevat: CASK en DRD4 zijn wetenschappelijk interessant en het leren navigeren is meetbaar. Of bepaalde CASK-genotypen dat leerproces versnellen, moet nog worden onderzocht, bijvoorbeeld met DNA-onderzoek en GPS.
Auteur: Dr. Emmanuel Leysens
September 2026
CASK and DRD4
Genetics, learning and navigation in racing pigeons
Two markers, different roles
How does a young pigeon learn to find its loft? CASK and DRD4 both concern the nervous system, but act at different levels. CASK helps organise and maintain connections between nerve cells. DRD4 encodes the dopamine D4 receptor; dopamine helps modulate attention, motivation, learning and behaviour.
CASK: organising the neural network
Learning requires effective neural connections that can change with experience. CASK helps organise these connections. In racing pigeons, researchers have examined a variant known as g.8893G>A. The A allele is common in the populations studied, but there is no evidence that a particular CASK genotype directly makes a pigeon a better racer. Its precise effects in pigeons remain unproven.
Does training shape the brain’s experience?
A youngster is not born with a complete map of its surroundings. Loft flights and training expose it to landscapes, smells, the sun, weather and group or solo flight. Whether particular CASK genotypes accelerate this learning or neural plasticity is a plausible hypothesis that still needs testing.
DRD4: tuning the network
If neural connections are the brain’s wiring, dopamine is among the signals that tune its operation. DRD4 receives one such signal. DRD4 variants have been associated with racing performance and some behavioural traits. A genotype alone does not determine a pigeon’s personality, intelligence or performance.
A working model
CASK → neural organisation and maturation; training and experience → learning and plasticity; DRD4 and dopamine → modulation of the network; navigation and behaviour → observed performance. This model suggests research questions, not a proven causal chain.
GPS: measuring learning
Race results give finishing order, not each bird’s route. Genotyped pigeons carrying GPS devices could reveal initial heading, error from the homeward bearing, orientation time, course corrections, distance travelled and group behaviour. Repeated measures during training could produce an individual navigation learning curve. The question then becomes how genotype might influence learning to navigate.
From DNA to observable behaviour
GENOTYPE → LEARNING → GPS-MEASURED NAVIGATION → PERFORMANCE. This approach investigates possible mechanisms behind an association between a marker and a race result.
What remains unknown
CASK contributes to nervous-system organisation and function; DRD4 is a dopamine receptor involved in modulating neural activity. Variants in both genes have attracted attention in racing pigeons. We do not yet know whether a CASK variant speeds up navigation learning or precisely how DRD4 genotypes affect decisions in flight.
Scientific perspective
An association in a population does not prove that one variant causes a behaviour or a result. Hypotheses about learning speed and GPS patterns require experimental testing. An accessible overview of CASK, DRD4 and pigeon navigation.
Scientific sources
Gazda M.A. et al. (2018). Signatures of Selection on Standing Genetic Variation Underlie Athletic and Navigational Performance in Racing Pigeons. Molecular Biology and Evolution, 35(5), 1176–1189. DOI: 10.1093/molbev/msy030.
The strongest selection signal in racing pigeons overlapped CASK. Athletic and navigational ability nevertheless involve multiple genes.
Dybus A., Kulig H., Grzesiak W., Domke J., Yu Y.H., Cheng Y.H. (2023). Calcium/Calmodulin-Dependent Serine Protein Kinase (CASK) Gene Polymorphisms in Pigeons. Animals, 13, 2070. DOI: 10.3390/ani13132070.
The CASK g.8893G>A variant lies close to the translation start site and differs in frequency between populations. No significant association with race points was shown.
Proskura W.S., Kustosz J., Dybus A., Lanckriet R. (2015). Polymorphism in dopamine receptor D4 gene is associated with pigeon racing performance. Animal Genetics, 46(5), 586–587. DOI: 10.1111/age.12328.
An early report of an association between DRD4 polymorphisms and racing performance.
Ramadan S.I., Hung T.H., Delacoux M., Kano F., Inoue-Murayama M., Biro D. (2026). Associations of genetic polymorphisms with boldness, stress response, and route efficiency in homing pigeons (Columba livia). Physiology & Behavior, 305, 115211. DOI: 10.1016/j.physbeh.2025.115211.
Among 137 pigeons, DRD4 C382T was associated with boldness. It is distinct from the DRD4-1 and DRD4-2 variants discussed in the article.
Meskenaite V., Krackow S., Lipp H.P. (2016). Age-Dependent Neurogenesis and Neuron Numbers within the Olfactory Bulb and Hippocampus of Homing Pigeons. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 10, 126. DOI: 10.3389/fnbeh.2016.00126.
A study of new neurons in the olfactory bulb and hippocampus of young homing pigeons and how this changes with age.
Stachowski S., Bishop C.M., Griffiths C., Holland R.A. (2026). Naïve young Homing pigeons (Columba livia) learn efficient routes home but are not tied to those routes. Behavioural Processes, 238, 105374. DOI: 10.1016/j.beproc.2026.105374.
GPS-tracked young pigeons improved their route efficiency between their first and eighteenth training releases.
In brief: CASK and DRD4 merit study, and navigation learning can be measured. Whether particular CASK genotypes speed that learning remains to be tested, for example by combining genotyping with GPS tracking.
Author: Dr. Emmanuel Leysens
September 2026
CASK und DRD4
Genetik, Lernen und Navigation bei Brieftauben
Zwei Marker, verschiedene Funktionen
Wie lernt eine junge Taube, ihren Schlag wiederzufinden? CASK und DRD4 betreffen beide das Nervensystem, wirken jedoch auf unterschiedlichen Ebenen. CASK hilft bei Aufbau, Reifung und Funktion neuronaler Verbindungen. DRD4 codiert den Dopamin-D4-Rezeptor; Dopamin beeinflusst unter anderem Aufmerksamkeit, Motivation, Lernen und Verhalten.
CASK: das neuronale Netzwerk organisieren
Lernen setzt wirksame Verbindungen voraus, die sich durch Erfahrung verändern können. CASK trägt zu ihrer Organisation bei. Bei Brieftauben wird die Variante g.8893G>A untersucht. Das A-Allel ist in untersuchten Populationen häufig; ein bestimmter CASK-Genotyp macht eine Taube nach heutigem Wissen aber nicht unmittelbar leistungsfähiger. Seine genaue Wirkung muss erst nachgewiesen werden.
Was bewirkt Training im Gehirn?
Jungtauben besitzen keine vollständige angeborene Karte ihrer Umgebung. Flüge am Schlag und Training vermitteln Erfahrungen mit Landschaft, Gerüchen, Sonnenstand, Wetter und Gruppenflug. Ob bestimmte CASK-Genotypen das Lernen oder die neuronale Plastizität beschleunigen, ist eine plausible, noch ungeprüfte Hypothese.
DRD4: das Netzwerk abstimmen
Sind die Nervenverbindungen die Verdrahtung, gehört Dopamin zu den Signalen, die deren Funktion abstimmen. DRD4 empfängt ein solches Signal. DRD4-Varianten wurden mit Reiseleistungen und Verhaltensmerkmalen in Verbindung gebracht. Kein Genotyp bestimmt allein Charakter, Intelligenz oder Leistung.
Ein Arbeitsmodell
CASK → Organisation und Reifung des Netzwerks; Training und Erfahrung → Lernen und Plastizität; DRD4 und Dopamin → Modulation des Netzwerks; Navigation und Verhalten → beobachtete Leistung. Das Modell stellt Forschungsfragen dar, keine bewiesene Ursache-Wirkungs-Kette.
Mit GPS das Lernen beobachten
Eine Preisliste zeigt die Ankunftsfolge, nicht die geflogenen Wege. GPS bei genotypisierten Tauben könnte Startrichtung, Abweichung vom Heimkurs, Orientierungszeit, Kurskorrekturen, Flugstrecke und Gruppenverhalten erfassen. Wiederholte Messungen während des Trainings würden eine individuelle Lernkurve der Navigation ergeben.
Von der DNA zum beobachtbaren Verhalten
GENOTYP → LERNEN → GPS-GEMESSENE NAVIGATION → LEISTUNG. So ließen sich mögliche Mechanismen hinter einer statistischen Verbindung von Marker und Ergebnis erforschen.
Was noch offen ist
CASK wirkt bei Organisation und Funktion des Nervensystems mit; DRD4 ist ein Dopaminrezeptor, der neuronale Aktivität moduliert. Varianten beider Gene sind bei Brieftauben von Interesse. Ob CASK das Navigationslernen beschleunigt und wie DRD4 Flugentscheidungen beeinflusst, wissen wir noch nicht.
Wissenschaftliche Einordnung
Eine statistische Verbindung beweist keine alleinige Ursache. Hypothesen zur Lerngeschwindigkeit und zu GPS-Mustern müssen experimentell geprüft werden. Allgemeinverständlicher Beitrag über CASK, DRD4 und Navigation bei Brieftauben.
Wissenschaftliche Quellen
Gazda M.A. et al. (2018). Signatures of Selection on Standing Genetic Variation Underlie Athletic and Navigational Performance in Racing Pigeons. Molecular Biology and Evolution, 35(5), 1176–1189. DOI: 10.1093/molbev/msy030.
Das stärkste Selektionssignal bei Brieftauben überlappte mit CASK. Flug- und Navigationsleistungen beruhen jedoch auf mehreren Genen.
Dybus A., Kulig H., Grzesiak W., Domke J., Yu Y.H., Cheng Y.H. (2023). Calcium/Calmodulin-Dependent Serine Protein Kinase (CASK) Gene Polymorphisms in Pigeons. Animals, 13, 2070. DOI: 10.3390/ani13132070.
Die Variante CASK g.8893G>A liegt nahe am Beginn der Translation und ist in Populationen unterschiedlich häufig. Ein signifikanter Zusammenhang mit den erreichten Wettbewerbspunkten wurde nicht nachgewiesen.
Proskura W.S., Kustosz J., Dybus A., Lanckriet R. (2015). Polymorphism in dopamine receptor D4 gene is associated with pigeon racing performance. Animal Genetics, 46(5), 586–587. DOI: 10.1111/age.12328.
Eine frühe Studie über den Zusammenhang zwischen DRD4-Varianten und Reiseleistungen.
Ramadan S.I., Hung T.H., Delacoux M., Kano F., Inoue-Murayama M., Biro D. (2026). Associations of genetic polymorphisms with boldness, stress response, and route efficiency in homing pigeons (Columba livia). Physiology & Behavior, 305, 115211. DOI: 10.1016/j.physbeh.2025.115211.
Bei 137 Tauben war DRD4 C382T mit Wagemut assoziiert. Diese Variante unterscheidet sich von DRD4-1 und DRD4-2 im Artikel.
Meskenaite V., Krackow S., Lipp H.P. (2016). Age-Dependent Neurogenesis and Neuron Numbers within the Olfactory Bulb and Hippocampus of Homing Pigeons. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 10, 126. DOI: 10.3389/fnbeh.2016.00126.
Untersuchung neuer Nervenzellen im Riechkolben und Hippocampus junger Brieftauben und ihrer altersabhängigen Entwicklung.
Stachowski S., Bishop C.M., Griffiths C., Holland R.A. (2026). Naïve young Homing pigeons (Columba livia) learn efficient routes home but are not tied to those routes. Behavioural Processes, 238, 105374. DOI: 10.1016/j.beproc.2026.105374.
GPS-Daten zeigten, dass Jungtauben zwischen dem ersten und achtzehnten Trainingsflug effizientere Heimwege lernten.
Zusammengefasst: CASK und DRD4 sind wissenschaftlich interessant, und Navigationslernen lässt sich messen. Ob bestimmte CASK-Genotypen dieses Lernen beschleunigen, muss etwa mit Genotypisierung und GPS erst geprüft werden.
Autor: Dr. Emmanuel Leysens
septiembre de 2026
CASK y DRD4
Genética, aprendizaje y navegación en la paloma mensajera
Dos marcadores, funciones diferentes
¿Cómo aprende una paloma joven a regresar a su palomar? CASK y DRD4 intervienen en el sistema nervioso a distintos niveles. CASK contribuye a organizar y mantener las conexiones entre neuronas. DRD4 codifica el receptor D4 de dopamina, una sustancia que modula la atención, la motivación, el aprendizaje y el comportamiento.
CASK: organizar la red neuronal
Aprender requiere conexiones eficaces que puedan cambiar con la experiencia. CASK participa en su organización. En palomas mensajeras se estudia la variante g.8893G>A. El alelo A es frecuente en las poblaciones analizadas, pero no se ha demostrado que un genotipo CASK determinado mejore directamente el rendimiento. Su función precisa aún debe investigarse.
¿Cómo influye el entrenamiento?
Una paloma joven no nace con un mapa completo de su entorno. Los vuelos alrededor del palomar y los entrenamientos le aportan experiencias de paisajes, olores, sol, meteorología y vuelo en grupo o en solitario. Que ciertos genotipos CASK aceleren este aprendizaje o la plasticidad neuronal es una hipótesis plausible, todavía sin comprobar.
DRD4: ajustar el funcionamiento de la red
Si las conexiones neuronales son el cableado del cerebro, la dopamina es una de las señales que ajustan su funcionamiento. DRD4 recibe esa señal. Se han asociado variantes de DRD4 con el rendimiento y algunos rasgos de conducta. Ningún genotipo determina por sí solo el carácter, la inteligencia ni los resultados.
Un modelo de trabajo
CASK → organización y maduración de la red; entrenamiento y experiencia → aprendizaje y plasticidad; DRD4 y dopamina → modulación de la red; navegación y conducta → rendimiento observado. Es un esquema para investigar, no una relación causal demostrada.
GPS: observar el aprendizaje
La clasificación indica el orden de llegada, pero no la ruta de cada paloma. El GPS en aves genotipadas permitiría medir el rumbo inicial, la desviación respecto al palomar, el tiempo de orientación, las correcciones de trayectoria, la distancia recorrida y la conducta en grupo. Medidas repetidas durante los entrenamientos revelarían una curva de aprendizaje individual.
Del ADN a la conducta observable
GENOTIPO → APRENDIZAJE → NAVEGACIÓN MEDIDA CON GPS → RENDIMIENTO. Así se podrían estudiar los mecanismos detrás de una asociación entre un marcador y la clasificación.
Lo que queda por descubrir
CASK participa en la organización y función del sistema nervioso; DRD4 es un receptor de dopamina que modula la actividad neuronal. Variantes de ambos genes suscitan interés en la paloma mensajera. Todavía no sabemos si CASK acelera el aprendizaje de la navegación ni cómo influye DRD4 en las decisiones durante el vuelo.
Precisión científica
Una asociación observada en una población no demuestra que una variante cause por sí sola una conducta o un resultado. Las hipótesis sobre velocidad de aprendizaje y patrones GPS deben ponerse a prueba experimentalmente. Texto divulgativo sobre CASK, DRD4 y navegación de la paloma mensajera.
Fuentes científicas
Gazda M.A. et al. (2018). Signatures of Selection on Standing Genetic Variation Underlie Athletic and Navigational Performance in Racing Pigeons. Molecular Biology and Evolution, 35(5), 1176–1189. DOI: 10.1093/molbev/msy030.
La señal de selección más intensa en palomas mensajeras coincidió con CASK. La capacidad de vuelo y navegación depende, sin embargo, de varios genes.
Dybus A., Kulig H., Grzesiak W., Domke J., Yu Y.H., Cheng Y.H. (2023). Calcium/Calmodulin-Dependent Serine Protein Kinase (CASK) Gene Polymorphisms in Pigeons. Animals, 13, 2070. DOI: 10.3390/ani13132070.
La variante CASK g.8893G>A está cerca del inicio de la traducción y varía de frecuencia entre poblaciones. No se demostró una asociación significativa con los puntos obtenidos en competición.
Proskura W.S., Kustosz J., Dybus A., Lanckriet R. (2015). Polymorphism in dopamine receptor D4 gene is associated with pigeon racing performance. Animal Genetics, 46(5), 586–587. DOI: 10.1111/age.12328.
Uno de los primeros estudios que relacionó variantes de DRD4 con el rendimiento en concursos.
Ramadan S.I., Hung T.H., Delacoux M., Kano F., Inoue-Murayama M., Biro D. (2026). Associations of genetic polymorphisms with boldness, stress response, and route efficiency in homing pigeons (Columba livia). Physiology & Behavior, 305, 115211. DOI: 10.1016/j.physbeh.2025.115211.
En 137 palomas, DRD4 C382T se asoció con la audacia. Es una variante distinta de DRD4-1 y DRD4-2 mencionadas en el artículo.
Meskenaite V., Krackow S., Lipp H.P. (2016). Age-Dependent Neurogenesis and Neuron Numbers within the Olfactory Bulb and Hippocampus of Homing Pigeons. Frontiers in Behavioral Neuroscience, 10, 126. DOI: 10.3389/fnbeh.2016.00126.
Estudio de la formación de neuronas en el bulbo olfatorio y el hipocampo de palomas jóvenes y de sus cambios con la edad.
Stachowski S., Bishop C.M., Griffiths C., Holland R.A. (2026). Naïve young Homing pigeons (Columba livia) learn efficient routes home but are not tied to those routes. Behavioural Processes, 238, 105374. DOI: 10.1016/j.beproc.2026.105374.
Palomas jóvenes seguidas mediante GPS mejoraron la eficiencia de sus rutas entre el primer y el decimoctavo entrenamiento.
En resumen: CASK y DRD4 merecen estudio y el aprendizaje de la navegación puede medirse. Aún debe comprobarse si ciertos genotipos CASK aceleran ese aprendizaje, por ejemplo combinando genotipado y seguimiento GPS.
Autor: Dr. Emmanuel Leysens
Techniek
15 · 10 · 2026
Cyberaanval bij de KBDB: ook de duivensport is kwetsbaar
De Koninklijke Belgische Duivenbond meldt dat haar website op 6 en 7 oktober werd aangevallen. Mogelijk zijn daarbij persoonsgegevens van leden ontvreemd. Het onderzoek naar de precieze omvang loopt nog.
Ook de duivensport is digitaal kwetsbaar. Symbolische illustratie, gemaakt met AI.
Wat meldt de bond?
Volgens de mededeling van 14 oktober kunnen contactgegevens, geboortedata en informatie over lidmaatschap en duivenhokken betrokken zijn. Voor zover de KBDB momenteel weet, bevat het getroffen bestand geen bankgegevens, rijksregisternummers of wachtwoorden. De bond heeft de ongeoorloofde toegang afgesloten, neemt aanvullende beveiligingsmaatregelen en heeft het incident bij de Gegevensbeschermingsautoriteit aangegeven.
Onze toelichting: digitalisering vraagt om weerbaarheid
Voor Pigeon Magazine onderstreept dit incident hoe belangrijk gegevensbeveiliging binnen de duivensport is. Achter een ledenbestand staan mensen die erop moeten kunnen vertrouwen dat hun gegevens zorgvuldig worden beheerd. Onze redactie vindt dat bonden, verenigingen en leveranciers duidelijk moeten uitleggen welke gegevens zij bewaren, wie toegang heeft en hoe zij optreden wanneer iets misgaat. Ook herstel verdient aandacht: zijn bruikbare reservekopieën beschikbaar en is getest of daarmee kan worden doorgewerkt?
En de elektronische constatering?
De KBDB-mededeling geeft geen aanleiding om te stellen dat elektronische constateersystemen zijn getroffen of aankomstgegevens zijn gewijzigd. Die conclusie mogen we er dus niet aan verbinden. Wel roept het incident een bredere ontwerpvraag op: wat gebeurt er wanneer een centrale dienst of internetverbinding uitvalt?
Zelfstandig blijven registreren
Onze voorkeur is dat een constateersysteem aankomsten ook zelfstandig, lokaal en controleerbaar kan blijven vastleggen. Zodra de verbinding is hersteld, kunnen de gegevens alsnog worden doorgestuurd. Daarbij moeten de oorspronkelijke registraties behouden blijven en wijzigingen traceerbaar zijn. Zo’n zelfstandige werking beschermt de voortgang van de wedstrijd. Voor de bescherming van persoonsgegevens blijven daarnaast afzonderlijke beveiligingsmaatregelen nodig.
Wees alert op persoonlijke benadering
Een bericht dat uw naam of gegevens over uw hobby bevat, verdient niet automatisch vertrouwen. Controleer een onverwacht verzoek via een contactkanaal dat u al kent. Geef geen wachtwoorden of verificatiecodes door. De inzet voor onze sport verdient digitale voorzieningen waarop liefhebbers kunnen vertrouwen. Beveiliging, heldere communicatie en een werkbare noodvoorziening horen daar volgens onze redactie vanzelfsprekend bij.
Cyberattaque à la RFCB : la colombophilie est également vulnérable
La Royale Fédération Colombophile Belge annonce que son site a subi une cyberattaque les 6 et 7 octobre. Des données personnelles de membres pourraient avoir été dérobées. L’enquête sur l’étendue exacte de l’incident se poursuit.
La colombophilie est elle aussi vulnérable aux risques numériques. Illustration symbolique créée avec l’IA.
Que dit la fédération ?
Selon le communiqué du 14 octobre, des coordonnées, dates de naissance et informations relatives à l’affiliation et aux colombiers pourraient être concernées. À la connaissance actuelle de la RFCB, le fichier ne contient ni données bancaires, ni numéros de registre national, ni mots de passe. La fédération a bloqué l’accès non autorisé, renforce la sécurité et a signalé l’incident à l’Autorité de protection des données.
Notre analyse : une numérisation résiliente
Pour Pigeon Magazine, cet incident souligne l’importance de la sécurité des données en colombophilie. Derrière chaque fichier de membres se trouvent des personnes qui doivent pouvoir compter sur une gestion soigneuse de leurs informations. Notre rédaction estime que fédérations, sociétés et fournisseurs doivent expliquer quelles données sont conservées, qui y accède et comment ils réagissent en cas de problème. Des sauvegardes utilisables sont-elles disponibles et leur restauration a-t-elle été testée ?
Et la constatation électronique ?
Le communiqué ne permet pas d’affirmer que des systèmes de constatation électronique ont été touchés ou que des heures d’arrivée ont été modifiées. Nous ne pouvons donc pas en tirer cette conclusion. Il pose néanmoins une question plus large : que se passe-t-il lorsqu’un service central ou une connexion Internet tombe en panne ?
Continuer à enregistrer de façon autonome
Nous privilégions des systèmes capables de continuer à enregistrer les arrivées localement, de manière autonome et vérifiable. Les données peuvent être transmises après le rétablissement de la connexion, en conservant les enregistrements originaux et la traçabilité des modifications. Cette autonomie protège le déroulement du concours. La protection des données personnelles exige parallèlement des mesures de sécurité distinctes.
Rester vigilant
Un message contenant votre nom ou des informations sur votre passion ne mérite pas automatiquement votre confiance. Vérifiez toute demande inattendue par un moyen de contact déjà connu. Ne communiquez ni mots de passe ni codes de vérification. Notre sport mérite des outils numériques fiables, une communication claire et une solution de secours opérationnelle.
Cyberattack at the KBDB: pigeon racing is vulnerable too
The Royal Belgian Pigeon Racing Federation reports that its website was attacked on 6 and 7 October. Members’ personal data may have been stolen. The investigation into the exact extent continues.
Pigeon sport is vulnerable to digital threats too. Symbolic AI-generated illustration.
What does the federation report?
According to its 14 October announcement, contact details, dates of birth and information about membership and pigeon lofts may be involved. Based on its current information, the affected file contains no banking details, national register numbers or passwords. The federation has blocked unauthorised access, is strengthening security and has notified the Data Protection Authority.
Our view: digital services need resilience
For Pigeon Magazine, this incident highlights the importance of data security in pigeon racing. Behind every membership record is a person entitled to careful handling of their information. Our editorial view is that federations, clubs and suppliers should explain what data they retain, who can access it and how they respond when something goes wrong. Recovery matters too: are usable backups available, and has restoration been tested?
What about electronic timing?
The announcement provides no basis for claiming that electronic timing systems were affected or arrival records altered. We must not draw that conclusion. It does, however, raise a wider design question: what happens when a central service or internet connection fails?
Keep recording independently
We favour timing systems that can continue recording arrivals independently, locally and in a verifiable way. Data can be transmitted when connectivity returns, preserving original records and making changes traceable. This independence protects the continuity of the race. Separate security measures remain necessary to protect personal data.
Be alert to personal approaches
A message containing your name or details about your hobby should not automatically be trusted. Verify unexpected requests through a contact channel you already know. Never share passwords or verification codes. Our sport deserves reliable digital services, clear communication and a workable fallback.
Cyberangriff auf die KBDB: Auch der Taubensport ist verwundbar
Der Königliche Belgische Taubenzüchterverband meldet einen Angriff auf seine Website am 6. und 7. Oktober. Dabei könnten personenbezogene Daten von Mitgliedern entwendet worden sein. Das genaue Ausmaß wird noch untersucht.
Auch der Taubensport ist digital verwundbar. Symbolische, mit KI erstellte Illustration.
Was meldet der Verband?
Laut Mitteilung vom 14. Oktober könnten Kontaktdaten, Geburtsdaten sowie Angaben zur Mitgliedschaft und zu Taubenschlägen betroffen sein. Nach aktuellem Kenntnisstand enthält die betroffene Datei keine Bankdaten, nationalen Registernummern oder Passwörter. Der Verband hat den unbefugten Zugang gesperrt, verstärkt die Sicherheit und hat die Datenschutzbehörde informiert.
Für Pigeon Magazine unterstreicht dieser Vorfall die Bedeutung der Datensicherheit im Taubensport. Hinter jedem Mitgliedsdatensatz steht ein Mensch, der einen sorgfältigen Umgang mit seinen Angaben erwarten darf. Verbände, Vereine und Anbieter sollten erklären, welche Daten sie speichern, wer Zugriff hat und wie sie auf Vorfälle reagieren. Sind brauchbare Sicherungskopien vorhanden und wurde die Wiederherstellung getestet?
Und die elektronische Konstatierung?
Die Mitteilung belegt weder einen Angriff auf elektronische Konstatiersysteme noch veränderte Ankunftsdaten. Diese Schlussfolgerung dürfen wir daraus nicht ziehen. Sie wirft jedoch eine grundsätzliche Frage auf: Was passiert, wenn ein zentraler Dienst oder die Internetverbindung ausfällt?
Ankünfte weiterhin selbstständig erfassen
Wir bevorzugen Systeme, die Ankünfte eigenständig, lokal und überprüfbar weiter erfassen können. Nach Wiederherstellung der Verbindung lassen sich die Daten übertragen. Originalaufzeichnungen müssen erhalten und Änderungen nachvollziehbar bleiben. Diese Unabhängigkeit schützt den Ablauf des Wettflugs. Zum Schutz personenbezogener Daten bleiben zusätzliche Sicherheitsmaßnahmen erforderlich.
Bei persönlichen Nachrichten aufmerksam bleiben
Eine Nachricht mit Ihrem Namen oder Angaben zu Ihrem Hobby verdient nicht automatisch Vertrauen. Prüfen Sie unerwartete Anfragen über einen bereits bekannten Kontaktweg. Geben Sie keine Passwörter oder Bestätigungscodes weiter. Unser Sport verdient verlässliche digitale Dienste, klare Kommunikation und eine funktionierende Notlösung.
Ciberataque a la KBDB: la colombofilia también es vulnerable
La Real Federación Colombófila Belga informa de que su web sufrió un ataque los días 6 y 7 de octubre. Es posible que se hayan sustraído datos personales de socios. La investigación sobre el alcance exacto continúa.
La colombofilia también es vulnerable a las amenazas digitales. Ilustración simbólica creada con IA.
¿Qué comunica la federación?
Según el comunicado del 14 de octubre, podrían estar afectados datos de contacto, fechas de nacimiento e información sobre afiliación y palomares. Con la información disponible actualmente, el archivo no contiene datos bancarios, números del registro nacional ni contraseñas. La federación ha bloqueado el acceso no autorizado, refuerza la seguridad y ha notificado el incidente a la Autoridad de Protección de Datos.
Nuestra valoración: la digitalización necesita resiliencia
Para Pigeon Magazine, este incidente destaca la importancia de proteger los datos en la colombofilia. Detrás de cada ficha hay una persona que debe poder confiar en una gestión cuidadosa de su información. Federaciones, clubes y proveedores deberían explicar qué datos conservan, quién accede a ellos y cómo actúan ante un incidente. ¿Existen copias de seguridad utilizables y se ha probado su restauración?
¿Y la constatación electrónica?
El comunicado no permite afirmar que se hayan visto afectados sistemas de constatación electrónica ni que se hayan modificado registros de llegada. No debemos extraer esa conclusión. Sí plantea una cuestión más amplia: ¿qué ocurre cuando falla un servicio central o la conexión a Internet?
Seguir registrando de forma autónoma
Preferimos sistemas capaces de seguir registrando las llegadas de forma autónoma, local y verificable. Al restablecerse la conexión, pueden transmitirse los datos, conservando los registros originales y la trazabilidad de los cambios. Esta autonomía protege la continuidad del concurso. La protección de los datos personales requiere además medidas de seguridad específicas.
Atención a los mensajes personalizados
Un mensaje que incluya su nombre o información sobre su afición no merece automáticamente su confianza. Compruebe cualquier solicitud inesperada mediante un canal de contacto que ya conozca. No comparta contraseñas ni códigos de verificación. Nuestro deporte merece servicios digitales fiables, comunicación clara y una alternativa operativa ante fallos.
Als de cloud uitvalt, moet de constatering doorgaan
Elektronische constateersystemen hebben de duivensport veel gemak gebracht. Aankomsten verschijnen direct op de telefoon, gegevens worden automatisch doorgestuurd en uitslagen kunnen sneller worden verwerkt. Maar de recente cyberaanvallen op supermarkten stellen een belangrijke vraag: wat blijft er van een systeem over wanneer de verbinding met de buitenwereld moet worden verbroken?
Supermarkten als waarschuwing
Op 12 en 13 oktober berichtten kranten en persbureaus over cyberaanvallen op de koelinstallaties van Franse supermarkten. Volgens Associated Press meldde de Franse minister van Financiën dat ongeveer 700 winkels waren getroffen. Aanvallers manipuleerden instellingen van de koeling; voedsel moest worden weggegooid. [1]
Le Monde berichtte op 13 oktober dat na installaties met Danfoss-technologie ook apparatuur van Dixell was getroffen. Het gevaar bleef dus niet beperkt tot één merk. [2]
Deze gebeurtenissen bewijzen niet dat alle getroffen installaties uitsluitend via de cloud werkten. Ze laten wel zien hoe ingrijpend de gevolgen kunnen zijn wanneer verbonden apparatuur op afstand wordt ontregeld. De vergelijking met de duivensport betreft die afhankelijkheid en de noodzaak om zelfstandig te kunnen doorgaan. Er is in de aangehaalde berichtgeving geen bewijs van eenzelfde aanval op constateersystemen voor postduiven.
Een aankomst kan niet worden overgedaan
Voor een liefhebber is het verschil tussen een vertraagde melding en een ontbrekende constatering essentieel.
Wanneer een duif lokaal correct wordt geregistreerd en alleen de melding naar de telefoon uitblijft, kunnen de oorspronkelijke aankomstgegevens behouden blijven. Wanneer de registratie zelf een beschikbare server of internetverbinding nodig heeft, kan uitval de wedstrijdregistratie raken. Een aankomst die niet is vastgelegd, kan achteraf niet betrouwbaar worden gereconstrueerd.
Daarom moet duidelijk zijn wat een fabrikant bedoelt met “werken via de cloud”. Wordt alleen een kopie doorgestuurd, of is de cloud nodig om de aankomst vast te leggen, de chip te herkennen of het systeem actief te houden? Dat zijn verschillende situaties.
Meer risico’s dan alleen hackers
Een uitsluitend van online diensten afhankelijk systeem kan kwetsbaar zijn voor een internetstoring, uitval bij de leverancier, een aanval die servers onbereikbaar maakt of een noodzakelijke veiligheidsmaatregel waarbij diensten tijdelijk worden afgesloten. Dit zijn mogelijke scenario’s, geen vastgestelde tekortkomingen van een bepaald merk.
Ook de betrouwbaarheid van gegevens verdient aandacht. Voor een uitslag telt niet alleen of gegevens beschikbaar zijn, maar ook of kan worden aangetoond dat chipnummer, wedstrijd en aankomsttijd ongewijzigd zijn gebleven. Eén centrale storing kan bovendien meerdere aangesloten liefhebbers tegelijk treffen.
Een tweede internetverbinding kan helpen bij een plaatselijk verbindingsprobleem. Zij biedt geen oplossing wanneer dezelfde centrale dienst onbereikbaar is.
Zelfstandig constateren, daarna doorsturen
Onze redactionele aanbeveling is daarom een systeem waarbij de essentiële wedstrijdregistratie lokaal blijft functioneren, naast de mogelijkheden van de cloud.
Dat betekent dat het apparaat bij het hok de chip leest, de aankomsttijd vastlegt en de gegevens bewaart zonder op een antwoord van een externe server te wachten. De benodigde wedstrijdgegevens moeten vooraf lokaal beschikbaar zijn. Een betrouwbare lokale klok moet de tijd gedurende de toegestane periode kunnen bijhouden wanneer de externe tijdsynchronisatie wegvalt.
Na herstel van een veilige verbinding kunnen de bewaarde constateringen alsnog worden doorgestuurd. Daarbij moet de oorspronkelijke aankomsttijd behouden blijven; het tijdstip van verzending mag die niet vervangen. Dubbele verzendingen mogen evenmin dubbele constateringen opleveren.
Deze aanbeveling sluit aan bij het Britse National Cyber Security Centre. Dat adviseert om systemen met kritieke functies waar mogelijk zo te ontwerpen dat ze van externe verbindingen kunnen worden losgekoppeld en zelfstandig blijven functioneren. Zo’n noodprocedure moet ook worden getest. [3]
Lokale opslag alleen is overigens onvoldoende wanneer toegang op afstand dezelfde gegevens kan wissen of veranderen. Bescherming van de originele registratie, controleerbare wijzigingslogboeken en beveiligde toegang blijven noodzakelijk. Ook een lokaal systeem vraagt onderhoud en een passende noodstroomvoorziening.
Een praktische vraag aan fabrikanten en bonden
Laat vóór het seizoen demonstreren wat er gebeurt wanneer de internetverbinding wordt verbroken en de cloud niet bereikbaar is. Blijven alle aankomsten geregistreerd? Overleven de gegevens een herstart? Kunnen ze zonder cloudverbinding worden uitgelezen? En worden ze na herstel met hun oorspronkelijke tijden verwerkt?
Bonden moeten vooraf duidelijk vastleggen onder welke voorwaarden zulke lokaal bewaarde constateringen worden aanvaard. Technische mogelijkheden en wedstrijdregels moeten op elkaar aansluiten.
De cloud biedt waardevolle diensten. Maar voor het beslissende moment — de aankomst van de duif — pleit Pigeon Magazine voor aantoonbare zelfstandigheid. De liefhebber moet erop kunnen vertrouwen dat de constatering doorgaat, ook wanneer de online wereld tijdelijk stilstaat.
Si le cloud tombe en panne, la constatation doit continuer
Les systèmes de constatation électronique ont apporté beaucoup de confort à la colombophilie. Les arrivées apparaissent immédiatement sur le téléphone, les données sont transmises automatiquement et les résultats peuvent être traités plus rapidement. Mais les récentes cyberattaques contre des supermarchés posent une question essentielle : que reste-t-il d’un système lorsque sa connexion avec l’extérieur doit être coupée ?
Les supermarchés comme avertissement
Les 12 et 13 octobre, la presse a relaté des cyberattaques contre les installations frigorifiques de supermarchés français. Selon Associated Press, le ministre français des Finances a indiqué qu’environ 700 magasins étaient touchés. Les attaquants ont modifié les réglages de réfrigération ; des denrées ont dû être jetées. [1]
Le Monde a rapporté le 13 octobre qu’après les installations utilisant la technologie Danfoss, des équipements Dixell avaient également été visés. Le danger ne se limitait donc pas à une seule marque. [2]
Ces événements ne prouvent pas que toutes les installations concernées fonctionnaient exclusivement dans le cloud. Ils montrent cependant les conséquences graves d’une manipulation à distance d’équipements connectés. La comparaison avec la colombophilie porte sur cette dépendance et sur la nécessité de pouvoir continuer de manière autonome. Les informations citées ne démontrent aucune attaque similaire contre des systèmes de constatation pour pigeons voyageurs.
Une arrivée ne peut pas être recommencée
Pour le colombophile, la différence entre une notification retardée et une constatation manquante est essentielle. Si l’arrivée est correctement enregistrée localement et que seule la notification téléphonique manque, les données originales peuvent être conservées. Si l’enregistrement dépend d’un serveur disponible ou d’une connexion Internet, une panne peut compromettre la constatation du concours. Une arrivée non enregistrée ne peut pas être reconstituée de manière fiable après coup.
Il faut donc préciser ce que signifie « fonctionner dans le cloud ». Seule une copie est-elle transmise, ou le cloud est-il nécessaire pour enregistrer l’arrivée, reconnaître la puce ou maintenir le système en service ? Ce sont des situations différentes.
Des risques au-delà du piratage
Un système dépendant exclusivement de services en ligne peut subir une panne Internet, une indisponibilité du fournisseur, une attaque rendant les serveurs inaccessibles ou une fermeture temporaire des services pour raisons de sécurité. Il s’agit de scénarios possibles, pas de défauts établis d’une marque particulière.
La fiabilité des données mérite aussi une attention particulière. Il faut pouvoir démontrer que le numéro de puce, le concours et l’heure d’arrivée sont restés inchangés. Une panne centrale peut toucher plusieurs colombophiles simultanément. Une seconde connexion Internet peut aider en cas de problème local, mais pas lorsque le même service central est indisponible.
Constater de manière autonome, puis transmettre
La rédaction recommande un système dont l’enregistrement essentiel du concours fonctionne localement, en complément des possibilités du cloud.
L’appareil au colombier doit lire la puce, enregistrer l’heure d’arrivée et conserver les données sans attendre une réponse d’un serveur extérieur. Les données nécessaires au concours doivent être disponibles localement à l’avance. Une horloge locale fiable doit maintenir l’heure pendant la durée autorisée lorsque la synchronisation extérieure disparaît.
Une fois une connexion sûre rétablie, les constatations conservées peuvent être transmises. L’heure originale d’arrivée doit être préservée ; l’heure d’envoi ne doit pas la remplacer. Des transmissions répétées ne doivent pas produire des constatations en double.
Cette recommandation rejoint celle du National Cyber Security Centre britannique : les systèmes assurant des fonctions critiques devraient, lorsque cela est possible, être conçus pour pouvoir être isolés des connexions extérieures et fonctionner indépendamment. La procédure doit aussi être testée. [3]
Le stockage local ne suffit toutefois pas si un accès distant permet d’effacer ou de modifier les mêmes données. La protection de l’enregistrement original, des journaux de modifications vérifiables et un accès sécurisé restent nécessaires. Un système local exige également un entretien et une alimentation de secours adaptée.
Une question pratique aux fabricants et aux fédérations
Avant la saison, demandons une démonstration avec Internet coupé et le cloud inaccessible. Toutes les arrivées restent-elles enregistrées ? Les données survivent-elles à un redémarrage ? Peut-on les lire sans cloud ? Après rétablissement, sont-elles traitées avec leurs heures originales ?
Les fédérations doivent définir à l’avance les conditions d’acceptation des constatations conservées localement. Les possibilités techniques et les règlements des concours doivent être cohérents.
Le cloud offre des services précieux. Mais pour l’instant décisif — l’arrivée du pigeon — Pigeon Magazine défend une autonomie démontrable. Le colombophile doit pouvoir compter sur une constatation qui continue, même lorsque le monde en ligne s’arrête temporairement.
Electronic timing systems have brought considerable convenience to pigeon racing. Arrivals appear immediately on a phone, data is transmitted automatically and results can be processed faster. But recent cyberattacks on supermarkets raise an essential question: what remains operational when a system’s connection to the outside world must be cut?
Supermarkets as a warning
On 12 and 13 October, newspapers and news agencies reported cyberattacks on refrigeration installations at French supermarkets. According to Associated Press, France’s finance minister said around 700 stores were affected. Attackers manipulated refrigeration settings; food had to be discarded. [1]
On 13 October, Le Monde reported that equipment from Dixell had also been targeted after installations using Danfoss technology. The danger was therefore not confined to one brand. [2]
These events do not prove that all the affected installations relied exclusively on the cloud. They do show the serious consequences of remotely disrupting connected equipment. The comparison with pigeon racing concerns that dependence and the need to keep operating independently. The reporting cited provides no evidence of a similar attack on pigeon timing systems.
An arrival cannot be repeated
For a fancier, the difference between a delayed notification and a missing timing record is essential. If an arrival is correctly recorded locally and only the phone notification fails, the original arrival data can remain intact. If recording itself requires an available server or Internet connection, an outage can affect race recording. An unrecorded arrival cannot reliably be reconstructed afterwards.
Manufacturers must therefore explain what they mean by “working through the cloud”. Is only a copy transmitted, or is the cloud required to record an arrival, recognise a chip or keep the system active? These are different situations.
Risks beyond hackers
A system relying exclusively on online services may be affected by an Internet outage, a supplier’s service failure, an attack making servers unreachable or a necessary security measure temporarily shutting services down. These are possible scenarios, not established defects in any particular brand.
Data integrity also matters. A result requires proof that the chip number, race and arrival time have remained unchanged. One central outage can affect several connected fanciers simultaneously. A second Internet connection may help with a local connection problem, but cannot restore an unavailable central service.
Record independently, transmit afterwards
Our editorial recommendation is a system whose essential race recording continues locally alongside the cloud’s capabilities.
The device at the loft should read the chip, record the arrival time and store the data without waiting for a reply from an external server. Required race data should be available locally beforehand. A reliable local clock must keep time for the permitted period when external time synchronisation is unavailable.
Once a safe connection has been restored, stored records can be transmitted. The original arrival time must be retained; the transmission time must not replace it. Repeated transmissions must not create duplicate arrivals.
This recommendation aligns with the UK National Cyber Security Centre’s advice: wherever possible, systems providing critical functions should be designed to allow isolation from external connections and independent operation. The procedure must also be tested. [3]
Local storage alone is insufficient if remote access can erase or alter the same data. Protection of the original record, verifiable change logs and secure access remain necessary. A local system also needs maintenance and suitable backup power.
A practical question for manufacturers and federations
Before the season, ask for a demonstration with the Internet disconnected and the cloud unavailable. Are all arrivals still recorded? Do the records survive a restart? Can they be read without the cloud? After recovery, are they processed with their original times?
Federations must define in advance the conditions under which locally stored records will be accepted. Technical capabilities and racing rules must work together.
The cloud offers valuable services. But for the decisive moment — the pigeon’s arrival — Pigeon Magazine advocates demonstrable independence. Fanciers must be able to trust that timing continues even when the online world temporarily stops.
Wenn die Cloud ausfällt, muss die Konstatierung weitergehen
Elektronische Konstatiersysteme haben den Brieftaubensport erheblich erleichtert. Ankünfte erscheinen sofort auf dem Telefon, Daten werden automatisch übertragen und Ergebnisse können schneller verarbeitet werden. Doch die jüngsten Cyberangriffe auf Supermärkte werfen eine wichtige Frage auf: Was funktioniert noch, wenn die Verbindung eines Systems nach außen getrennt werden muss?
Supermärkte als Warnung
Am 12. und 13. Oktober berichteten Zeitungen und Nachrichtenagenturen über Cyberangriffe auf Kühlanlagen französischer Supermärkte. Laut Associated Press erklärte der französische Finanzminister, dass etwa 700 Geschäfte betroffen waren. Angreifer manipulierten die Kühleinstellungen; Lebensmittel mussten entsorgt werden. [1]
Le Monde berichtete am 13. Oktober, dass nach Anlagen mit Danfoss-Technik auch Geräte von Dixell angegriffen worden waren. Die Gefahr beschränkte sich somit nicht auf eine Marke. [2]
Diese Ereignisse beweisen nicht, dass alle betroffenen Anlagen ausschließlich über die Cloud funktionierten. Sie zeigen aber die erheblichen Folgen einer Manipulation vernetzter Geräte aus der Ferne. Der Vergleich mit dem Brieftaubensport betrifft diese Abhängigkeit und die Notwendigkeit, selbstständig weiterarbeiten zu können. Die angeführten Berichte liefern keinen Beleg für einen entsprechenden Angriff auf Konstatiersysteme für Brieftauben.
Eine Ankunft lässt sich nicht wiederholen
Für einen Züchter ist der Unterschied zwischen einer verspäteten Benachrichtigung und einer fehlenden Konstatierung entscheidend. Wird die Ankunft vor Ort korrekt erfasst und bleibt lediglich die Meldung auf dem Telefon aus, können die ursprünglichen Ankunftsdaten erhalten bleiben. Benötigt die Erfassung selbst einen verfügbaren Server oder eine Internetverbindung, kann ein Ausfall die Wettflugaufzeichnung beeinträchtigen. Eine nicht aufgezeichnete Ankunft lässt sich nachträglich nicht zuverlässig rekonstruieren.
Deshalb muss klar sein, was ein Hersteller mit „über die Cloud arbeiten“ meint. Wird lediglich eine Kopie übertragen, oder ist die Cloud erforderlich, um die Ankunft zu erfassen, den Chip zu erkennen oder das System betriebsbereit zu halten? Das sind unterschiedliche Situationen.
Mehr Risiken als nur Hacker
Ein ausschließlich von Onlinediensten abhängiges System kann durch einen Internetausfall, eine Störung beim Anbieter, einen Angriff auf die Erreichbarkeit der Server oder eine vorübergehende Abschaltung aus Sicherheitsgründen beeinträchtigt werden. Dies sind mögliche Szenarien, keine festgestellten Mängel einer bestimmten Marke.
Auch die Unverändertheit der Daten ist wichtig. Für ein Ergebnis muss nachweisbar sein, dass Chipnummer, Wettflug und Ankunftszeit unverändert geblieben sind. Ein zentraler Ausfall kann mehrere angeschlossene Züchter gleichzeitig treffen. Eine zweite Internetverbindung hilft möglicherweise bei einer örtlichen Verbindungsstörung, aber nicht beim Ausfall desselben zentralen Dienstes.
Selbstständig erfassen, anschließend übertragen
Die Redaktion empfiehlt ein System, bei dem die wesentliche Wettflugaufzeichnung zusätzlich zu den Möglichkeiten der Cloud vor Ort weiter funktioniert.
Das Gerät am Schlag muss den Chip lesen, die Ankunftszeit erfassen und die Daten speichern, ohne auf die Antwort eines externen Servers zu warten. Erforderliche Wettflugdaten müssen vorher lokal verfügbar sein. Eine zuverlässige lokale Uhr muss die Zeit während des zulässigen Zeitraums weiterführen können, wenn die externe Zeitsynchronisierung ausfällt.
Nach Wiederherstellung einer sicheren Verbindung können die gespeicherten Konstatierungen übertragen werden. Dabei muss die ursprüngliche Ankunftszeit erhalten bleiben; die Übertragungszeit darf sie nicht ersetzen. Wiederholte Übertragungen dürfen keine doppelten Konstatierungen erzeugen.
Diese Empfehlung entspricht dem Ansatz des britischen National Cyber Security Centre: Systeme mit kritischen Funktionen sollten nach Möglichkeit so gestaltet werden, dass sie von externen Verbindungen getrennt werden und unabhängig funktionieren können. Das Verfahren muss auch getestet werden. [3]
Lokale Speicherung allein genügt jedoch nicht, wenn ein Fernzugriff dieselben Daten löschen oder verändern kann. Der Schutz der Originalaufzeichnung, überprüfbare Änderungsprotokolle und gesicherter Zugriff bleiben notwendig. Auch ein lokales System benötigt Wartung und eine geeignete Notstromversorgung.
Eine praktische Frage an Hersteller und Verbände
Vor der Saison sollte demonstriert werden, was bei getrennter Internetverbindung und unerreichbarer Cloud geschieht. Werden alle Ankünfte weiterhin erfasst? Überstehen die Daten einen Neustart? Lassen sie sich ohne Cloud auslesen? Werden sie nach Wiederherstellung mit den ursprünglichen Zeiten verarbeitet?
Verbände müssen vorab eindeutig festlegen, unter welchen Bedingungen lokal gespeicherte Konstatierungen anerkannt werden. Technische Möglichkeiten und Wettflugregeln müssen zusammenpassen.
Die Cloud bietet wertvolle Dienste. Für den entscheidenden Moment — die Ankunft der Taube — setzt sich Pigeon Magazine jedoch für nachweisbare Eigenständigkeit ein. Der Züchter muss darauf vertrauen können, dass die Konstatierung weitergeht, auch wenn die Onlinewelt vorübergehend stillsteht.
Los sistemas de constatación electrónica han aportado mucha comodidad a la colombofilia. Las llegadas aparecen inmediatamente en el teléfono, los datos se transmiten automáticamente y los resultados pueden procesarse más rápido. Pero los recientes ciberataques contra supermercados plantean una pregunta fundamental: ¿qué sigue funcionando cuando hay que cortar la conexión de un sistema con el exterior?
Los supermercados como advertencia
Los días 12 y 13 de octubre, periódicos y agencias informaron sobre ciberataques contra instalaciones de refrigeración de supermercados franceses. Según Associated Press, el ministro francés de Finanzas indicó que unos 700 establecimientos estaban afectados. Los atacantes manipularon los ajustes de refrigeración y hubo que desechar alimentos. [1]
Le Monde informó el 13 de octubre de que, después de las instalaciones con tecnología Danfoss, también habían sido atacados equipos Dixell. El peligro no se limitaba, por tanto, a una sola marca. [2]
Estos hechos no demuestran que todas las instalaciones afectadas funcionaran exclusivamente mediante la nube. Sí muestran las graves consecuencias de alterar a distancia equipos conectados. La comparación con la colombofilia se refiere a esa dependencia y a la necesidad de poder seguir trabajando de forma autónoma. Las noticias citadas no aportan pruebas de un ataque similar contra sistemas de constatación de palomas mensajeras.
Una llegada no se puede repetir
Para el colombófilo, la diferencia entre una notificación retrasada y una constatación perdida es esencial. Si la llegada se registra correctamente en el equipo local y solo falla el aviso al teléfono, los datos originales pueden conservarse. Si el propio registro necesita un servidor disponible o conexión a Internet, una interrupción puede afectar a la constatación del concurso. Una llegada no registrada no se puede reconstruir después de forma fiable.
Por eso hay que aclarar qué significa «funcionar mediante la nube». ¿Solo se envía una copia, o se necesita la nube para registrar la llegada, reconocer el chip o mantener activo el sistema? Son situaciones distintas.
Riesgos más allá de los piratas informáticos
Un sistema que depende exclusivamente de servicios en línea puede verse afectado por una avería de Internet, una interrupción del proveedor, un ataque que haga inaccesibles los servidores o un cierre temporal de los servicios por razones de seguridad. Son escenarios posibles, no defectos demostrados de una marca concreta.
También importa la integridad de los datos. Para un resultado hay que poder demostrar que el número del chip, el concurso y la hora de llegada permanecen inalterados. Una avería central puede afectar a varios colombófilos a la vez. Una segunda conexión a Internet puede ayudar ante un problema local, pero no cuando el mismo servicio central está inaccesible.
Registrar de forma autónoma y transmitir después
La redacción recomienda un sistema en el que el registro esencial del concurso siga funcionando localmente, junto con las posibilidades de la nube.
El dispositivo del palomar debe leer el chip, registrar la hora de llegada y conservar los datos sin esperar la respuesta de un servidor externo. Los datos necesarios del concurso deben estar disponibles localmente de antemano. Un reloj local fiable debe mantener la hora durante el período permitido cuando falte la sincronización externa.
Una vez restablecida una conexión segura, pueden enviarse las constataciones guardadas. Debe conservarse la hora original de llegada; la hora de transmisión no debe sustituirla. Los envíos repetidos tampoco deben generar constataciones duplicadas.
Esta recomendación coincide con el criterio del National Cyber Security Centre británico: siempre que sea posible, los sistemas con funciones críticas deben diseñarse para poder aislarse de las conexiones externas y funcionar de manera independiente. El procedimiento también debe probarse. [3]
Sin embargo, almacenar localmente no basta si un acceso remoto puede borrar o modificar esos mismos datos. Siguen siendo necesarios la protección del registro original, historiales de cambios verificables y un acceso seguro. Un sistema local también requiere mantenimiento y una alimentación de respaldo adecuada.
Una pregunta práctica para fabricantes y federaciones
Antes de la temporada, pidamos una demostración con Internet desconectado y la nube inaccesible. ¿Se registran todas las llegadas? ¿Los datos sobreviven a un reinicio? ¿Pueden leerse sin la nube? ¿Se procesan con sus horas originales después de restablecer el servicio?
Las federaciones deben definir previamente las condiciones de aceptación de las constataciones almacenadas localmente. Las posibilidades técnicas y los reglamentos de los concursos deben ser coherentes.
La nube ofrece servicios valiosos. Pero para el momento decisivo — la llegada de la paloma — Pigeon Magazine defiende una autonomía demostrable. El colombófilo debe poder confiar en que la constatación continúa aunque el mundo en línea se detenga temporalmente.
In de voorgaande artikelen besprak Pigeon Magazine de elektronische constateersystemen, hun onderlinge compatibiliteit en de compatibiliteit van chipringen. Dit derde deel behandelt de financiële kant: wat kost een chipring in verschillende landen, wie produceert die en wat verklaart de prijsverschillen?
Wat betaalt de liefhebber en wie produceert de ringen?
Daarmee komen techniek, regelgeving en kosten samen in één vraag: welke keuze heeft de duivenliefhebber werkelijk?
Geen vaste Europese prijs
Een elektronische constateerring heeft geen uniforme prijs. Merk, uitvoering, leverancier en bestelhoeveelheid bepalen het bedrag. Ook btw, verzending en eventuele servicevoorwaarden spelen mee.
Onderstaande vergelijking betreft openbare aanbiedingen en prijslijsten, geen landelijke gemiddelden. Het gaat om elektronische chipringen, niet om vaste jaarringen.
Nederland: de NPO-prijslijst
De NPO vermeldt voor 2026:
Chipring
Prijs per stuk
MEGA Hitag-S
€1,30
BENZING Hitag-S
€1,40
BRICON
€1,45
TIPES Motz Hitag-S
€1,45
TauRIS Hitag-S
€1,60
UNIKON Hitag-S
€1,65
Daarnaast vermeldt de prijslijst een nabestellingsvergoeding van €25. Die bijkomende kosten zijn niet verwerkt in bovenstaande bedragen. [1]
België: BRICON voor €1,75
De Belgische leverancier Top Pigeon/Topishop biedt tien BRICON 5000-ringen aan voor €17,50: €1,75 per ring. De productpagina licht btw en verzendkosten niet afzonderlijk toe. [2]
Voor BENZING en UNIKON in België is binnen dit onderzoek nog geen verifieerbare actuele openbare verkoopprijs gevonden. Het Belgische overzicht is daarmee onvolledig.
Frankrijk: BENZING met hoeveelheidskorting
Ledoux in Rollot biedt de groene BENZING Pro NPO-ring aan vanaf vijftig stuks.
Bestelhoeveelheid
Prijs per ring, inclusief btw
50–100
€1,80
101–500
€1,75
501–1.000
€1,70
Vanaf 1.001
€1,65
Deze grenzen volgen de kortingstabel op de website. De beschrijvende tekst gebruikt iets andere grenswaarden; bij een bestelling op zo’n grens moet het tarief worden gecontroleerd. Verzendkosten zijn niet meegerekend. [3]
Ook is een rechtstreeks BRICON-bestelformulier voor Belgische en Franse federatieleden gevonden. Dat document dateert uit 2022. De daarop vermelde bedragen worden daarom niet als actuele prijzen opgenomen. [4]
Duitsland: de TIPES-staffel
AEG ID publiceert voor de TIPES 600+:
Bestelhoeveelheid
Prijs per ring, inclusief btw
Vanaf 25
€1,50
Vanaf 50
€1,45
Vanaf 100
€1,40
Vanaf 250
€1,29
Vanaf 500
€1,28
Vanaf 1.000
€1,27
Vanaf 2.000
€1,26
Porto en verpakking komen daar nog bij. De laagste prijs geldt dus bij minstens tweeduizend ringen. [5]
Engeland: Britse BENZING-prijzen
BENZING UK biedt honderd Pro1-ringen aan voor £155, oftewel £1,55 per ring. Honderd Pro²-ringen kosten £170, oftewel £1,70 per ring. Beide bedragen staan als aanbieding vermeld.
Bij aankoop per stuk bedragen de prijzen £1,60 voor de Pro1 en £1,75 voor de Pro². De bedragen blijven hier in ponden staan, zodat wisselkoersschommelingen de vergelijking niet beïnvloeden. [6]
Het eerder genoemde Britse UNIKON-tarief van £1,45 was een voorwaardelijk clubtarief dat volgens de overeenkomst tot 31 maart 2026 gold. Het wordt daarom niet als actuele algemene winkelprijs gebruikt. [7]
China: HITAG S256 voor $0,50–$0,70
Shenzhen Yuanle Trading biedt op Made-in-China een elektronische duivenring aan met volgens de leverancier een HITAG S256-chip, voor $0,50–$0,70 per stuk, bij een minimumafname van honderd ringen.
Honderd ringen kosten daarmee $50–$70, vóór transport en eventuele invoer- en belastingkosten. Het betreft een openbare prijsindicatie; actuele leverbaarheid en een definitieve offerte zijn niet bevestigd. [8]
Het opgegeven chiptype maakt deze aanbieding relevant. Het FCI-overzicht vermeldt HITAG-S-technologie bij verschillende merkchipringen, waaronder BRICON 5000, BENZING Pro en UNIKON UCR3. [9]
Een vergelijkbaar chiptype betekent nog geen gelijkwaardige complete ring. Antenne, behuizing, programmering, beveiliging en kwaliteitscontrole kunnen verschillen. Voor deze specifieke Chinese aanbieding is binnen dit onderzoek geen wedstrijdgoedkeuring of geteste compatibiliteit vastgesteld.
De aanbieding is daarmee een vergelijkingspunt voor de prijs, maar nog geen aangetoond bruikbaar alternatief voor een goedgekeurde wedstrijdring.
Wie produceert de Europese chipringen?
De bedrijven achter de merken zijn grotendeels bekend. De precieze productie- en assemblageketen is niet voor ieder merk openbaar vastgesteld.
Merk/ring
Bedrijf achter het product
Vastgestelde productie-informatie
BENZING Pro / Pro²
Gantner Pigeon Systems, Oostenrijk
Specifieke productielocatie van de ringen niet bevestigd
BRICON 5000
BRICON nv, België
Productie- en assemblageketen niet volledig vastgesteld
UNIKON UCR3
deister electronic, Duitsland
Specifieke productielocatie van de ring niet bevestigd
TIPES 600+
AEG ID, Duitsland
Fabrikant vermeldt expliciet “Made in Germany”
TauRIS
Rüter EPV-Systeme, Duitsland
Specifieke productielocatie van de ring niet bevestigd
Een Europees bedrijfsadres bewijst niet dat alle onderdelen uit dat land komen. Omgekeerd is in dit onderzoek geen bewijs gevonden dat deze Europese merkchipringen in China worden geproduceerd. [4, 5, 10–13]
De producent van de chip moet bovendien worden onderscheiden van de producent van de complete ring. HITAG-S is een chipfamilie van NXP Semiconductors, in oudere documentatie aangeduid als Philips. Andere ondernemingen verwerken die technologie in een ring met antenne, kunststof behuizing en programmering. [14]
Wat verklaart het prijsverschil?
De gevonden europrijzen lopen van €1,26 tot €1,80 per ring. Die uitersten betreffen verschillende merken en bestelhoeveelheden. Ze vormen daarom geen betrouwbare ranglijst van goedkope en dure landen.
Ook de Nederlandse BRICON-notering van €1,45 tegenover de Belgische aanbieding van €1,75 verdient nadere vergelijking. Eerst moet worden vastgesteld of uitvoering, codering en leveringsvoorwaarden gelijk zijn.
De Chinese aanbieding roept een aanvullende vraag op: welk deel van de Europese verkoopprijs betreft de ring zelf en welk deel betreft programmering, keuring, kwaliteitscontrole, distributie, ondersteuning en marge?
Een Chinese aanbiedingsprijs bewijst niet wat de fabricage van een Europese merkchipring kost. Het prijsverschil bewijst evenmin een buitensporige winst. Daarvoor ontbreken gegevens over de volledige kosten en productieketen.
Kosten en keuzevrijheid
De prijs is pas werkelijk vergelijkbaar wanneer duidelijk is welke ring de liefhebber mag en kan gebruiken. Een goedkope ring biedt weinig voordeel wanneer zijn constateersysteem hem niet aanvaardt of hij niet voor wedstrijden wordt toegelaten.
Daarom horen bij iedere prijs duidelijke antwoorden: voor welke systemen is deze ring geschikt, in welke landen is hij toegelaten en welke beperkingen gelden?
Leveranciers bepalen de uitvoering en programmering van hun producten. Federaties stellen de voorwaarden voor wedstrijdgebruik vast. Voor de liefhebber moet inzichtelijk zijn hoe die technische en reglementaire voorwaarden zijn aankoopmogelijkheden beïnvloeden.
Slotconclusie
De elektronische systemen, hun compatibiliteit en de bruikbaarheid van chipringen bepalen samen welke aankoopmogelijkheden de liefhebber heeft. De prijs kan daarvan niet los worden gezien.
De gevonden prijzen verschillen. De productieketen en de verklaring van die verschillen zijn nog niet volledig inzichtelijk. Dat rechtvaardigt concrete vragen aan leveranciers en federaties, zonder onbewezen conclusies over winst, herkomst of commerciële motieven te trekken.
Pigeon Magazine vraagt om openbare, gedateerde prijslijsten en duidelijke informatie over producent, productieland, compatibiliteit en wedstrijdtoelating.
De liefhebber moet kunnen begrijpen waarvoor hij betaalt, waarom een ring wel of niet wordt aanvaard en welke keuze hij werkelijk heeft.
Dans les articles précédents, Pigeon Magazine a étudié les systèmes de constatation électronique, leur compatibilité mutuelle et celle des bagues. Cette troisième partie aborde les aspects financiers : combien coûte une bague dans différents pays, qui la fabrique et qu’est-ce qui explique les écarts de prix ?
Que paie l’amateur et qui fabrique les bagues ?
Technique, réglementation et coûts se rejoignent dans une question : de quel choix l’amateur dispose-t-il réellement ?
Pas de prix européen uniforme
Une bague de constatation électronique n’a pas de prix uniforme. Marque, modèle, fournisseur et quantité commandée déterminent le montant. TVA, livraison et éventuelles conditions de service comptent également.
Cette comparaison porte sur des offres et tarifs publics, non sur des moyennes nationales. Elle concerne les bagues électroniques, pas les bagues matricules annuelles.
Pays-Bas : le tarif de la NPO
La NPO publie les prix suivants pour 2026 :
Bague électronique
Prix unitaire
MEGA Hitag-S
€1,30
BENZING Hitag-S
€1,40
BRICON
€1,45
TIPES Motz Hitag-S
€1,45
TauRIS Hitag-S
€1,60
UNIKON Hitag-S
€1,65
Le tarif prévoit également 25 € de frais pour une commande complémentaire. Ces frais ne sont pas inclus dans les montants ci-dessus. [1]
Belgique : BRICON à 1,75 €
Le fournisseur belge Top Pigeon/Topishop propose dix bagues BRICON 5000 pour 17,50 €, soit 1,75 € chacune. La page ne précise pas séparément la TVA et les frais de livraison. [2]
Cette recherche n’a pas encore permis de trouver un prix public actuel vérifiable pour BENZING et UNIKON en Belgique. Le relevé belge reste donc incomplet.
France : BENZING et remises quantitatives
Ledoux, à Rollot, propose la bague verte BENZING Pro NPO à partir de cinquante unités.
Quantité commandée
Prix par bague, TVA comprise
50–100
€1,80
101–500
€1,75
501–1.000
€1,70
À partir de 1.001
€1,65
Ces seuils suivent le tableau des remises du site. Le texte descriptif utilise des seuils légèrement différents : une commande située à une limite nécessite donc une vérification. La livraison n’est pas comprise dans cette comparaison. [3]
Un bon de commande direct BRICON destiné aux membres des fédérations belge et française a également été retrouvé. Il date de 2022 ; ses prix ne sont donc pas présentés comme actuels. [4]
Allemagne : les tarifs dégressifs TIPES
AEG ID publie les tarifs suivants pour la TIPES 600+ :
Quantité commandée
Prix par bague, TVA comprise
À partir de 25
€1,50
À partir de 50
€1,45
À partir de 100
€1,40
À partir de 250
€1,29
À partir de 500
€1,28
À partir de 1.000
€1,27
À partir de 2.000
€1,26
Port et emballage s’ajoutent. Le prix le plus bas nécessite donc au moins deux mille bagues. [5]
Angleterre : les prix britanniques BENZING
BENZING UK propose cent bagues Pro1 pour 155 £, soit 1,55 £ chacune. Cent Pro² coûtent 170 £, soit 1,70 £ chacune. Les deux montants sont affichés comme promotions.
À l’unité, les prix sont de 1,60 £ pour la Pro1 et de 1,75 £ pour la Pro². Ils restent exprimés en livres afin de ne pas introduire de fluctuations de change dans la comparaison. [6]
Le tarif britannique UNIKON de 1,45 £ précédemment cité était réservé aux clubs sous conditions et, selon l’accord, valable jusqu’au 31 mars 2026. Il n’est donc pas utilisé comme prix de détail général actuel. [7]
Chine : HITAG S256 à 0,50–0,70 $
Sur Made-in-China, Shenzhen Yuanle Trading propose une bague électronique pour pigeon équipée, selon le fournisseur, d’une puce HITAG S256, à 0,50–0,70 $ l’unité, pour une commande minimale de cent bagues.
Cent bagues représentent 50–70 $, avant transport et éventuels frais d’importation et taxes. Il s’agit d’une indication publique : disponibilité actuelle et devis définitif ne sont pas confirmés. [8]
Le type de puce annoncé rend cette offre pertinente. Le tableau FCI mentionne la technologie HITAG-S pour plusieurs bagues de marque, notamment BRICON 5000, BENZING Pro et UNIKON UCR3. [9]
Une puce comparable ne prouve pas l’équivalence de la bague complète. Antenne, boîtier, programmation, sécurité et contrôle qualité peuvent différer. Cette recherche n’a établi ni agrément sportif ni compatibilité testée pour cette offre chinoise précise.
L’offre constitue donc un point de comparaison du prix, mais pas encore une alternative démontrée à une bague agréée.
Qui fabrique les bagues européennes ?
Les entreprises derrière les marques sont largement identifiées. La chaîne précise de fabrication et d’assemblage n’est pas publiquement établie pour chacune.
Marque/bague
Entreprise derrière le produit
Informations établies sur la production
BENZING Pro / Pro²
Gantner Pigeon Systems, Autriche
Lieu précis de fabrication des bagues non confirmé
BRICON 5000
BRICON nv, Belgique
Chaîne de fabrication et d’assemblage non entièrement établie
UNIKON UCR3
deister electronic, Allemagne
Lieu précis de fabrication de la bague non confirmé
TIPES 600+
AEG ID, Allemagne
Le fabricant indique explicitement « Made in Germany »
TauRIS
Rüter EPV-Systeme, Allemagne
Lieu précis de fabrication de la bague non confirmé
Une adresse européenne ne prouve pas que tous les composants proviennent du pays concerné. Inversement, cette recherche n’a trouvé aucune preuve que ces bagues européennes de marque soient fabriquées en Chine. [4, 5, 10–13]
Le fabricant de la puce doit être distingué du fabricant de la bague complète. HITAG-S est une famille de puces de NXP Semiconductors, désignée Philips dans des documents anciens. D’autres entreprises l’intègrent dans une bague avec antenne, boîtier plastique et programmation. [14]
Comment expliquer les écarts ?
Les prix relevés en euros vont de 1,26 à 1,80 € par bague. Ces extrêmes concernent différentes marques et quantités. Ils ne permettent donc pas de classer fiablement les pays par coût.
Le prix néerlandais BRICON de 1,45 €, face à l’offre belge de 1,75 €, mérite également une comparaison plus précise. Il faut d’abord vérifier que modèle, codage et conditions de livraison sont identiques.
L’offre chinoise soulève une autre question : quelle part du prix européen correspond à la bague et quelle part à la programmation, aux essais, au contrôle qualité, à la distribution, au support et à la marge ?
Un prix chinois ne démontre pas le coût de fabrication d’une bague européenne de marque. L’écart ne prouve pas davantage un bénéfice excessif. Les données sur les coûts complets et la chaîne de production manquent.
Coût et liberté de choix
Le prix devient réellement comparable quand on sait quelle bague l’amateur peut utiliser et est autorisé à utiliser. Une bague moins chère offre peu d’intérêt si son système la refuse ou si elle n’est pas autorisée en concours.
Chaque prix doit donc s’accompagner de réponses claires : systèmes compatibles, pays d’agrément et restrictions applicables.
Les fournisseurs déterminent la conception et la programmation des produits. Les fédérations fixent les conditions d’utilisation en concours. L’amateur doit pouvoir comprendre leur influence sur ses possibilités d’achat.
Conclusion
Les systèmes électroniques, leur compatibilité et l’utilisation possible des bagues déterminent ensemble les choix d’achat de l’amateur. Le prix ne peut en être séparé.
Les prix constatés diffèrent. La chaîne de production et l’explication des écarts restent partiellement inconnues. Cela justifie des questions précises aux fournisseurs et fédérations, sans conclusions non démontrées sur les bénéfices, l’origine ou les motivations commerciales.
Pigeon Magazine demande des tarifs publics datés et des informations claires sur le fabricant, le pays de production, la compatibilité et l’agrément sportif.
L’amateur doit comprendre ce qu’il paie, pourquoi une bague est acceptée ou refusée et de quel choix il dispose réellement.
Previous Pigeon Magazine articles examined electronic timing systems, their compatibility with one another and the compatibility of electronic rings. This third part addresses the financial side: what do rings cost in different countries, who makes them, and what explains the price differences?
What does the fancier pay, and who makes the rings?
Technology, rules and costs meet in one question: what choice does the fancier really have?
No uniform European price
Electronic timing rings have no uniform price. Brand, model, supplier and order size determine the amount. VAT, shipping and any service conditions also matter.
This comparison covers public offers and price lists, not national averages. It concerns electronic rings, not permanent annual identification rings.
The Netherlands: the NPO price list
The NPO lists the following prices for 2026:
Electronic ring
Price per ring
MEGA Hitag-S
€1,30
BENZING Hitag-S
€1,40
BRICON
€1,45
TIPES Motz Hitag-S
€1,45
TauRIS Hitag-S
€1,60
UNIKON Hitag-S
€1,65
The list also specifies a €25 additional-order fee. These extra costs are not included in the ring prices above. [1]
Belgium: BRICON at €1.75
Belgian supplier Top Pigeon/Topishop offers ten BRICON 5000 rings for €17.50, or €1.75 each. The product page does not separately explain VAT and shipping charges. [2]
This research has not yet found a verifiable current public selling price for BENZING or UNIKON in Belgium. The Belgian overview therefore remains incomplete.
France: BENZING quantity discounts
Ledoux in Rollot offers the green BENZING Pro NPO ring with a minimum order of fifty.
Order quantity
Price per ring, including VAT
50–100
€1,80
101–500
€1,75
501–1.000
€1,70
From 1.001
€1,65
These thresholds follow the website’s discount table. The descriptive text uses slightly different boundaries, so orders at a boundary need a price check. Shipping is not included in this comparison. [3]
A direct BRICON order form for Belgian and French federation members was also found. It dates from 2022, so its prices are not presented as current. [4]
Germany: TIPES quantity pricing
AEG ID publishes the following prices for the TIPES 600+:
Order quantity
Price per ring, including VAT
From 25
€1,50
From 50
€1,45
From 100
€1,40
From 250
€1,29
From 500
€1,28
From 1.000
€1,27
From 2.000
€1,26
Postage and packaging are extra. The lowest price therefore requires at least two thousand rings. [5]
England: British BENZING prices
BENZING UK offers one hundred Pro1 rings for £155, or £1.55 each. One hundred Pro² rings cost £170, or £1.70 each. Both prices are advertised as sale offers.
Single-ring prices are £1.60 for the Pro1 and £1.75 for the Pro². They remain in pounds here so exchange-rate movements do not affect the comparison. [6]
The previously quoted British UNIKON price of £1.45 was a conditional club rate valid, according to the agreement, until 31 March 2026. It is therefore not used as a current general retail price. [7]
China: HITAG S256 at $0.50–$0.70
On Made-in-China, Shenzhen Yuanle Trading offers an electronic pigeon ring with what the supplier describes as a HITAG S256 chip, at $0.50–$0.70 each, with a minimum order of one hundred.
One hundred rings therefore cost $50–$70 before shipping and any import charges and taxes. This is a public price indication; current availability and a final quotation have not been confirmed. [8]
The stated chip type makes this offer relevant. The FCI overview lists HITAG-S technology in several branded rings, including BRICON 5000, BENZING Pro and UNIKON UCR3. [9]
A comparable chip type does not establish an equivalent complete ring. Antenna, housing, programming, security and quality control may differ. This research has established neither racing approval nor tested compatibility for this particular Chinese offer.
The offer is therefore a price comparison point, but not yet a demonstrated usable alternative to an approved racing ring.
Who makes European electronic rings?
The companies behind the brands are largely known. The precise manufacturing and assembly chain has not been publicly established for every brand.
Brand/ring
Company behind the product
Established production information
BENZING Pro / Pro²
Gantner Pigeon Systems, Austria
Specific ring manufacturing location not confirmed
BRICON 5000
BRICON nv, Belgium
Manufacturing and assembly chain not fully established
UNIKON UCR3
deister electronic, Germany
Specific ring manufacturing location not confirmed
TIPES 600+
AEG ID, Germany
Manufacturer explicitly states “Made in Germany”
TauRIS
Rüter EPV-Systeme, Germany
Specific ring manufacturing location not confirmed
A European business address does not prove that all components come from that country. Conversely, this research found no evidence that these European branded rings are manufactured in China. [4, 5, 10–13]
The chip producer must also be distinguished from the complete-ring producer. HITAG-S is a chip family from NXP Semiconductors, identified as Philips in older documents. Other companies incorporate that technology into rings with an antenna, plastic housing and programming. [14]
What explains the differences?
The euro prices found range from €1.26 to €1.80 per ring. These extremes concern different brands and order sizes. They cannot reliably rank countries as cheap or expensive.
The Dutch BRICON listing of €1.45 against the Belgian offer of €1.75 also deserves closer comparison. First, the model, coding and delivery terms must be confirmed as equivalent.
The Chinese offer raises another question: how much of the European selling price covers the ring itself, and how much covers programming, testing, quality control, distribution, support and margin?
A Chinese offer does not establish the manufacturing cost of a European branded ring. Nor does the difference prove excessive profit. Full cost and supply-chain data are missing.
Cost and freedom of choice
Prices are truly comparable only when it is clear which ring the fancier can and is permitted to use. A cheaper ring offers little benefit if the timing system rejects it or it is not allowed in races.
Each price therefore needs clear answers: which systems support the ring, in which countries is it approved, and what restrictions apply?
Suppliers determine their products’ design and programming. Federations set racing-use conditions. Fanciers must be able to understand how those technical and regulatory conditions affect their purchasing options.
Conclusion
Electronic systems, their compatibility and the usability of rings jointly determine fanciers’ purchasing options. Price cannot be separated from them.
The prices found differ. The supply chain and the explanation of those differences remain partly unclear. This justifies specific questions to suppliers and federations without unproven conclusions about profit, origin or commercial motives.
Pigeon Magazine calls for public, dated price lists and clear information on the producer, manufacturing country, compatibility and racing approval.
Fanciers should understand what they pay for, why a ring is accepted or rejected, and what choice they really have.
In den vorherigen Artikeln untersuchte Pigeon Magazine elektronische Konstatiersysteme, ihre gegenseitige Kompatibilität und die Kompatibilität von Chipringen. Dieser dritte Teil behandelt die finanzielle Seite: Was kostet ein Ring in verschiedenen Ländern, wer stellt ihn her und was erklärt die Preisunterschiede?
Was zahlt der Züchter, und wer stellt die Ringe her?
Technik, Regelwerk und Kosten treffen in einer Frage zusammen: Welche Wahl hat der Züchter tatsächlich?
Kein einheitlicher europäischer Preis
Elektronische Konstatierringe haben keinen einheitlichen Preis. Marke, Ausführung, Anbieter und Bestellmenge bestimmen den Betrag. Auch Mehrwertsteuer, Versand und mögliche Servicebedingungen spielen eine Rolle.
Dieser Vergleich betrifft öffentliche Angebote und Preislisten, keine Landesdurchschnitte. Gemeint sind elektronische Chipringe, nicht die festen Jahresringe.
Niederlande: die NPO-Preisliste
Die NPO nennt für 2026 folgende Preise:
Chipring
Stückpreis
MEGA Hitag-S
€1,30
BENZING Hitag-S
€1,40
BRICON
€1,45
TIPES Motz Hitag-S
€1,45
TauRIS Hitag-S
€1,60
UNIKON Hitag-S
€1,65
Die Preisliste nennt außerdem 25 € Nachbestellgebühr. Diese zusätzlichen Kosten sind in den obigen Ringpreisen nicht enthalten. [1]
Belgien: BRICON für 1,75 €
Der belgische Anbieter Top Pigeon/Topishop bietet zehn BRICON-5000-Ringe für 17,50 € an: 1,75 € je Ring. Die Produktseite erläutert Mehrwertsteuer und Versandkosten nicht gesondert. [2]
Für BENZING und UNIKON in Belgien wurde bei dieser Recherche noch kein überprüfbarer aktueller öffentlicher Verkaufspreis gefunden. Die belgische Übersicht bleibt unvollständig.
Frankreich: BENZING mit Mengenrabatt
Ledoux in Rollot bietet den grünen BENZING-Pro-NPO-Ring ab fünfzig Stück an.
Bestellmenge
Ringpreis inklusive Mehrwertsteuer
50–100
€1,80
101–500
€1,75
501–1.000
€1,70
Ab 1.001
€1,65
Diese Grenzen folgen der Rabatttabelle der Website. Der Beschreibungstext verwendet etwas andere Grenzen; bei Bestellungen an einer Grenze muss der Preis geprüft werden. Versandkosten sind nicht eingerechnet. [3]
Auch ein direktes BRICON-Bestellformular für belgische und französische Verbandsmitglieder wurde gefunden. Es stammt aus 2022; die darin genannten Preise werden deshalb nicht als aktuell übernommen. [4]
Deutschland: TIPES-Staffelpreise
AEG ID veröffentlicht für TIPES 600+ folgende Preise:
Bestellmenge
Ringpreis inklusive Mehrwertsteuer
Ab 25
€1,50
Ab 50
€1,45
Ab 100
€1,40
Ab 250
€1,29
Ab 500
€1,28
Ab 1.000
€1,27
Ab 2.000
€1,26
Porto und Verpackung kommen hinzu. Der niedrigste Preis setzt mindestens zweitausend Ringe voraus. [5]
England: britische BENZING-Preise
BENZING UK bietet hundert Pro1-Ringe für 155 £ an, also 1,55 £ je Ring. Hundert Pro² kosten 170 £, also 1,70 £ je Ring. Beide Preise sind als Sonderangebote gekennzeichnet.
Bei Einzelkauf kosten Pro1-Ringe 1,60 £ und Pro²-Ringe 1,75 £. Die Preise bleiben hier in Pfund, damit Wechselkursschwankungen den Vergleich nicht beeinflussen. [6]
Der zuvor genannte britische UNIKON-Preis von 1,45 £ war ein an Bedingungen geknüpfter Vereinspreis, der laut Vereinbarung bis 31. März 2026 galt. Er wird daher nicht als aktueller allgemeiner Ladenpreis verwendet. [7]
China: HITAG S256 für 0,50–0,70 $
Shenzhen Yuanle Trading bietet auf Made-in-China einen elektronischen Taubenring mit nach Anbieterangaben einem HITAG-S256-Chip für 0,50–0,70 $ je Stück bei mindestens hundert Ringen an.
Hundert Ringe kosten somit 50–70 $ vor Transport sowie möglichen Einfuhrkosten und Steuern. Es ist eine öffentliche Preisangabe; aktuelle Lieferbarkeit und ein verbindliches Angebot sind nicht bestätigt. [8]
Der angegebene Chiptyp macht das Angebot relevant. Die FCI-Übersicht nennt HITAG-S-Technologie bei mehreren Markenringen, darunter BRICON 5000, BENZING Pro und UNIKON UCR3. [9]
Ein vergleichbarer Chiptyp bedeutet noch keinen gleichwertigen vollständigen Ring. Antenne, Gehäuse, Programmierung, Sicherheit und Qualitätskontrolle können abweichen. Für dieses konkrete chinesische Angebot wurden weder Wettkampfzulassung noch geprüfte Kompatibilität festgestellt.
Das Angebot ist somit ein Preisvergleichspunkt, aber noch keine nachweislich nutzbare Alternative zu einem zugelassenen Wettkampfring.
Wer produziert die europäischen Chipringe?
Die Unternehmen hinter den Marken sind weitgehend bekannt. Die genaue Produktions- und Montagekette ist jedoch nicht für jede Marke öffentlich festgestellt.
Marke/Ring
Unternehmen hinter dem Produkt
Festgestellte Produktionsinformationen
BENZING Pro / Pro²
Gantner Pigeon Systems, Österreich
Genauer Produktionsort der Ringe nicht bestätigt
BRICON 5000
BRICON nv, Belgien
Produktions- und Montagekette nicht vollständig festgestellt
UNIKON UCR3
deister electronic, Deutschland
Genauer Produktionsort des Rings nicht bestätigt
TIPES 600+
AEG ID, Deutschland
Hersteller nennt ausdrücklich „Made in Germany“
TauRIS
Rüter EPV-Systeme, Deutschland
Genauer Produktionsort des Rings nicht bestätigt
Eine europäische Firmenadresse beweist nicht, dass alle Teile aus diesem Land stammen. Umgekehrt wurde bei dieser Recherche kein Beleg gefunden, dass diese europäischen Markenringe in China gefertigt werden. [4, 5, 10–13]
Der Chiphersteller ist außerdem vom Hersteller des kompletten Rings zu unterscheiden. HITAG-S ist eine Chipfamilie von NXP Semiconductors, in älteren Unterlagen als Philips bezeichnet. Andere Unternehmen verarbeiten diese Technik zu Ringen mit Antenne, Kunststoffgehäuse und Programmierung. [14]
Was erklärt die Preisunterschiede?
Die gefundenen Europreise reichen von 1,26 bis 1,80 € je Ring. Die Extremwerte betreffen verschiedene Marken und Bestellmengen. Sie erlauben keine verlässliche Rangliste günstiger und teurer Länder.
Auch der niederländische BRICON-Preis von 1,45 € gegenüber dem belgischen Angebot von 1,75 € verdient einen genaueren Vergleich. Zuerst muss feststehen, ob Ausführung, Codierung und Lieferbedingungen gleich sind.
Das chinesische Angebot wirft eine weitere Frage auf: Welcher Anteil des europäischen Verkaufspreises entfällt auf den Ring selbst, und welcher auf Programmierung, Prüfung, Qualitätskontrolle, Vertrieb, Unterstützung und Marge?
Ein chinesischer Angebotspreis beweist nicht die Herstellungskosten eines europäischen Markenrings. Der Preisunterschied beweist auch keinen übermäßigen Gewinn. Dafür fehlen vollständige Kosten- und Produktionsdaten.
Kosten und Wahlfreiheit
Ein Preis ist erst wirklich vergleichbar, wenn feststeht, welchen Ring der Züchter verwenden kann und darf. Ein günstiger Ring hilft wenig, wenn ihn das Konstatiersystem ablehnt oder er nicht für Wettflüge zugelassen ist.
Zu jedem Preis gehören deshalb klare Antworten: Welche Systeme unterstützen den Ring, in welchen Ländern ist er zugelassen und welche Einschränkungen gelten?
Anbieter bestimmen Ausführung und Programmierung ihrer Produkte. Verbände legen die Bedingungen für den Wettkampfeinsatz fest. Züchter müssen nachvollziehen können, wie diese technischen und reglementarischen Bedingungen ihre Kaufmöglichkeiten beeinflussen.
Schlussfolgerung
Elektronische Systeme, ihre Kompatibilität und die Nutzbarkeit von Chipringen bestimmen gemeinsam die Kaufmöglichkeiten. Der Preis lässt sich davon nicht trennen.
Die gefundenen Preise unterscheiden sich. Produktionskette und Ursachen der Unterschiede sind noch nicht vollständig transparent. Das rechtfertigt konkrete Fragen an Anbieter und Verbände, ohne unbelegte Schlüsse über Gewinne, Herkunft oder kommerzielle Motive zu ziehen.
Pigeon Magazine fordert öffentliche, datierte Preislisten und klare Angaben zu Hersteller, Produktionsland, Kompatibilität und Wettkampfzulassung.
Züchter müssen verstehen können, wofür sie zahlen, warum ein Ring akzeptiert oder abgelehnt wird und welche Wahl sie tatsächlich haben.
En los artículos anteriores, Pigeon Magazine examinó los sistemas de constatación electrónica, su compatibilidad mutua y la compatibilidad de las anillas. Esta tercera parte aborda el aspecto económico: cuánto cuesta una anilla en distintos países, quién la fabrica y qué explica las diferencias de precio.
¿Qué paga el aficionado y quién fabrica las anillas?
Tecnología, reglamentación y costes confluyen en una pregunta: ¿qué elección tiene realmente el aficionado?
No existe un precio europeo uniforme
Una anilla electrónica de constatación no tiene un precio uniforme. Marca, modelo, proveedor y cantidad determinan el importe. También cuentan el IVA, el envío y posibles condiciones de servicio.
Esta comparación recoge ofertas y tarifas públicas, no promedios nacionales. Se refiere a anillas electrónicas, no a las anillas fijas anuales de identificación.
Países Bajos: la tarifa de la NPO
La NPO publica los siguientes precios para 2026:
Anilla electrónica
Precio unitario
MEGA Hitag-S
€1,30
BENZING Hitag-S
€1,40
BRICON
€1,45
TIPES Motz Hitag-S
€1,45
TauRIS Hitag-S
€1,60
UNIKON Hitag-S
€1,65
La tarifa también indica 25 € de recargo para pedidos adicionales. Estos gastos no están incluidos en los precios anteriores. [1]
Bélgica: BRICON a 1,75 €
El proveedor belga Top Pigeon/Topishop ofrece diez anillas BRICON 5000 por 17,50 €, es decir, 1,75 € cada una. La página no explica por separado el IVA y los gastos de envío. [2]
Esta investigación aún no ha encontrado un precio público actual verificable de BENZING o UNIKON en Bélgica. El panorama belga sigue siendo incompleto.
Francia: descuentos por cantidad de BENZING
Ledoux, en Rollot, ofrece la anilla verde BENZING Pro NPO a partir de cincuenta unidades.
Cantidad del pedido
Precio por anilla, IVA incluido
50–100
€1,80
101–500
€1,75
501–1.000
€1,70
Desde 1.001
€1,65
Estos límites siguen la tabla de descuentos de la web. El texto descriptivo utiliza límites algo distintos: conviene comprobar el precio al pedir una cantidad situada en un límite. El envío no se ha incluido. [3]
También se encontró un formulario de pedido directo de BRICON para miembros de las federaciones belga y francesa. Está fechado en 2022, por lo que sus precios no se presentan como actuales. [4]
Alemania: tarifas por cantidad de TIPES
AEG ID publica las siguientes tarifas para TIPES 600+:
Cantidad del pedido
Precio por anilla, IVA incluido
Desde 25
€1,50
Desde 50
€1,45
Desde 100
€1,40
Desde 250
€1,29
Desde 500
€1,28
Desde 1.000
€1,27
Desde 2.000
€1,26
Se añaden portes y embalaje. El precio mínimo exige al menos dos mil anillas. [5]
Inglaterra: precios británicos de BENZING
BENZING UK ofrece cien anillas Pro1 por 155 £, o 1,55 £ cada una. Cien Pro² cuestan 170 £, o 1,70 £ cada una. Ambos importes figuran como ofertas.
Por unidad, la Pro1 cuesta 1,60 £ y la Pro² 1,75 £. Se mantienen en libras para evitar que las fluctuaciones cambiarias afecten a la comparación. [6]
La tarifa británica UNIKON de 1,45 £ citada anteriormente era un precio para clubes sujeto a condiciones, válido según el acuerdo hasta el 31 de marzo de 2026. No se utiliza como precio minorista general actual. [7]
China: HITAG S256 por 0,50–0,70 $
Shenzhen Yuanle Trading ofrece en Made-in-China una anilla electrónica para palomas con un chip HITAG S256, según el proveedor, por 0,50–0,70 $ la unidad, con un pedido mínimo de cien.
Cien anillas cuestan así 50–70 $, antes del transporte y de posibles gastos de importación e impuestos. Es una indicación pública: no se han confirmado disponibilidad actual ni presupuesto definitivo. [8]
El chip declarado hace pertinente la oferta. El cuadro de la FCI menciona tecnología HITAG-S en varias anillas de marca, entre ellas BRICON 5000, BENZING Pro y UNIKON UCR3. [9]
Un chip comparable no demuestra que la anilla completa sea equivalente. Antena, carcasa, programación, seguridad y control de calidad pueden variar. Esta investigación no ha establecido homologación deportiva ni compatibilidad probada para esta oferta china concreta.
La oferta sirve como referencia de precio, pero todavía no es una alternativa utilizable demostrada a una anilla de competición homologada.
¿Quién fabrica las anillas europeas?
Las empresas detrás de las marcas se conocen en gran medida. La cadena exacta de fabricación y montaje no está públicamente establecida para todas ellas.
Marca/anilla
Empresa detrás del producto
Información de producción establecida
BENZING Pro / Pro²
Gantner Pigeon Systems, Austria
Lugar exacto de fabricación de las anillas no confirmado
BRICON 5000
BRICON nv, Bélgica
Cadena de fabricación y montaje no completamente establecida
UNIKON UCR3
deister electronic, Alemania
Lugar exacto de fabricación de la anilla no confirmado
TIPES 600+
AEG ID, Alemania
El fabricante indica expresamente «Made in Germany»
TauRIS
Rüter EPV-Systeme, Alemania
Lugar exacto de fabricación de la anilla no confirmado
Una dirección empresarial europea no demuestra que todos los componentes procedan de ese país. A la inversa, esta investigación no encontró pruebas de que estas anillas europeas de marca se fabriquen en China. [4, 5, 10–13]
El fabricante del chip debe distinguirse del fabricante de la anilla completa. HITAG-S es una familia de chips de NXP Semiconductors, identificada como Philips en documentos antiguos. Otras empresas integran esa tecnología en una anilla con antena, carcasa plástica y programación. [14]
¿Qué explica las diferencias?
Los precios encontrados en euros van de 1,26 a 1,80 € por anilla. Esos extremos corresponden a marcas y cantidades distintas. No permiten clasificar fiablemente los países como baratos o caros.
El precio neerlandés de BRICON de 1,45 € frente a la oferta belga de 1,75 € también merece una comparación más precisa. Primero hay que confirmar que modelo, codificación y condiciones de entrega sean equivalentes.
La oferta china plantea otra pregunta: ¿qué parte del precio europeo corresponde a la anilla y qué parte a programación, pruebas, control de calidad, distribución, asistencia y margen?
Un precio anunciado en China no demuestra el coste de fabricar una anilla europea de marca. La diferencia tampoco demuestra un beneficio excesivo. Faltan datos sobre costes completos y cadena de producción.
Coste y libertad de elección
El precio solo es realmente comparable cuando se sabe qué anilla puede utilizar el aficionado y cuál está autorizado a utilizar. Una anilla barata aporta poco si el sistema la rechaza o no se admite en competición.
Cada precio debe acompañarse de respuestas claras: sistemas compatibles, países donde está homologada y restricciones aplicables.
Los proveedores determinan diseño y programación. Las federaciones fijan las condiciones de uso deportivo. El aficionado debe comprender cómo esas condiciones técnicas y reglamentarias afectan a sus opciones de compra.
Conclusión
Los sistemas electrónicos, su compatibilidad y la posibilidad de utilizar las anillas determinan conjuntamente las opciones de compra del aficionado. El precio no puede separarse de ellos.
Los precios encontrados difieren. La cadena de producción y la explicación de las diferencias siguen siendo parcialmente desconocidas. Esto justifica preguntas concretas a proveedores y federaciones, sin conclusiones no demostradas sobre beneficios, origen o motivos comerciales.
Pigeon Magazine pide tarifas públicas fechadas e información clara sobre fabricante, país de producción, compatibilidad y homologación deportiva.
El aficionado debe comprender qué paga, por qué se acepta o rechaza una anilla y qué elección tiene realmente.
Elektronische constateersystemen: welke keuze is bedrijfszeker en toekomstbestendig?
Bij de keuze tussen BENZING, BRICON, UNIKON, TauRIS, Tipes en Mega gaat het niet alleen om de aanschafprijs. Bedrijfszekerheid, eenvoudige bediening, ondersteuning en de mogelijkheid om later nieuwe functies toe te voegen zijn minstens zo belangrijk.
Met bedrijfszekerheid wordt bedoeld: blijft het systeem correct constateren wanneer internet, de cloud, een smartphone of de stroomvoorziening tijdelijk uitvalt? Er bestaan geen openbare, onafhankelijke storingscijfers waarmee kan worden bewezen dat één merk altijd betrouwbaarder is. De beoordeling hieronder is daarom gebaseerd op de actuele systeemopbouw en de informatie van de fabrikanten.
Systeem
Bedrijfszekerheid
Bediening
Toekomst
BENZING
Hoog bij combinatie van lokale klok en Live ClubSystem
Express en M2 eenvoudig; M3 uitgebreider
Sterke ontwikkeling van cloud, apps en automatische updates
BRICON PAS
Goed, maar correcte cloudinstellingen zijn essentieel
Dagelijks zeer eenvoudig; beheer vraagt discipline
Cloudgericht, met verdere automatisering
UNIKON.race
Modern, maar afhankelijk van telefoon, Bluetooth en internet
Zeer eenvoudig voor smartphonegebruikers
Sterk software- en appgericht
TauRIS
Sterke, traditionele hardwarebasis
Duidelijke, fysieke bediening
Modulair uit te breiden met LTE en bediening op afstand
TIPES
Beproefde zelfstandige registratie met radiogestuurde tijdcontrole
Eenvoudig en modulair; clubverwerking via computer en beheersoftware
Uitbreidbaar met antennes, wifi en mobiele functies, afhankelijk van model
MEGA
Hardwaregericht systeem met lokale registratie
Compacte Mega Star; duiven kunnen zonder computer worden ingevoerd
Meerdere klok- en antennemodellen; updates en service blijven bepalend
BENZING: het meest complete ecosysteem
BENZING combineert eenvoudige klokken zoals Express G2 en M2 met de uitgebreidere M3, Smart Hub en het nieuwe Live ClubSystem. De Smart Hub 5 biedt mobiele communicatie, wifi, Bluetooth, GPS-controle, live meldingen en online firmware-updates. De oudere ClubSystem-generatie is uit productie; BENZING noemt het Live ClubSystem met cloudbeheer, mobiele verbinding, wifi en een redundante tijdbron als opvolger. Bestaande ClubSystems blijven volgens de fabrikant ondersteund.
Sterk: breed assortiment, lokale registratie naast livefuncties, meerdere tijdcontroles en duidelijke ontwikkeling naar automatische updates.
Let op: meer onderdelen en functies geven ook meer instellingen. Vraag of registratie lokaal doorgaat bij cloud- of netwerkuitval en of de communicatiemodule volledig op 4G kan blijven werken wanneer 2G en 3G verdwijnen.
BRICON PAS: zeer eenvoudig, maar instellingen zijn bepalend
BRICON PAS automatiseert veel handelingen. De PAS-box wordt op bestaande BRICON-antennes aangesloten; tijden, controles en documenten worden via de cloud verwerkt. Voor verenigingen kunnen vluchtselectie, inkorving en pdf-documenten grotendeels automatisch verlopen.
Sterk: plug-and-play, weinig bediening aan het hok en een overzicht via app en cloud.
Let op: een fout in coördinaten, vluchtkalender, chipregistratie, account of licentie kan centraal doorwerken. Controleer de limiet van het aantal duiven, voorkom dubbele chipregistraties en leg vast wat er gebeurt wanneer de cloud of internetverbinding uitvalt.
UNIKON.race: de smartphone als bedieningsscherm
UNIKON.race gebruikt een smartphone of tablet als belangrijkste bediening. Na het scannen van een persoonlijke QR-code zoekt de app via Bluetooth automatisch het apparaat. De vereniging kan vervolgens verschillende wedstrijdhandelingen op afstand uitvoeren. Volgens de actuele appinformatie zijn internet en een lidmaatschapscode noodzakelijk.
Sterk: weinig aparte bedieningstoestellen, realtime informatie en herkenbare bediening voor smartphonegebruikers.
Let op: afhankelijkheid van telefoon, batterij, Bluetooth, internet en ondersteuning van Android en iOS. Laat vooraf uitleggen welke functies tijdens een storing lokaal beschikbaar blijven.
TauRIS: traditioneel en modulair
TauRIS blijft sterker gericht op zelfstandige hardware. Het WORLD-terminal registreert volgens de fabrikant maximaal 1.000 duiven en de Compact XL maximaal 500. De systemen kunnen worden uitgebreid met LTE-meldingen en constateren op afstand. Dat past bij liefhebbers die fysieke bediening en minder voortdurende cloudafhankelijkheid verkiezen.
TIPES: beproefd, zelfstandig en modulair
TIPES is een volledig automatisch systeem dat aankomsttijden lokaal vastlegt met een radiogestuurde tijdmodule. De fabrikant biedt verschillende basisapparaten, antennes en uitbreidingen die onderling gecombineerd kunnen worden. Voor de verwerking in de vereniging zijn een computer, printer en beheersoftware nodig. Het sterke punt is de jarenlange praktijkervaring en de zelfstandige hardware; controleer bij oudere én nieuwe uitvoeringen welke wifi-, mobiele en exportfuncties werkelijk beschikbaar zijn.
MEGA: compacte klokken en traditionele hardware
MEGA is speciaal voor de duivensport ontwikkeld en werkt met eigen klokken, antennes en chipringen. De compacte Mega Star kan volgens de fabrikant duiven invoeren zonder computer; het uitgebreidere Mega System 3000 werkt met een afzonderlijk basisstation. Dit maakt MEGA aantrekkelijk voor gebruikers die een overzichtelijk, hardwaregericht systeem wensen. Let wel op de gebruikte softwareversie, de beschikbaarheid van service en onderdelen en de toelating door de nationale bond.
De verstandigste keuze
Voor een volledig nieuw totaalpakket is BENZING momenteel het meest zichtbaar toekomstgericht. Voor verenigingen die al veel BRICON-apparatuur gebruiken, is BRICON PAS vaak de praktischste overstap, mits het beheer en de noodprocedure goed zijn geregeld. UNIKON.race past bij digitaal ingestelde verenigingen. TauRIS, TIPES en MEGA zijn vooral interessant voor gebruikers die waarde hechten aan zelfstandige hardware, duidelijke lokale registratie en behoud van bestaande apparatuur.
Controleer vóór iedere aankoop of het systeem door de betrokken nationale bond is toegelaten en of bestaande antennes, chipringen en clubapparatuur bruikbaar blijven. Laat bovendien schriftelijk bevestigen dat lokale registratie doorgaat bij internetuitval, dat GPS of meerdere tijdbronnen worden gebruikt, dat gegevens exporteerbaar zijn en dat onderdelen en updates meerdere jaren beschikbaar blijven.
Het modernste systeem is niet automatisch het bedrijfszekerste. De beste oplossing combineert lokale registratie met cloudgemak, onafhankelijke tijdcontrole, een reserveverbinding en een vooraf geteste noodprocedure.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Systèmes de constatation électronique : quel choix est fiable et durable ?
Le choix entre BENZING, BRICON, UNIKON, TauRIS, Tipes et Mega ne dépend pas uniquement du prix d’achat. La fiabilité, la simplicité d’utilisation, l’assistance et les possibilités d’évolution sont tout aussi importantes.
La fiabilité opérationnelle signifie que le système continue à constater correctement lors d’une panne temporaire d’internet, du cloud, d’un smartphone ou de l’alimentation électrique. Il n’existe pas de statistiques publiques et indépendantes permettant de désigner une marque comme toujours plus fiable. Cette comparaison repose donc sur l’architecture actuelle des systèmes et les informations des fabricants.
Système
Fiabilité
Utilisation
Avenir
BENZING
Élevée avec une horloge locale et Live ClubSystem
Express et M2 simples ; M3 plus complet
Cloud, applications et mises à jour automatiques
BRICON PAS
Bonne, mais les réglages du cloud sont essentiels
Usage quotidien très simple ; gestion rigoureuse nécessaire
Orientation cloud et automatisation
UNIKON.race
Moderne, mais dépend du téléphone, du Bluetooth et d’internet
Très simple pour les utilisateurs de smartphone
Développement centré sur l’application
TauRIS
Base matérielle traditionnelle et solide
Commande physique claire
Extension modulaire, LTE et opérations à distance
TIPES
Enregistrement autonome éprouvé avec contrôle horaire radio
Simple et modulaire ; traitement au club par ordinateur
Antennes, wifi et fonctions mobiles selon le modèle
MEGA
Système matériel avec enregistrement local
Mega Star compact ; saisie des pigeons sans ordinateur
Plusieurs horloges et antennes ; mises à jour et service essentiels
BENZING : l’écosystème le plus complet
BENZING associe les horloges Express G2 et M2 à la M3, au Smart Hub et au Live ClubSystem. Le Smart Hub 5 propose la communication mobile, le wifi, le Bluetooth, le contrôle GPS, les notifications en direct et les mises à jour en ligne. L’ancien ClubSystem n’est plus produit ; son successeur est le Live ClubSystem avec gestion cloud et source horaire redondante.
Atout : vaste gamme, enregistrement local associé aux fonctions en direct et évolution technique visible.
Attention : vérifier la continuité de l’enregistrement lors d’une panne et le fonctionnement durable en 4G après l’arrêt des réseaux 2G et 3G.
BRICON PAS : très simple, mais tributaire des réglages
La PAS-box fonctionne avec les antennes BRICON existantes. Les temps, contrôles et documents sont traités dans le cloud ; la sélection des concours et les documents PDF peuvent être largement automatisés.
Atout : installation simple, peu de manipulations au colombier et suivi par application.
Attention : une erreur de coordonnées, de calendrier, de puce, de compte ou de licence peut se répercuter partout. Vérifier la limite du nombre de pigeons, éviter les doubles associations de puces et prévoir une procédure en cas de panne.
UNIKON.race : le smartphone comme écran
La commande principale s’effectue sur smartphone ou tablette. Après lecture d’un code QR personnel, l’application recherche automatiquement l’appareil par Bluetooth. Une connexion internet et un code d’adhésion sont nécessaires.
Atout : peu d’appareils supplémentaires, informations en temps réel et utilisation familière.
Attention : dépendance au téléphone, à la batterie, au Bluetooth, à internet et au maintien de l’application.
TauRIS : traditionnel et modulaire
TauRIS privilégie le matériel autonome. Le terminal WORLD enregistre jusqu’à 1 000 pigeons et le Compact XL jusqu’à 500 selon le fabricant. Des extensions LTE et de constatation à distance sont disponibles.
TIPES : éprouvé, autonome et modulaire
TIPES enregistre automatiquement les arrivées avec un module horaire radiocommandé. Les unités de base, antennes et extensions sont combinables ; le traitement au club utilise un ordinateur, une imprimante et un logiciel de gestion. Il faut vérifier les fonctions wifi, mobiles et d’exportation disponibles sur chaque génération.
MEGA : horloges compactes et matériel traditionnel
MEGA propose ses propres horloges, antennes et bagues électroniques. Le Mega Star permet, selon le fabricant, de saisir les pigeons sans ordinateur ; le Mega System 3000 utilise une station de base distincte. Il convient de vérifier la version du logiciel, le service, les pièces et l’homologation nationale.
Conclusion
BENZING présente aujourd’hui l’offre globale la plus clairement tournée vers l’avenir. BRICON PAS est souvent la transition la plus pratique pour un club déjà équipé en BRICON, à condition de bien organiser l’administration et la procédure de secours. UNIKON.race convient aux clubs très numériques. TauRIS, TIPES et MEGA intéressent surtout ceux qui privilégient un matériel autonome et l’enregistrement local.
Le système le plus moderne n’est pas automatiquement le plus fiable. La meilleure solution associe un enregistrement local, les avantages du cloud, plusieurs sources horaires, une connexion de secours et une procédure testée.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Electronic timing systems: which choice is reliable and future-proof?
Choosing between BENZING, BRICON, UNIKON, TauRIS, Tipes and Mega involves more than purchase price. Operational reliability, ease of use, support and the ability to add future functions matter just as much.
Operational reliability means that a system continues to record correctly during a temporary failure of the internet, cloud, smartphone or power supply. No public independent failure statistics prove that one brand is always more reliable. This comparison is therefore based on current system architecture and manufacturer information.
System
Reliability
Operation
Future
BENZING
High with a local clock and Live ClubSystem
Express and M2 are simple; M3 is more extensive
Strong cloud, app and automatic-update development
BRICON PAS
Good, but correct cloud configuration is essential
Very simple daily use; disciplined administration required
Cloud-first and increasingly automated
UNIKON.race
Modern, but dependent on phone, Bluetooth and internet
Very easy for smartphone users
Software- and app-centred
TauRIS
Strong traditional hardware base
Clear physical controls
Modular expansion, LTE and remote operations
TIPES
Proven standalone recording with radio-controlled time checks
Simple and modular; club processing by computer
Antennas, Wi-Fi and mobile functions depending on model
MEGA
Hardware-focused system with local recording
Compact Mega Star; pigeons can be entered without a computer
Several clock and antenna models; updates and service remain important
BENZING: the most complete ecosystem
BENZING combines the Express G2 and M2 clocks with the more extensive M3, Smart Hub and Live ClubSystem. Smart Hub 5 offers mobile communication, Wi-Fi, Bluetooth, GPS checks, live notifications and online updates. The former ClubSystem is no longer produced; its successor is the cloud-connected Live ClubSystem with a redundant time source.
Strength: broad range, local recording alongside live functions and a clear path towards automatic updates.
Check: whether recording continues during an outage and whether the communication module will operate fully on 4G after 2G and 3G shutdowns.
BRICON PAS: very simple, but configuration matters
The PAS box connects to existing BRICON antennas. Times, checks and documents are processed in the cloud, while race selection and PDF documents can be largely automated.
Strength: plug-and-play installation, little loft-side operation and app-based monitoring.
Check: loft coordinates, race calendars, chip links, accounts and licence limits. Avoid duplicate chip registration and establish a clear outage procedure.
UNIKON.race: the smartphone as display
A smartphone or tablet is the main control device. After scanning a personal QR code, the app locates the timing unit over Bluetooth. Internet access and a membership code are required.
Strength: few separate controls, real-time information and familiar smartphone operation.
Check: dependence on the phone, battery, Bluetooth, internet and continued Android and iOS support.
TauRIS: traditional and modular
TauRIS remains more focused on autonomous hardware. The WORLD terminal records up to 1,000 pigeons and the Compact XL up to 500 according to the manufacturer. LTE notifications and remote strike-off can be added.
TIPES: proven, autonomous and modular
TIPES records arrivals automatically with a radio-controlled time module. Its base units, antennas and extensions can be combined, while club processing uses a computer, printer and administration software. Check which Wi-Fi, mobile and export functions are available on the particular generation.
MEGA: compact clocks and traditional hardware
MEGA supplies its own clocks, antennas and chip rings. According to the manufacturer, the compact Mega Star can accept pigeon entries without a computer, while Mega System 3000 uses a separate base station. Software version, service, spare parts and national approval should be checked before purchase.
Conclusion
BENZING currently presents the clearest future-facing complete package. BRICON PAS is often the most practical transition for a club already using BRICON equipment, provided administration and contingency procedures are well organised. UNIKON.race suits digitally minded clubs. TauRIS, TIPES and MEGA primarily suit users who value autonomous hardware and local recording.
The most modern system is not automatically the most reliable. The best solution combines local recording with cloud convenience, independent time checks, a backup connection and a tested contingency procedure.
Want to know more? Click the source links in this article.
Elektronische Konstatiersysteme: Welche Lösung ist zuverlässig und zukunftssicher?
Bei der Wahl zwischen BENZING, BRICON, UNIKON, TauRIS, Tipes und Mega zählen nicht nur die Anschaffungskosten. Betriebssicherheit, einfache Bedienung, Betreuung und Erweiterbarkeit sind ebenso wichtig.
Betriebssicherheit bedeutet, dass ein System auch bei einem vorübergehenden Ausfall von Internet, Cloud, Smartphone oder Strom korrekt weiterarbeitet. Öffentliche, unabhängige Störungsstatistiken gibt es nicht; die Bewertung stützt sich deshalb auf den aktuellen Systemaufbau und Herstellerangaben.
System
Betriebssicherheit
Bedienung
Zukunft
BENZING
Hoch mit lokaler Uhr und Live ClubSystem
Express und M2 einfach; M3 umfangreicher
Cloud, Apps und automatische Updates
BRICON PAS
Gut, korrekte Cloud-Einstellungen sind entscheidend
Im Alltag sehr einfach; sorgfältige Verwaltung nötig
Cloudorientiert und zunehmend automatisiert
UNIKON.race
Modern, aber abhängig von Telefon, Bluetooth und Internet
Für Smartphone-Nutzer sehr einfach
Stark software- und apporientiert
TauRIS
Solide traditionelle Hardwarebasis
Klare physische Bedienung
Modular mit LTE und Fernbedienung erweiterbar
TIPES
Bewährte eigenständige Erfassung mit Funkzeitkontrolle
Einfach und modular; Vereinsauswertung per Computer
Antennen, WLAN und mobile Funktionen je nach Modell
MEGA
Hardwareorientiertes System mit lokaler Erfassung
Kompaktes Mega Star; Taubeneingabe ohne Computer
Mehrere Uhren und Antennen; Updates und Service sind entscheidend
BENZING: das umfassendste Ökosystem
BENZING bietet vom Express G2 und M2 bis zum umfangreicheren M3 und Smart Hub verschiedene Lösungen. Smart Hub 5 unterstützt mobile Daten, WLAN, Bluetooth, GPS-Prüfung, Live-Meldungen und Online-Updates. Die frühere ClubSystem-Generation wird nicht mehr produziert; das cloudverwaltete Live ClubSystem mit redundanter Zeitquelle ist laut Hersteller der Nachfolger. Vor dem Kauf sollte geklärt werden, ob die lokale Registrierung bei Netzausfall weiterläuft und ob die Kommunikation nach Abschaltung von 2G und 3G vollständig über 4G möglich ist.
BRICON PAS: einfach, aber einstellungsabhängig
Die PAS-Box wird an vorhandene BRICON-Antennen angeschlossen. Zeiten, Kontrollen und Dokumente werden über die Cloud verarbeitet; Flugauswahl, Einkorben und PDF-Dokumente können im Verein weitgehend automatisiert werden. Im Alltag ist wenig Bedienung nötig. Fehler bei Koordinaten, Flugkalender, Chipzuordnung, Konto oder Lizenz können aber zentral Folgen haben. Taubenlimit und doppelte Chipregistrierungen müssen geprüft werden, ebenso eine konkrete Notfallregel bei Cloud- oder Internetausfall.
UNIKON.race: das Smartphone als Bediengerät
UNIKON.race nutzt Smartphone oder Tablet als Hauptanzeige. Nach dem Scannen eines persönlichen QR-Codes findet die App das Gerät über Bluetooth. Laut aktueller Appbeschreibung werden Internet und Mitgliedscode benötigt. Vorteile sind wenige separate Bedienteile und Informationen in Echtzeit. Zu prüfen sind Akkulaufzeit, Bluetooth, Netzverbindung, künftige Unterstützung für Android und iOS sowie lokal verfügbare Funktionen während einer Störung.
TauRIS: traditionell und modular
Beim stärker hardwareorientierten TauRIS registriert das WORLD-Terminal laut Hersteller bis zu 1.000 Tauben, das Compact XL bis zu 500. LTE-Benachrichtigungen und Fernfunktionen können ergänzt werden. Die physische Bedienung spricht Liebhaber an, die nicht ständig von einer Cloud abhängen möchten.
TIPES: bewährt, eigenständig und modular
TIPES erfasst Ankunftszeiten automatisch mit einem funkgesteuerten Zeitmodul. Basisgeräte, Antennen und Erweiterungen sind kombinierbar; die Vereinsauswertung erfolgt mit Computer, Drucker und Verwaltungssoftware. WLAN-, Mobil- und Exportfunktionen sollten für die jeweilige Generation geprüft werden.
MEGA: kompakte Uhren und klassische Hardware
MEGA bietet eigene Uhren, Antennen und Chipringe. Beim kompakten Mega Star können Tauben laut Hersteller ohne Computer eingegeben werden; das Mega System 3000 arbeitet mit einer separaten Basisstation. Softwarestand, Service, Ersatzteile und nationale Zulassung sollten vor dem Kauf geprüft werden.
Vor dem Kauf klären
BENZING bietet derzeit das sichtbar breiteste Gesamtpaket; für einen bereits mit BRICON ausgestatteten Verein kann BRICON PAS der praktischere Umstieg sein, sofern Verwaltung und Notfallverfahren zuverlässig geregelt sind. UNIKON.race passt zu digital geprägten Vereinen, während TauRIS, TIPES und MEGA Anwender mit Vorliebe für eigenständige Hardware ansprechen. Entscheidend sind die Zulassung durch den zuständigen Verband, die Weiterverwendung vorhandener Antennen, Chipringe und Vereinsgeräte, Datenexport, unabhängige Zeitkontrolle, Ersatzverbindung sowie schriftlich bestätigte Ersatzteil- und Updateversorgung.
Das modernste System ist nicht automatisch das sicherste. Die beste Lösung kombiniert lokale Registrierung, Cloud-Komfort, unabhängige Zeitkontrolle, eine Reserveverbindung und ein getestetes Notfallverfahren.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Sistemas electrónicos de constatación: ¿qué opción es fiable y preparada para el futuro?
La elección entre BENZING, BRICON, UNIKON, TauRIS, Tipes y Mega no depende solo del precio. También importan la fiabilidad, la facilidad de uso, el servicio y las posibilidades de ampliación.
La verdadera fiabilidad significa que el sistema sigue registrando correctamente cuando fallan temporalmente internet, la nube, el teléfono o la electricidad. No existen estadísticas públicas independientes que demuestren que una marca sea siempre más fiable.
Sistema
Fiabilidad operativa
Manejo
Posibilidades futuras
BENZING
Alta con reloj local y Live ClubSystem
Express y M2 sencillos; M3 más completo
Nube, aplicaciones y actualizaciones automáticas
BRICON PAS
Buena, pero exige configurar correctamente la nube
Muy pocas operaciones diarias
Automatización y gestión en la nube
UNIKON.race
Moderno, pero depende del teléfono, Bluetooth e internet
Fácil para quien utiliza el móvil
Orientado al software y a las aplicaciones
TauRIS
Hardware tradicional sólido
Controles físicos claros
Ampliable con LTE y funciones a distancia
TIPES
Registro autónomo probado con control horario por radio
Sencillo y modular; gestión del club por ordenador
Antenas, wifi y funciones móviles según el modelo
MEGA
Sistema físico con registro local
Mega Star compacto; introducción de palomas sin ordenador
Distintos relojes y antenas; servicio y actualizaciones decisivos
BENZING: el ecosistema más completo
BENZING combina relojes sencillos como Express G2 y M2 con el M3, Smart Hub y Live ClubSystem. Smart Hub 5 ofrece comunicación móvil, wifi, Bluetooth, comprobación GPS, avisos en directo y actualizaciones en línea. La antigua generación ClubSystem ya no se fabrica; el fabricante presenta Live ClubSystem, con gestión en la nube y una fuente horaria redundante, como sucesor. Los dispositivos antiguos siguen contando con soporte, según BENZING.
Punto fuerte: amplia gama y registro local junto a funciones en directo. Comprobar: qué sigue funcionando durante un fallo de la nube o de la red y si el módulo de comunicaciones seguirá operando íntegramente en 4G tras la retirada de 2G y 3G.
BRICON PAS: sencillo, siempre que la configuración sea correcta
La caja PAS se conecta a las antenas BRICON existentes. Horarios, controles y documentos se procesan en la nube; en los clubes se pueden automatizar la selección de concursos, el enceste y la documentación PDF. Hay pocas operaciones diarias en el palomar, pero un error de coordenadas, calendario, vinculación de chips, cuenta o licencia puede afectar a todo el sistema. Conviene revisar el límite de palomas, impedir registros duplicados de chips y definir un procedimiento para los cortes de conexión.
UNIKON.race: el teléfono como pantalla
Un smartphone o una tableta constituye el mando principal. Tras escanear un código QR personal, la aplicación encuentra el aparato por Bluetooth. Según la información actual, se necesitan internet y un código de socio. La interfaz resulta familiar a quien utiliza el móvil, pero depende de la batería, Bluetooth, la conexión y el mantenimiento de las aplicaciones para Android e iOS. Hay que preguntar qué funciones siguen disponibles localmente durante una avería.
TauRIS: hardware tradicional y modular
TauRIS se apoya más en dispositivos autónomos con controles físicos. Según el fabricante, el terminal WORLD admite hasta 1.000 palomas y Compact XL hasta 500. Pueden añadirse avisos LTE y funciones de constatación a distancia. Es una opción para quien prefiere seguir operando sin depender constantemente de la nube.
TIPES: probado y ampliable
TIPES registra automáticamente las llegadas de forma local mediante un módulo horario controlado por radio. Hay unidades básicas, antenas y ampliaciones combinables. La gestión en el club requiere ordenador, impresora y software. Su experiencia práctica y su hardware independiente son ventajas; es preciso comprobar las funciones concretas de wifi, datos móviles y exportación en cada generación.
MEGA: relojes compactos
MEGA utiliza sus propios relojes, antenas y anillas electrónicas. Según el fabricante, Mega Star permite introducir palomas sin ordenador, mientras que Mega System 3000 incorpora una estación base separada. Antes de elegirlo conviene revisar la versión del software, el servicio técnico, los repuestos y la autorización de la federación nacional.
La elección más sensata
BENZING presenta actualmente la evolución más completa. BRICON PAS puede ser la transición práctica para clubes que ya utilizan BRICON. UNIKON.race encaja en organizaciones muy digitales; TauRIS, TIPES y MEGA interesan a quienes prefieren hardware autónomo.
Antes de comprar conviene confirmar la autorización de la federación, la continuidad del registro sin internet, la compatibilidad con antenas y anillas y la disponibilidad de piezas y actualizaciones.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
El sistema más moderno no es automáticamente el más seguro. La mejor solución combina registro local, comodidad de la nube, control horario independiente y un procedimiento de emergencia probado.
03 · 10 · 2026
Deel 2 — Compatibiliteit van chipringen
In deel 1 behandelden we de compatibiliteit van elektronische constateersystemen. Maar samenwerking tussen clubapparatuur en klokken betekent nog niet dat ook de chipringen uitwisselbaar zijn. Daar speelt dezelfde vraag: hoeveel keuzevrijheid heeft de liefhebber werkelijk?
Eén duif, één chipring — waarom kan dat niet overal?
Die vraag geldt voor BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES en Mega. Zowel bij een overstap naar een ander merk als bij gebruik van hetzelfde merk in een ander land.
Een gemeenschappelijke technische basis
Verschillende merknamen betekenen niet automatisch verschillende chiptechniek. De FCI-documentatie noemt HITAG-S bij onder meer BENZING, BRICON, UNIKON en TIPES. Het bijbehorende ringoverzicht vermeldt ook HITAG-S-ringen van Mega. Er bestaat dus een gemeenschappelijke technische basis. [1, 2]
Toch is dezelfde chiptechniek geen garantie voor volledige compatibiliteit. Apparatuur moet de ringcode herkennen, de gegevens correct verwerken en de beveiliging bij het inkorven ondersteunen. Een ring kunnen lezen betekent nog niet dat hij ook correct kan worden ingekorfd en bij thuiskomst geldig wordt geconstateerd.
De software bepaalt welke ring wordt herkend
Een concreet voorbeeld komt van BENZING. Bij de Pro²-ring veranderde de ringcode van DA naar DB. Volgens BENZING UK is daarvoor aangepaste firmware nodig op zowel de klok als het clubapparaat. De leverancier waarschuwt bovendien dat deze ringen niet worden gelezen door een UNIKON-basis met een verouderde ringcode. De genoemde beperking zit hier dus in de softwarematige herkenning. [3]
BRICON vermeldt bij zijn hokantennes dat zij alle goedgekeurde chipringen kunnen lezen. Welke ringtypen met welke apparatuur en softwareversies volledig worden ondersteund, moet echter concreet worden aangegeven. [4]
De software van de leverancier speelt daarmee een beslissende rol. Zij kan ondersteuning mogelijk maken, maar ontbrekende ondersteuning kan het gebruik ook verhinderen.
Hetzelfde merk, verschillende landen
De kwestie houdt niet op bij verschillen tussen merken. Het FCI-overzicht vermeldt voor Mega Super verschillende identificatiecodes per nationale markt: onder meer D8 voor Duitsland, B8 voor Nederland en C7 voor België. Landgebonden ringcodes bestaan dus daadwerkelijk, ook binnen hetzelfde ringtype van een leverancier. [2]
Dat bewijst nog niet dat iedere buitenlandse ring wordt geweigerd. Het betekent wel dat apparatuur en software die verschillende codes moeten herkennen en ondersteunen.
Wanneer de software voor een nationale markt bepaalde codes niet aanvaardt, kan een ring van hetzelfde merk over de grens onbruikbaar worden. De fabrikant moet dan uitleggen waarom: vanwege nationale toelatingseisen, een technisch verschil, een beveiligingsvereiste of ontbrekende softwareondersteuning.
Voor de liefhebber is de vraag eenvoudig: waarom zou een bruikbare chipring vervangen moeten worden zodra hij in een ander land wordt gebruikt?
Beveiliging heeft een functie
De eigen identificatiecodes van fabrikanten zijn niet zonder reden ingevoerd. Volgens de FCI dienen afzonderlijke nummerreeksen om dubbele ringidentiteiten te voorkomen. Daarnaast vormt de wisselende geheime code bij het inkorven een bescherming tegen gekopieerde ringen. Een fabrikantcode of beveiligingsfunctie is daarom op zichzelf geen bewijs van commerciële afscherming. [1]
De vraag is waar noodzakelijke beveiliging eindigt en vermijdbare beperking begint. Als een ring technisch geschikt is en aan de toepasselijke eisen voldoet, moet duidelijk zijn wat volledige ondersteuning nog verhindert.
Ook een verdienmodel
Wie bij een verandering van merk of land bestaande ringen moet vervangen, maakt opnieuw kosten. De leverancier verkoopt opnieuw chipringen. Zo kan beperkte compatibiliteit commerciële afhankelijkheid veroorzaken.
Dat is het economische gevolg. Of een beperking bewust is ontworpen om de eigen ringverkoop te beschermen, moet per geval worden aangetoond. Maar leveranciers behoren hun keuzes wel inzichtelijk te maken. Zonder die uitleg kan de liefhebber niet beoordelen of vervanging noodzakelijk is.
Duidelijkheid voor alle vijf leveranciers
BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES en Mega zouden ieder een openbare compatibiliteitslijst moeten verstrekken. Daarin hoort te staan:
Welke eigen en andere chipringen volledig worden ondersteund.
Welke ringcodes per land worden aanvaard.
Welke apparatuur en softwareversies daarvoor nodig zijn.
Waarom bepaalde combinaties worden uitgesloten.
Of een software-update bestaande ringen bruikbaar kan houden.
Ook de bonden hebben hier een verantwoordelijkheid. Toelating van afzonderlijke systemen en ringen moet worden aangevuld met inzicht in de combinaties die daadwerkelijk zijn getest.
Eén duif, één chipring
Een liefhebber moet vrij kunnen kiezen voor een constateersysteem, zonder onnodig opnieuw chipringen te kopen. Het uitgangspunt hoort daarom te zijn: één duif, één chipring, bruikbaar zolang die ring technisch geschikt, veilig en toegelaten is.
Waar dat niet mogelijk is, moeten fabrikant en bond de reden concreet kunnen uitleggen. Een andere merknaam of landsgrens is op zichzelf onvoldoende.
Dans la première partie, nous avons étudié la compatibilité des systèmes de constatation électronique. Mais la coopération entre les équipements de club et les appareils des amateurs ne garantit pas que les bagues soient interchangeables. La même question se pose : quelle liberté de choix reste réellement à l’amateur ?
Un pigeon, une bague électronique — pourquoi pas partout ?
Cette question concerne BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES et Mega, aussi bien lors d’un changement de marque que lors de l’utilisation de la même marque dans un autre pays.
Une base technique commune
Des marques différentes ne signifient pas automatiquement des technologies de puce différentes. La documentation de la FCI cite HITAG-S notamment chez BENZING, BRICON, UNIKON et TIPES. Le tableau des bagues mentionne également des bagues HITAG-S de Mega. Une base technique commune existe donc. [1, 2]
Cependant, la même technologie ne garantit pas une compatibilité complète. Les appareils doivent reconnaître le code de la bague, traiter correctement les données et prendre en charge la sécurité à l’enlogement. Lire une bague ne signifie pas encore pouvoir l’enloger correctement et constater valablement le pigeon à son retour.
Le logiciel détermine les bagues reconnues
BENZING fournit un exemple concret. Avec la bague Pro², le code est passé de DA à DB. Selon BENZING UK, cela nécessite un micrologiciel adapté sur l’appareil de l’amateur et l’équipement du club. Le fournisseur avertit également que ces bagues ne sont pas lues par une base UNIKON dont le code de bague est obsolète. La limitation annoncée concerne donc ici la reconnaissance logicielle. [3]
BRICON indique que ses antennes de colombier peuvent lire toutes les bagues électroniques agréées. Il reste cependant nécessaire de préciser les types de bagues, les appareils et les versions logicielles entièrement pris en charge. [4]
Le logiciel du fournisseur joue ainsi un rôle décisif. Il peut permettre la prise en charge, tandis que l’absence de prise en charge peut empêcher l’utilisation.
Une même marque, plusieurs pays
La question ne se limite pas aux différences entre marques. Le tableau FCI attribue à Mega Super différents codes selon le marché national : notamment D8 pour l’Allemagne, B8 pour les Pays-Bas et C7 pour la Belgique. Des codes propres aux pays existent donc, même pour un même type de bague d’un fournisseur. [2]
Cela ne prouve pas que toute bague étrangère soit refusée. Cela signifie néanmoins que les appareils et leurs logiciels doivent reconnaître et prendre en charge ces différents codes.
Lorsque le logiciel destiné à un marché national n’accepte pas certains codes, une bague de la même marque peut devenir inutilisable au-delà de la frontière. Le fabricant doit alors en expliquer la raison : exigences nationales d’agrément, différence technique, nécessité de sécurité ou absence de prise en charge logicielle.
Pour l’amateur, la question est simple : pourquoi remplacer une bague utilisable dès qu’elle est employée dans un autre pays ?
La sécurité a une fonction
Les codes propres aux fabricants ont une raison d’être. Selon la FCI, les séries de numéros distinctes servent à éviter les identités de bagues en double. Le code secret changeant à chaque enlogement protège en outre contre les bagues copiées. Un code fabricant ou une fonction de sécurité ne prouve donc pas, à lui seul, une fermeture commerciale. [1]
La question est de savoir où finit la sécurité nécessaire et où commence une restriction évitable. Si une bague est techniquement adaptée et satisfait aux exigences applicables, il faut préciser ce qui empêche encore sa prise en charge complète.
Un enjeu commercial aussi
L’amateur obligé de remplacer ses bagues lors d’un changement de marque ou de pays engage de nouvelles dépenses. Le fournisseur vend de nouvelles bagues. Une compatibilité limitée peut ainsi créer une dépendance commerciale.
C’est la conséquence économique. Il faut démontrer au cas par cas qu’une restriction a été volontairement conçue pour protéger les ventes de bagues du fournisseur. Mais les fabricants doivent rendre leurs choix compréhensibles. Sans cette explication, l’amateur ne peut pas juger si le remplacement est nécessaire.
De la clarté pour les cinq fournisseurs
BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES et Mega devraient chacun publier une liste de compatibilité précisant :
Les bagues de leur marque et d’autres marques entièrement prises en charge.
Les codes de bagues acceptés dans chaque pays.
Les appareils et versions logicielles nécessaires.
Les raisons de l’exclusion de certaines combinaisons.
Si une mise à jour peut préserver l’utilisation des bagues existantes.
Les fédérations ont également une responsabilité. L’agrément de systèmes et de bagues séparément doit être complété par des informations sur les combinaisons réellement testées.
Un pigeon, une bague électronique
L’amateur doit pouvoir choisir librement son système de constatation sans acheter inutilement de nouvelles bagues. Le principe devrait donc être : un pigeon, une bague électronique, utilisable tant qu’elle est techniquement adaptée, sûre et agréée.
Lorsque cela n’est pas possible, le fabricant et la fédération doivent expliquer concrètement pourquoi. Une autre marque ou une frontière nationale ne suffit pas en soi.
In part 1 we examined compatibility between electronic timing systems. But cooperation between club equipment and fanciers’ clocks does not guarantee that chip rings are interchangeable. The same question arises: how much freedom of choice does the fancier really have?
One pigeon, one chip ring — why not everywhere?
This concerns BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES and Mega, both when switching brands and when using the same brand in another country.
A shared technical basis
Different brand names do not automatically mean different chip technology. FCI documentation lists HITAG-S for BENZING, BRICON, UNIKON and TIPES, among others. Its ring overview also lists Mega HITAG-S rings. A shared technical basis therefore exists. [1, 2]
However, the same chip technology does not guarantee full compatibility. Equipment must recognise the ring code, process the data correctly and support the security procedure at basketing. Reading a ring does not necessarily mean it can be basketed correctly and produce a valid arrival registration.
Software determines which rings are recognised
BENZING provides a concrete example. For the Pro² ring, the ring code changed from DA to DB. According to BENZING UK, this requires updated firmware on both the clock and the club equipment. The supplier also warns that these rings are not read by a UNIKON base with an outdated ring code. The stated limitation here therefore concerns software recognition. [3]
BRICON says its loft antennas can read all approved chip rings. However, the specific ring types, equipment and software versions fully supported still need to be identified. [4]
The supplier’s software thus plays a decisive role. It can enable support, while a lack of support can prevent use.
The same brand, different countries
The issue extends beyond differences between brands. The FCI overview lists different identification codes for Mega Super in different national markets, including D8 for Germany, B8 for the Netherlands and C7 for Belgium. Country-specific ring codes therefore do exist, even within the same ring type from one supplier. [2]
This does not prove that every foreign ring is rejected. It does mean that equipment and software must recognise and support the different codes.
If software for a national market does not accept certain codes, a ring from the same brand may become unusable across a border. The manufacturer must explain why: national approval requirements, a technical difference, a security requirement or missing software support.
For the fancier, the question is simple: why should a usable chip ring need replacing as soon as it is used in another country?
Security serves a purpose
Manufacturers’ identification codes were introduced for a reason. According to the FCI, separate number ranges prevent duplicate ring identities. The secret code that changes at basketing also protects against copied rings. A manufacturer code or security feature is therefore not, in itself, evidence of commercial restriction. [1]
The question is where necessary security ends and avoidable restriction begins. If a ring is technically suitable and meets the applicable requirements, it should be clear what still prevents full support.
A commercial dimension too
Fanciers who must replace existing rings when changing brand or country incur new costs. The supplier sells more chip rings. Limited compatibility can therefore create commercial dependence.
That is the economic consequence. Whether a restriction was deliberately designed to protect a supplier’s own ring sales must be demonstrated case by case. Suppliers should nevertheless make their choices transparent. Without an explanation, fanciers cannot judge whether replacement is necessary.
Clarity from all five suppliers
BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES and Mega should each provide a public compatibility list stating:
Which own-brand and other-brand chip rings are fully supported.
Which ring codes are accepted in each country.
Which equipment and software versions are required.
Why certain combinations are excluded.
Whether a software update can keep existing rings usable.
Federations also have a responsibility. Approval of individual systems and rings should be accompanied by information about the combinations actually tested.
One pigeon, one chip ring
Fanciers should be free to choose a timing system without unnecessarily buying new chip rings. The guiding principle should be one pigeon, one chip ring, usable for as long as the ring remains technically suitable, secure and approved.
Where this is impossible, the manufacturer and federation must give a concrete explanation. A different brand name or national border is not enough in itself.
In Teil 1 behandelten wir die Kompatibilität elektronischer Konstatiersysteme. Doch die Zusammenarbeit zwischen Vereinsgeräten und den Uhren der Züchter bedeutet noch nicht, dass auch Chipringe austauschbar sind. Hier stellt sich dieselbe Frage: Wie viel Wahlfreiheit hat der Züchter tatsächlich?
Eine Taube, ein Chipring — warum nicht überall?
Das betrifft BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES und Mega, sowohl beim Wechsel zu einer anderen Marke als auch bei der Nutzung derselben Marke in einem anderen Land.
Eine gemeinsame technische Grundlage
Unterschiedliche Markennamen bedeuten nicht automatisch unterschiedliche Chiptechnik. Die FCI-Dokumentation nennt HITAG-S unter anderem bei BENZING, BRICON, UNIKON und TIPES. Die zugehörige Ringübersicht führt auch HITAG-S-Ringe von Mega auf. Eine gemeinsame technische Grundlage besteht also. [1, 2]
Dieselbe Chiptechnik garantiert jedoch keine vollständige Kompatibilität. Die Geräte müssen den Ringcode erkennen, die Daten richtig verarbeiten und die Sicherheitsfunktionen beim Einkorben unterstützen. Einen Ring lesen zu können bedeutet noch nicht, ihn korrekt einkorben und bei der Heimkehr gültig konstatieren zu können.
Die Software bestimmt, welche Ringe erkannt werden
Ein konkretes Beispiel liefert BENZING. Beim Pro²-Ring wechselte der Ringcode von DA zu DB. Nach Angaben von BENZING UK ist dafür angepasste Firmware sowohl auf der Uhr als auch auf dem Vereinsgerät erforderlich. Der Anbieter warnt außerdem, dass diese Ringe von einer UNIKON-Basis mit veraltetem Ringcode nicht gelesen werden. Die genannte Einschränkung betrifft hier also die softwareseitige Erkennung. [3]
BRICON erklärt, dass seine Schlagantennen alle zugelassenen Chipringe lesen können. Welche Ringtypen mit welchen Geräten und Softwareversionen vollständig unterstützt werden, muss dennoch konkret angegeben werden. [4]
Die Software des Anbieters spielt somit eine entscheidende Rolle. Sie kann Unterstützung ermöglichen; fehlende Unterstützung kann die Nutzung verhindern.
Dieselbe Marke, unterschiedliche Länder
Die Frage endet nicht bei Unterschieden zwischen Marken. Die FCI-Übersicht nennt für Mega Super verschiedene Identifikationscodes je nationalem Markt: unter anderem D8 für Deutschland, B8 für die Niederlande und C7 für Belgien. Länderbezogene Ringcodes gibt es also tatsächlich, auch innerhalb desselben Ringtyps eines Anbieters. [2]
Das beweist noch nicht, dass jeder ausländische Ring abgewiesen wird. Es bedeutet aber, dass Geräte und Software diese unterschiedlichen Codes erkennen und unterstützen müssen.
Akzeptiert die Software für einen nationalen Markt bestimmte Codes nicht, kann ein Ring derselben Marke jenseits der Grenze unbrauchbar werden. Der Hersteller muss erklären, warum: nationale Zulassungsanforderungen, technische Unterschiede, Sicherheitsanforderungen oder fehlende Softwareunterstützung.
Für den Züchter ist die Frage einfach: Warum sollte ein brauchbarer Chipring ersetzt werden müssen, sobald er in einem anderen Land genutzt wird?
Sicherheit hat eine Funktion
Die Identifikationscodes der Hersteller wurden nicht grundlos eingeführt. Laut FCI verhindern getrennte Nummernbereiche doppelte Ringidentitäten. Zusätzlich schützt der bei jedem Einkorben wechselnde Geheimcode vor kopierten Ringen. Ein Herstellercode oder eine Sicherheitsfunktion ist daher allein kein Beweis für kommerzielle Abschottung. [1]
Die Frage lautet, wo notwendige Sicherheit endet und vermeidbare Einschränkung beginnt. Ist ein Ring technisch geeignet und erfüllt er die geltenden Anforderungen, muss klar sein, was seine vollständige Unterstützung noch verhindert.
Auch ein Geschäftsmodell
Wer beim Wechsel der Marke oder des Landes vorhandene Ringe ersetzen muss, trägt erneut Kosten. Der Anbieter verkauft erneut Chipringe. Begrenzte Kompatibilität kann somit kommerzielle Abhängigkeit schaffen.
Das ist die wirtschaftliche Folge. Ob eine Einschränkung bewusst zum Schutz des eigenen Ringverkaufs eingeführt wurde, muss im Einzelfall nachgewiesen werden. Dennoch sollten Anbieter ihre Entscheidungen transparent machen. Ohne Erklärung kann der Züchter nicht beurteilen, ob ein Austausch notwendig ist.
Klarheit von allen fünf Anbietern
BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES und Mega sollten jeweils eine öffentliche Kompatibilitätsliste bereitstellen. Darin sollte stehen:
Welche eigenen und fremden Chipringe vollständig unterstützt werden.
Welche Ringcodes in welchem Land akzeptiert werden.
Welche Geräte und Softwareversionen erforderlich sind.
Warum bestimmte Kombinationen ausgeschlossen sind.
Ob ein Softwareupdate vorhandene Ringe weiter nutzbar machen kann.
Auch die Verbände tragen Verantwortung. Die Zulassung einzelner Systeme und Ringe sollte durch Informationen über tatsächlich getestete Kombinationen ergänzt werden.
Eine Taube, ein Chipring
Ein Züchter muss sein Konstatiersystem frei wählen können, ohne unnötig neue Chipringe kaufen zu müssen. Der Grundsatz sollte deshalb lauten: eine Taube, ein Chipring, nutzbar, solange er technisch geeignet, sicher und zugelassen ist.
Wo das nicht möglich ist, müssen Hersteller und Verband den Grund konkret erklären können. Ein anderer Markenname oder eine Landesgrenze genügt allein nicht.
Parte 2 — Compatibilidad de las anillas electrónicas
En la primera parte tratamos la compatibilidad de los sistemas de constatación electrónica. Pero la cooperación entre los equipos del club y los relojes de los aficionados no garantiza que las anillas electrónicas sean intercambiables. Surge la misma pregunta: ¿cuánta libertad de elección tiene realmente el aficionado?
Una paloma, una anilla electrónica — ¿por qué no en todas partes?
La cuestión afecta a BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES y Mega, tanto al cambiar de marca como al utilizar la misma marca en otro país.
Una base técnica común
Distintas marcas no significan automáticamente distintas tecnologías de chip. La documentación de la FCI menciona HITAG-S en BENZING, BRICON, UNIKON y TIPES, entre otros. Su relación de anillas también incluye anillas HITAG-S de Mega. Existe, por tanto, una base técnica común. [1, 2]
Sin embargo, la misma tecnología no garantiza una compatibilidad completa. El equipo debe reconocer el código de la anilla, procesar los datos correctamente y admitir la seguridad durante el enceste. Poder leer una anilla no significa necesariamente poder encestar correctamente y registrar una llegada válida.
El software determina qué anillas se reconocen
BENZING ofrece un ejemplo concreto. En la anilla Pro², el código cambió de DA a DB. Según BENZING UK, se necesita firmware actualizado tanto en el reloj como en el equipo del club. El proveedor también advierte que estas anillas no se leen en una base UNIKON con un código de anilla desactualizado. La limitación descrita afecta, por tanto, al reconocimiento mediante software. [3]
BRICON indica que sus antenas de palomar pueden leer todas las anillas electrónicas homologadas. Sin embargo, debe especificar qué tipos de anillas, equipos y versiones de software se admiten plenamente. [4]
El software del proveedor desempeña así un papel decisivo. Puede permitir la compatibilidad, mientras que la falta de soporte puede impedir el uso.
La misma marca, distintos países
La cuestión no termina en las diferencias entre marcas. La relación de la FCI señala distintos códigos de identificación para Mega Super según el mercado nacional: entre ellos D8 para Alemania, B8 para los Países Bajos y C7 para Bélgica. Existen, por tanto, códigos nacionales incluso dentro del mismo tipo de anilla de un proveedor. [2]
Esto no demuestra que se rechace toda anilla extranjera. Sí significa que los equipos y el software deben reconocer y admitir los distintos códigos.
Si el software de un mercado nacional no acepta determinados códigos, una anilla de la misma marca puede resultar inutilizable al cruzar la frontera. El fabricante debe explicar el motivo: requisitos nacionales de homologación, diferencias técnicas, exigencias de seguridad o falta de soporte en el software.
Para el aficionado, la pregunta es sencilla: ¿por qué habría que sustituir una anilla utilizable al emplearla en otro país?
La seguridad tiene una función
Los códigos de identificación propios de los fabricantes tienen una razón de ser. Según la FCI, las series numéricas separadas evitan identidades de anilla duplicadas. Además, el código secreto que cambia en cada enceste protege frente a anillas copiadas. Un código de fabricante o una función de seguridad no demuestra, por sí solo, una restricción comercial. [1]
La pregunta es dónde termina la seguridad necesaria y dónde empieza una limitación evitable. Si una anilla es técnicamente adecuada y cumple los requisitos aplicables, debe quedar claro qué impide todavía su plena compatibilidad.
También una cuestión comercial
Quien debe sustituir sus anillas al cambiar de marca o país vuelve a gastar. El proveedor vuelve a vender anillas electrónicas. Una compatibilidad limitada puede crear dependencia comercial.
Esa es la consecuencia económica. Debe demostrarse caso por caso si una restricción fue diseñada deliberadamente para proteger las ventas propias. No obstante, los proveedores deben explicar sus decisiones. Sin esa explicación, el aficionado no puede valorar si la sustitución es necesaria.
Claridad de los cinco proveedores
BENZING, BRICON, UNIKON, TIPES y Mega deberían publicar cada uno una lista de compatibilidad que indique:
Qué anillas propias y de otras marcas se admiten plenamente.
Qué códigos de anilla se aceptan en cada país.
Qué equipos y versiones de software se necesitan.
Por qué se excluyen determinadas combinaciones.
Si una actualización puede mantener utilizables las anillas existentes.
Las federaciones también tienen una responsabilidad. La homologación de sistemas y anillas por separado debe completarse con información sobre las combinaciones realmente probadas.
Una paloma, una anilla electrónica
El aficionado debe poder elegir libremente su sistema de constatación sin comprar nuevas anillas innecesariamente. El principio debe ser: una paloma, una anilla electrónica, utilizable mientras siga siendo técnicamente adecuada, segura y homologada.
Cuando esto no sea posible, el fabricante y la federación deben explicar concretamente la razón. Otra marca o una frontera nacional no bastan por sí solas.
Deel 1 — Compatibiliteit van elektronische constateersystemen
Goedkeuring van een elektronisch constateersysteem betekent niet automatisch dat het met de apparatuur van iedere vereniging samenwerkt. De nationale bonden hanteren verschillende bepalingen. Vooral de verantwoordelijkheid voor compatibiliteit verdient duidelijkheid.
België — expliciete verplichting
De KBDB-statuten leggen in artikelen 40.2 en 40.3 de verantwoordelijkheid bij de fabrikanten. Hun apparatuur moet voldoen aan de Belgische standaard en onderling compatibel zijn.
De nationale adviesraad organiseert een testdag om problemen vast te stellen en oplossingen te beoordelen. Vastgestelde problemen die niet binnen de gestelde termijn worden opgelost, worden voor het lopende jaar geweerd. De KBDB heeft daarmee zowel een verplichting als een procedure voor toezicht vastgelegd. [1]
Frankrijk — uitgangspunt zonder aangetoonde algemene verplichting
De FCF schrijft in een toelichting uit 2021 dat fabrikanten de systemen compatibel zouden moeten maken, maar dat dit vaak niet het geval is. Liefhebbers krijgen het advies vóór aankoop de samenwerking met de clubapparatuur te controleren. Deze toelichting is geen actuele bindende reglementsbepaling. [2]
Het wedstrijdreglement voor seizoen 2025 verlangt goedgekeurde apparatuur die voldoet aan het FCF-eisenpakket. In die geraadpleegde versie is geen expliciete algemene verplichting tot onderlinge compatibiliteit gevonden. Daarvoor moet het technische eisenpakket uitsluitsel geven. [3]
Nederland — toelating per apparaat en softwareversie
De NPO publiceert toegelaten systemen en minimale softwareversies. Deze lijst bevestigt de toelating, maar toont niet welke persoonlijke klokken met welke clubmasters samenwerken. [4]
De NPO verklaart daarnaast dat de mogelijkheden voor verdere digitalisering verschillen per leverancier en model. De technische eisen voor de volgende generatie ECS zijn nog niet definitief vastgesteld. In de geraadpleegde openbare bronnen is geen algemene compatibiliteitsverplichting aangetoond die vergelijkbaar is met de Belgische regeling. [5]
Duitsland — gebruiksvoorschriften, compatibiliteit nog te verduidelijken
Een officiële Duitse controlelijst uit 2023 beschrijft het gebruik van verschillende systemen, controle van apparatuur en overdracht van wedstrijdgegevens. De lijst benadrukt de fabrikantspecifieke bediening.
Dit document bewijst geen algemene verplichting tot onderlinge compatibiliteit. Daarvoor moet het actuele technische toelatingsprotocol worden geraadpleegd. [6]
Groot-Brittannië — controle vooraf door de liefhebber
De geraadpleegde geïndexeerde tekst van het RPRA-reglement 2026 staat gebruik van een goedgekeurd systeem toe wanneer de organisatie beschikt over geschikte apparatuur en bekwame functionarissen.
Regel 232 legt bij de liefhebber de verantwoordelijkheid om dat vooraf te controleren. Dit betreft de RPRA, niet automatisch alle Britse bonden. De bepalingen moeten vóór publicatie nog worden vergeleken met de nieuwste PDF-versie. [7]
Goedkeuring vraagt om duidelijkheid
De onderzochte bronnen rechtvaardigen niet de stelling dat alle landen dezelfde compatibiliteitsverplichting hebben. België legt die expliciet vast; bij de overige onderzochte bonden gelden andere voorwaarden of ontbreekt nog de technische onderbouwing.
Een bond die compatibiliteit voorschrijft, moet ook aangeven welke samenwerking wordt verlangd, hoe die wordt getest en wie optreedt bij tekortkomingen. Een verplichting zonder zichtbaar toezicht en opvolging laat de liefhebber met het probleem zitten.
Pigeon Magazine bepleit daarom een openbare compatibiliteitstabel: per clubmaster de ondersteunde klokken, softwareversies, benodigde aansluitingen en bekende beperkingen.
De kernvraag aan iedere bond is: wat garandeert de goedkeuring van een systeem aan de liefhebber die ermee aan de inkorftafel verschijnt?
Bronnen
KBDB-statuten, artikelen 40.2–40.3, versie vanaf 27 februari 2026; FCF-toelichting van 15 juni 2021 en wedstrijdreglement seizoen 2025; NPO-overzicht toegelaten softwareversies maart 2026 en toelichting digitalisering; Die Brieftaube nr. 9/2023; RPRA-reglement 2026, met genoemde versiecontrole nog open. Er zijn geen nieuwe verklaringen rechtstreeks bij de bonden opgevraagd.
Partie 1 — Compatibilité des systèmes de constatation électronique
L’agrément d’un système de constatation électronique ne signifie pas automatiquement qu’il fonctionne avec le matériel de chaque association. Les fédérations nationales appliquent des dispositions différentes. La responsabilité de la compatibilité mérite notamment d’être clarifiée.
Belgique — obligation explicite
Les articles 40.2 et 40.3 des statuts de la RFCB attribuent la responsabilité aux fabricants. Leur matériel doit respecter le standard belge et être compatible entre fabricants.
Le conseil consultatif national organise une journée de tests pour identifier les problèmes et examiner les solutions. Les problèmes détectés qui ne sont pas résolus dans le délai fixé sont écartés pour l’année en cours. La RFCB a donc prévu une obligation et une procédure de contrôle. [1]
France — principe sans obligation générale démontrée
Dans une présentation de 2021, la FCF indique que les fabricants devraient rendre leurs systèmes compatibles, mais que ce n’est souvent pas le cas. Elle conseille de vérifier la compatibilité avec le matériel de l’association avant l’achat. Cette présentation n’est pas une disposition réglementaire contraignante actuelle. [2]
Le règlement des concours pour 2025 exige du matériel agréé répondant au cahier des charges de la FCF. Aucune obligation générale explicite de compatibilité entre systèmes n’a été trouvée dans cette version consultée. Le cahier des charges technique doit apporter la précision nécessaire. [3]
Pays-Bas — autorisation par appareil et version logicielle
La NPO publie les systèmes autorisés et les versions logicielles minimales. Cette liste confirme l’autorisation, mais ne précise pas quelles horloges individuelles fonctionnent avec quelles stations de club. [4]
La NPO indique également que les possibilités de numérisation varient selon le fournisseur et le modèle. Les exigences techniques de la prochaine génération ne sont pas encore définitives. Les sources publiques consultées ne démontrent pas une obligation générale comparable à la réglementation belge. [5]
Allemagne — règles d’utilisation, compatibilité à préciser
Une liste de contrôle officielle allemande de 2023 décrit l’utilisation de différents systèmes, le contrôle du matériel et le transfert des données. Elle souligne les commandes propres à chaque fabricant.
Ce document ne prouve pas une obligation générale de compatibilité. Le protocole technique actuel d’agrément doit être consulté. [6]
Grande-Bretagne — vérification préalable par l’amateur
Le texte indexé consulté du règlement RPRA 2026 autorise un système agréé lorsque l’organisation dispose du matériel adapté et de responsables compétents.
La règle 232 charge l’amateur de vérifier ces conditions à l’avance. Cela concerne la RPRA, pas automatiquement toutes les fédérations britanniques. Ces dispositions doivent encore être comparées au PDF le plus récent avant publication. [7]
Un agrément doit être clair
Les sources étudiées ne permettent pas d’affirmer que tous les pays imposent la même obligation. La Belgique la prévoit explicitement ; ailleurs, d’autres conditions s’appliquent ou les éléments techniques restent à vérifier.
Une fédération qui exige la compatibilité doit préciser les échanges attendus, les tests et la responsabilité en cas de défaut. Une obligation sans contrôle ni suivi visible laisse l’amateur face au problème.
Pigeon Magazine préconise un tableau public indiquant, pour chaque station de club, les horloges compatibles, les versions logicielles, les connexions nécessaires et les limitations connues.
La question centrale : que garantit l’agrément à l’amateur qui se présente à l’enlogement avec son système ?
Sources
Statuts RFCB, articles 40.2–40.3, version à partir du 27 février 2026 ; présentation FCF du 15 juin 2021 et règlement 2025 ; liste NPO de mars 2026 et présentation de la numérisation ; Die Brieftaube 9/2023 ; règlement RPRA 2026, vérification de version encore ouverte. Aucune nouvelle déclaration n’a été sollicitée directement auprès des fédérations.
Part 1 — Compatibility of electronic timing systems
Approval of an electronic timing system does not automatically mean it works with every club’s equipment. National federations apply different provisions. Responsibility for compatibility particularly needs clarification.
Belgium — an explicit obligation
Articles 40.2 and 40.3 of the KBDB statutes place responsibility on manufacturers. Their equipment must meet the Belgian standard and be compatible across manufacturers.
The national advisory council organises a test day to identify problems and assess solutions. Detected problems not resolved by the deadline are excluded for the current year. The KBDB therefore provides both an obligation and an oversight procedure. [1]
France — a principle without a demonstrated general obligation
In a 2021 explanation, the FCF says manufacturers should make their systems compatible, but often do not. Fanciers are advised to check compatibility with their club’s equipment before buying. This explanation is not a current binding rule. [2]
The 2025 race regulations require approved equipment meeting FCF specifications. No explicit general cross-system compatibility obligation was found in that edition. The technical specifications must clarify this. [3]
Netherlands — approval by device and software version
The NPO publishes approved systems and minimum software versions. This list confirms approval but does not show which individual clocks work with which club masters. [4]
The NPO also says further digitalisation options vary by supplier and model. Technical requirements for the next generation are not yet final. The public sources examined do not demonstrate a general obligation comparable to Belgium’s. [5]
Germany — operating rules, compatibility still to be clarified
A 2023 official German checklist describes system use, equipment checks and race-data transfer. It stresses manufacturer-specific operation.
This document does not establish a general compatibility obligation. The current technical approval protocol must be consulted. [6]
Great Britain — advance checks by the fancier
The indexed text examined of the RPRA 2026 rules allows an approved system where the organisation has suitable equipment and competent officials.
Rule 232 makes the member responsible for checking this beforehand. This concerns the RPRA, not automatically every British union. These provisions still need comparison with the latest PDF before publication. [7]
Approval needs clarity
The sources do not justify saying every country has the same compatibility obligation. Belgium states it explicitly; elsewhere, different conditions apply or technical substantiation remains outstanding.
A federation requiring compatibility must specify the required cooperation, the tests and who acts on shortcomings. An obligation without visible oversight and follow-up leaves the fancier with the problem.
Pigeon Magazine advocates a public compatibility table listing supported clocks, software versions, required connections and known limitations for each club master.
The central question: what does approval guarantee to a fancier arriving at race marking with that system?
Sources
KBDB statutes, articles 40.2–40.3, edition from 27 February 2026; FCF explanation of 15 June 2021 and 2025 race rules; NPO March 2026 software list and digitalisation explanation; Die Brieftaube 9/2023; RPRA 2026 rules, version check still outstanding. No new statements were requested directly from the federations.
Teil 1 — Kompatibilität elektronischer Konstatiersysteme
Die Zulassung eines elektronischen Konstatiersystems bedeutet nicht automatisch, dass es mit der Ausrüstung jedes Vereins funktioniert. Die nationalen Verbände haben unterschiedliche Bestimmungen. Insbesondere die Verantwortung für die Kompatibilität muss klar sein.
Belgien — ausdrückliche Verpflichtung
Die Artikel 40.2 und 40.3 der KBDB-Satzung legen die Verantwortung bei den Herstellern. Ihre Geräte müssen dem belgischen Standard entsprechen und untereinander kompatibel sein.
Der nationale Beirat organisiert einen Testtag zur Feststellung von Problemen und Bewertung von Lösungen. Erkannte Probleme, die nicht fristgerecht behoben werden, werden für das laufende Jahr ausgeschlossen. Die KBDB hat somit eine Verpflichtung und ein Kontrollverfahren festgelegt. [1]
Frankreich — Grundsatz ohne nachgewiesene allgemeine Pflicht
In einer Erläuterung von 2021 schreibt die FCF, Hersteller sollten ihre Systeme kompatibel machen, was aber häufig nicht geschehe. Vor dem Kauf soll die Zusammenarbeit mit der Vereinsausrüstung geprüft werden. Diese Erläuterung ist keine aktuelle verbindliche Regel. [2]
Die Wettflugordnung 2025 verlangt zugelassene Geräte nach dem FCF-Anforderungskatalog. In dieser geprüften Fassung wurde keine ausdrückliche allgemeine Kompatibilitätspflicht gefunden. Der technische Anforderungskatalog muss Klarheit schaffen. [3]
Niederlande — Zulassung nach Gerät und Softwareversion
Die NPO veröffentlicht zugelassene Systeme und Mindestsoftwareversionen. Diese Liste bestätigt die Zulassung, zeigt aber nicht, welche Züchteruhren mit welchen Vereinsmastern zusammenarbeiten. [4]
Laut NPO unterscheiden sich weitere Digitalisierungsmöglichkeiten je nach Anbieter und Modell. Die technischen Anforderungen der nächsten Generation stehen noch nicht endgültig fest. Die geprüften öffentlichen Quellen belegen keine allgemeine Pflicht wie in Belgien. [5]
Deutschland — Betriebsvorschriften, Kompatibilität noch zu klären
Eine offizielle deutsche Checkliste von 2023 beschreibt Nutzung, Geräteprüfung und Datenübertragung. Sie betont die herstellerspezifische Bedienung.
Dieses Dokument belegt keine allgemeine Pflicht zur gegenseitigen Kompatibilität. Dafür muss das aktuelle technische Zulassungsprotokoll geprüft werden. [6]
Großbritannien — Vorabprüfung durch den Züchter
Der geprüfte indexierte Text der RPRA-Regeln 2026 erlaubt zugelassene Systeme, wenn die Organisation geeignete Geräte und sachkundige Verantwortliche hat.
Regel 232 verpflichtet das Mitglied, dies vorher zu prüfen. Das betrifft die RPRA, nicht automatisch alle britischen Verbände. Vor Veröffentlichung ist noch ein Abgleich mit der neuesten PDF-Fassung nötig. [7]
Zulassung braucht Klarheit
Die Quellen rechtfertigen nicht die Behauptung, alle Länder hätten dieselbe Pflicht. Belgien schreibt sie ausdrücklich vor; anderswo gelten andere Bedingungen oder technische Nachweise fehlen noch.
Ein Verband, der Kompatibilität verlangt, muss die erforderliche Zusammenarbeit, Prüfungen und Zuständigkeiten bei Mängeln benennen. Eine Pflicht ohne sichtbare Kontrolle und Nachverfolgung lässt den Züchter mit dem Problem allein.
Pigeon Magazine fordert eine öffentliche Tabelle mit unterstützten Uhren, Softwareversionen, erforderlichen Anschlüssen und bekannten Einschränkungen für jeden Vereinsmaster.
Die Kernfrage: Was garantiert die Zulassung dem Züchter, der mit seinem System an der Einsatzstelle erscheint?
Quellen
KBDB-Satzung, Artikel 40.2–40.3, Fassung ab 27. Februar 2026; FCF-Erläuterung vom 15. Juni 2021 und Wettflugordnung 2025; NPO-Liste März 2026 und Digitalisierungserläuterung; Die Brieftaube 9/2023; RPRA-Regeln 2026, Versionsprüfung noch offen. Keine neuen Stellungnahmen wurden direkt bei den Verbänden angefragt.
Parte 1 — Compatibilidad de los sistemas de constatación electrónica
La homologación de un sistema electrónico no significa automáticamente que funcione con el equipo de todas las sociedades. Las federaciones nacionales aplican disposiciones distintas. Conviene aclarar especialmente quién responde de la compatibilidad.
Bélgica — obligación expresa
Los artículos 40.2 y 40.3 de los estatutos de la KBDB atribuyen la responsabilidad a los fabricantes. Sus equipos deben cumplir el estándar belga y ser compatibles entre fabricantes.
El consejo consultivo nacional organiza una jornada de pruebas para detectar problemas y evaluar soluciones. Los problemas detectados que no se resuelvan dentro del plazo se excluyen durante el año en curso. La KBDB establece así una obligación y un procedimiento de supervisión. [1]
Francia — principio sin obligación general demostrada
En una explicación de 2021, la FCF señala que los fabricantes deberían hacer compatibles sus sistemas, pero a menudo no sucede. Aconseja comprobar la compatibilidad con el equipo de la sociedad antes de comprar. Esta explicación no es una norma vinculante actual. [2]
El reglamento de concursos de 2025 exige equipos homologados que cumplan las especificaciones FCF. No se encontró en esa versión una obligación general expresa de compatibilidad. Las especificaciones técnicas deben aclararlo. [3]
Países Bajos — autorización por aparato y versión
La NPO publica sistemas autorizados y versiones mínimas de software. La lista confirma la autorización, pero no indica qué relojes individuales funcionan con cada equipo maestro del club. [4]
Según la NPO, las posibilidades de digitalización varían por proveedor y modelo. Los requisitos de la próxima generación aún no son definitivos. Las fuentes públicas consultadas no demuestran una obligación general comparable a la belga. [5]
Alemania — instrucciones de uso, compatibilidad por aclarar
Una lista oficial alemana de 2023 describe el uso, la revisión de equipos y la transferencia de datos. Destaca el manejo específico de cada fabricante.
Este documento no demuestra una obligación general de compatibilidad. Debe consultarse el protocolo técnico actual de autorización. [6]
Gran Bretaña — comprobación previa por el aficionado
El texto indexado consultado del reglamento RPRA 2026 permite un sistema autorizado cuando la organización dispone de equipos adecuados y responsables competentes.
La regla 232 atribuye al socio la comprobación previa. Esto se refiere a la RPRA, no automáticamente a todas las federaciones británicas. Antes de publicar queda pendiente compararlo con el PDF más reciente. [7]
La homologación requiere claridad
Las fuentes no justifican afirmar que todos los países imponen la misma obligación. Bélgica la establece expresamente; en otros casos rigen condiciones distintas o falta precisar el fundamento técnico.
Una federación que exige compatibilidad debe indicar la cooperación requerida, las pruebas y quién actúa ante deficiencias. Una obligación sin supervisión ni seguimiento visible deja al aficionado con el problema.
Pigeon Magazine propone una tabla pública con relojes compatibles, versiones de software, conexiones necesarias y limitaciones conocidas para cada equipo maestro.
La pregunta central: ¿qué garantiza la homologación al aficionado que llega al enceste con su sistema?
Fuentes
Estatutos KBDB, artículos 40.2–40.3, versión desde el 27 de febrero de 2026; explicación FCF del 15 de junio de 2021 y reglamento 2025; lista NPO de marzo de 2026 y explicación de digitalización; Die Brieftaube 9/2023; reglamento RPRA 2026, comprobación de versión pendiente. No se solicitaron nuevas declaraciones directamente a las federaciones.
Wie de artikelen en uitslagen van het marathonseizoen 2026 naast elkaar legt, ziet meer dan een reeks winnaars. Het was vooral een seizoen waarin weersomstandigheden, lossingsbesluiten, geografische verschillen en het herstelvermogen van de duiven het verhaal bepaalden.
Het seizoen in cijfers
Concours
Deelname
Kenmerk van de vlucht
Agen
Oude en jaarlingen
Meerdere dagen uitgesteld wegens hitte en onweer; winnaar oude duiven 1.223 m/min
Barcelona
16.278 oude duiven
Noordenwind; internationale winnaar 1.082 m/min over 1.057 km
Marseille
6.857 oude duiven
Twee keer uitgesteld; zware noordenwindvlucht, winnaar 970 m/min
Narbonne
17.592 oude en jaarlingen
Lichte oostenwind; winnaars rond 1.058–1.106 m/min
Perpignan
10.658 oude duiven
Verplaatst naar Mazamet-Castres wegens weer en bosbranden; winnaar 1.080 m/min
Het weer schreef het programma
De voorbereiding begon vaak al met onzekerheid. Agen werd achtereenvolgens uitgesteld wegens extreme hitte en onweersdreiging. Marseille moest eveneens wachten op een verantwoord lossingsmoment. Voor de laatste internationale vlucht werd Perpignan zelfs vervangen door Mazamet-Castres vanwege de weersomstandigheden en bosbranden in Frankrijk.
Deze besluiten onderstrepen dat een marathonconcours niet begint bij het openen van de manden. Transport, rust op de lossingsplaats, temperatuur, bewolking en windrichting bepalen mede hoeveel reserves een duif bij de lossing nog bezit. De snelheid alleen zegt daarom weinig over de werkelijke zwaarte.
Barcelona bleef de grote graadmeter
Met 16.278 ingezette duiven groeide Barcelona ten opzichte van 2025 en bevestigde het concours opnieuw zijn internationale aantrekkingskracht. De noordenwind maakte de terugweg zwaar. De winnende duif legde ruim 1.057 kilometer af met gemiddeld 1.082 meter per minuut. Achter de eerste aankomsten voltrok zich echter het belangrijkere verhaal: duiven die gedurende de zaterdag en zondag bleven terugkeren en daarmee hun oriëntatie, karakter en herstelvermogen bewezen.
De les van Barcelona: één vroege duif kan een uitslag maken, maar een hoge thuiskomst over meerdere dagen zegt minstens zoveel over de kwaliteit van een ploeg.
Marseille: de zwaarste beproeving
Marseille werd een echte karaktervlucht. De internationale winnaar behaalde ongeveer 970 meter per minuut; de Nederlandse nationale winnaar kwam pas de volgende ochtend thuis. Het verschil tussen de kortere en langere afstanden was daardoor groot. Deze vlucht liet opnieuw zien hoe betrekkelijk een internationale rangschikking kan zijn wanneer afstanden, wind en aankomsturen sterk uiteenlopen.
Narbonne en Perpignan sloten het seizoen af
Narbonne kende met 17.592 duiven de grootste deelname van deze reeks. De lichte oostenwind zorgde voor een ander wedstrijdbeeld dan de noordelijke tegenwindvluchten. Oude duiven en jaarlingen kregen ieder hun eigen internationale klassement, waardoor ook de ontwikkeling van de jongere marathonduiven zichtbaar werd.
Perpignan vormde traditioneel het slotstuk, maar werd in 2026 vanuit Mazamet-Castres gelost. Met 10.658 duiven lag de deelname lager dan in 2025. Toch bleef de vlucht sportief waardevol: aan het einde van een lang seizoen moesten juist de duiven met voldoende natuurlijke reserve nog eenmaal presteren.
Wat de artikelen van 2026 gezamenlijk leren
De terugkerende boodschap was dat marathonprestaties niet worden opgebouwd met één laatste voorbereiding. Gezondheid, regelmaat, een rustige opbouw en volledig herstel tussen de vluchten bleken belangrijker dan geforceerde vorm. Ervaren duiven hadden vaak voordeel, maar ook debutanten konden verrassen wanneer zij gezond, gemotiveerd en zonder overbelasting aan de start kwamen.
Ook de techniek en regelgeving kwamen nadrukkelijker in beeld. Live-constateringen maken het wachten zichtbaarder, maar vergroten tevens de noodzaak van correcte coördinaten, tijdregistratie en controleerbare systemen. Bij meerdaagse vluchten blijft bovendien de vraag actueel of één vaste neutralisatietijd voldoende recht doet aan de geografische verschillen tussen de hokken.
Het marathonseizoen 2026 werd niet alleen beslist door snelheid. Het draaide om verantwoord lossen, verstandig voorbereiden, geduldig wachten en vooral om duiven die na honderden kilometers de wil en het vermogen behielden om thuis te komen.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Une saison faite d’attente, de persévérance et de retours
La lecture des articles et des résultats de 2026 révèle bien davantage qu’une succession de vainqueurs. La météo, les décisions de lâcher, les différences géographiques et la capacité de récupération des pigeons ont déterminé la saison.
La saison en chiffres
Concours
Participation
Caractéristique
Agen
Vieux et yearlings
Plusieurs reports pour chaleur et orages ; vainqueur vieux à 1 223 m/min
Barcelone
16 278 vieux
Vent du nord ; vainqueur à 1 082 m/min sur 1 057 km
Marseille
6 857 vieux
Deux reports et vent du nord ; vainqueur à 970 m/min
Narbonne
17 592 vieux et yearlings
Vent d’est léger ; vainqueurs entre 1 058 et 1 106 m/min
Perpignan
10 658 vieux
Lâcher déplacé à Mazamet-Castres ; vainqueur à 1 080 m/min
La météo a dicté le programme
La préparation des concours s’est souvent déroulée dans l’incertitude. Agen a été reporté plusieurs fois en raison de la chaleur et de la menace d’orages. Marseille a également attendu un créneau de lâcher responsable. Pour le dernier concours, la météo et les incendies en France ont conduit à déplacer le départ de Perpignan à Mazamet-Castres. Le marathon commence avant l’ouverture des paniers : transport, repos au lieu de lâcher, température, nuages et vent déterminent les réserves dont dispose encore le pigeon. La vitesse seule ne traduit pas toute la difficulté d’un vol.
Barcelone, toujours le grand juge
La leçon : un premier pigeon fait un classement, mais un fort pourcentage de retours sur plusieurs jours révèle tout autant la qualité d’une colonie.
Barcelone a réuni 16 278 pigeons, davantage qu’en 2025. Avec le vent du nord, le retour fut exigeant. Le vainqueur international a parcouru plus de 1 057 kilomètres à 1 082 mètres par minute en moyenne. Les pigeons qui ont continué à rentrer le samedi et le dimanche ont aussi témoigné de leur orientation, de leur caractère et de leur capacité de récupération. Une arrivée précoce peut faire un classement, mais un bon taux de retour sur plusieurs jours révèle également la qualité de l’équipe.
Marseille, l’épreuve de caractère
Avec un vainqueur international à environ 970 m/min et des arrivées nationales tardives, Marseille a souligné les écarts entre distances, vents et heures d’arrivée. Une comparaison internationale doit toujours être replacée dans ce contexte.
Narbonne et Perpignan
Narbonne, avec 17 592 pigeons, a connu la plus forte participation de cette série. Un léger vent d’est a créé une course différente des vols à vent du nord; vieux pigeons et yearlings ont disposé de classements internationaux distincts. Perpignan, lâché depuis Mazamet-Castres, a réuni 10 658 pigeons, moins qu’en 2025. Au terme d’une longue saison, les réserves naturelles et une récupération complète deviennent décisives. Les pigeons expérimentés ont souvent un avantage, sans exclure de bonnes surprises chez des débutants sains et préparés sans surcharge.
Les enseignements de 2026
La santé, la régularité, une préparation calme et la récupération complète ont compté davantage qu’une forme forcée. La constatation en direct rend l’attente visible, mais exige des coordonnées, une heure et des systèmes parfaitement contrôlables. Pour les concours de plusieurs jours, le débat sur une neutralisation adaptée à la position géographique des colombiers reste également d’actualité.
La saison marathon 2026 ne s’est pas jouée uniquement sur la vitesse, mais sur la prudence au lâcher, la qualité de la préparation, la patience et la volonté des pigeons de rentrer.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
A season of waiting, perseverance and returning home
Taken together, the reports and results of 2026 tell more than a sequence of winners. Weather, liberation decisions, geographical differences and the pigeons’ ability to recover shaped the season.
The season in figures
Race
Entry
Defining feature
Agen
Old birds and yearlings
Repeated delays for heat and thunderstorms; old-bird winner at 1,223 m/min
Barcelona
16,278 old birds
Northerly wind; winner at 1,082 m/min over 1,057 km
Marseille
6,857 old birds
Two delays and a northerly wind; winner at 970 m/min
Narbonne
17,592 old birds and yearlings
Light easterly wind; winners around 1,058–1,106 m/min
Perpignan
10,658 old birds
Moved to Mazamet-Castres; winner at 1,080 m/min
Weather wrote the programme
Agen was postponed several times because of extreme heat and a threat of thunderstorms. Marseille also waited for a responsible release window. Weather and forest fires in France led organisers to move the final Perpignan race to Mazamet-Castres. A marathon race begins before the baskets open: transport, rest at the liberation site, temperature, cloud cover and wind all affect the reserves a pigeon has at release. Speed alone does not describe the true difficulty of a flight.
Barcelona remained the great benchmark
With 16,278 entries, Barcelona grew compared with 2025. A northerly wind made the route demanding. The winner covered more than 1,057 kilometres at 1,082 m/min, but the continuing Saturday and Sunday returns also demonstrated orientation, character and recovery.
The lesson: one early pigeon can make a result, but a high return percentage over several days says just as much about the quality of a team.
Marseille: the character test
The international winner recorded about 970 m/min and some national winners arrived only the following morning. Marseille again showed how distance, wind and arrival times must be considered when international results are compared.
Narbonne and Perpignan
Narbonne drew 17,592 pigeons, the largest entry in this series. A light east wind created a different race from the north-wind flights, and old birds and yearlings had separate international classifications. Perpignan, flown from Mazamet-Castres, attracted 10,658 pigeons, fewer than in 2025. At the end of a long season, natural reserves and recovery mattered especially. Experienced birds often had an advantage, yet healthy, motivated debutants could also surprise without being overburdened.
What 2026 taught
Health, consistency, a calm build-up and full recovery mattered more than forced form. Live clocking makes the wait visible but also increases the need for correct coordinates, accurate timekeeping and auditable systems. In multi-day races, the question of neutralisation adapted to each loft’s geographical position remains relevant.
The 2026 marathon season was not decided by speed alone. It was about responsible liberation, intelligent preparation, patient waiting and pigeons that retained the will and ability to return home.
Want to know more? Click the source links in this article.
Eine Saison des Wartens, Durchhaltens und Heimkehrens
Wer die Berichte und Ergebnisse der Marathonsaison 2026 nebeneinanderlegt, sieht mehr als eine Siegerliste. Wetter, Auflassentscheidungen, geografische Unterschiede und das Erholungsvermögen der Tauben prägten das Geschehen.
Die Saison in Zahlen
Wettflug
Teilnahme
Besonderheit
Agen
Alttauben und Jährige
Mehrfach wegen Hitze und Gewittern verschoben; Sieger der Alttauben 1.223 m/min.
Barcelona
16.278 Alttauben
Nordwind; internationaler Sieger 1.082 m/min über 1.057 km.
Marseille
6.857 Alttauben
Zweimal verschoben; schwerer Flug bei Nordwind, Sieger 970 m/min.
Narbonne
17.592 Alttauben und Jährige
Leichter Ostwind; Sieger etwa 1.058–1.106 m/min.
Perpignan
10.658 Alttauben
Wegen Wetter und Waldbränden nach Mazamet-Castres verlegt; Sieger 1.080 m/min.
Das Wetter bestimmte das Programm
Schon die Vorbereitung war von Unsicherheit geprägt. Agen wurde wegen extremer Hitze und drohender Gewitter mehrmals verschoben; Marseille musste ebenfalls auf verantwortbare Bedingungen warten. Für den letzten internationalen Flug wurde Perpignan wegen der Wetterlage und der Waldbrände in Frankreich durch Mazamet-Castres ersetzt. Transport, Ruhe am Auflassort, Temperatur, Bewölkung und Wind entscheiden mit darüber, welche Reserven eine Taube beim Start noch besitzt. Aus der Geschwindigkeit allein lässt sich die tatsächliche Schwere eines Fluges nicht ablesen.
Barcelona als Maßstab
Mit 16.278 eingesetzten Tauben verzeichnete Barcelona mehr Teilnehmer als 2025. Der Nordwind machte den Rückweg schwer. Die Siegertaube flog über 1.057 Kilometer mit durchschnittlich 1.082 Metern pro Minute. Hinter den frühen Ankünften stand eine zweite Geschichte: Tauben, die noch am Samstag und Sonntag zurückkehrten und Orientierung, Charakter und Erholungsfähigkeit bewiesen. Eine frühe Taube kann eine Ergebnisliste prägen; eine hohe Heimkehrquote über mehrere Tage sagt ebenso viel über die Qualität einer Mannschaft aus.
Marseille, Narbonne und Perpignan
Marseille wurde zu einem ausgesprochen schweren Flug. Der internationale Sieger erreichte etwa 970 Meter pro Minute, während der niederländische Nationalsieger erst am nächsten Morgen eintraf. Die unterschiedlichen Entfernungen, Winde und Ankunftszeiten erschweren direkte Vergleiche. Narbonne hatte mit 17.592 Tauben die größte Beteiligung dieser Reihe. Leichter Ostwind führte zu einem anderen Flugbild als bei den Flügen mit Nordwind; Alttauben und Jährige erhielten getrennte internationale Wertungen.
Perpignan bildete traditionell den Abschluss, wurde 2026 aber von Mazamet-Castres gestartet. Mit 10.658 Tauben lag die Beteiligung unter der von 2025. Am Ende einer langen Saison waren gute natürliche Reserven entscheidend. Erfahrene Tauben hatten häufig Vorteile, doch auch Debütanten konnten überraschen, wenn sie gesund und ohne Überlastung eingesetzt wurden.
Technik, Regeln und Lehren
Eine Marathonleistung entsteht nicht durch eine einzige letzte Trainingseinheit. Gesundheit, Regelmäßigkeit, ruhiger Aufbau und vollständige Erholung zwischen den Flügen zählten mehr als erzwungene Form. Live-Konstatierungen machen das Warten sichtbar, verlangen aber korrekte Koordinaten, Zeitregistrierung und überprüfbare Systeme. Bei mehrtägigen Flügen bleibt die Frage, ob eine einheitliche Neutralisationszeit den geografischen Unterschieden zwischen Schlägen gerecht wird.
Die Marathonsaison 2026 war ein Plädoyer für Geduld, gute Vorbereitung und Respekt vor der Taube. Der wahre Wert zeigt sich nicht allein in der Rangliste, sondern auch im Heimkehren.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Una temporada de espera, perseverancia y regreso a casa
La temporada de maratón de 2026 demuestra que los resultados dependen de mucho más que la velocidad: también cuentan el tiempo, las decisiones de suelta, la geografía y la recuperación.
La temporada en cifras
Concurso
Participación
Característica
Agen
Palomas adultas y de un año
Aplazado varias veces por calor y tormentas; ganador adulto, 1.223 m/min.
Barcelona
16.278 adultas
Viento del norte; ganador internacional, 1.082 m/min en 1.057 km.
Marseille
6.857 adultas
Dos aplazamientos y viento del norte; ganador, 970 m/min.
Narbonne
17.592 adultas y de un año
Viento ligero del este; ganadores entre 1.058 y 1.106 m/min.
Perpiñán
10.658 adultas
Suelta trasladada a Mazamet-Castres por el tiempo y los incendios; ganador, 1.080 m/min.
El tiempo marcó el programa
Agen se aplazó sucesivamente por calor extremo y riesgo de tormentas; Marseille también esperó condiciones responsables. Para el último concurso internacional se sustituyó Perpiñán por Mazamet-Castres a causa del tiempo y los incendios forestales en Francia. Un maratón comienza antes de abrir las cestas: el transporte, el descanso, las nubes, la temperatura y el viento condicionan las reservas de cada paloma. La velocidad no expresa por sí sola la dificultad real del vuelo.
Barcelona como referencia
Barcelona contó con 16.278 palomas, más que en 2025. El viento del norte dificultó el regreso; la ganadora recorrió más de 1.057 kilómetros a una media de 1.082 metros por minuto. Tras las primeras llegadas siguieron regresando palomas el sábado y el domingo. Una llegada muy temprana decide premios, pero un buen porcentaje de regreso durante varios días también muestra la calidad y la preparación del equipo.
Marseille, Narbonne y Perpiñán
Marseille fue una prueba de carácter: la ganadora internacional alcanzó unos 970 metros por minuto y la ganadora nacional neerlandesa llegó a la mañana siguiente. Las diferencias de distancia y de hora hacen relativa una clasificación internacional. Narbonne reunió 17.592 palomas, la mayor participación de esta serie. El ligero viento del este dio una carrera diferente de los vuelos con viento del norte, con clasificaciones internacionales separadas para adultas y de un año.
Perpiñán cerró tradicionalmente la temporada, aunque la suelta de 2026 se hizo en Mazamet-Castres. Las 10.658 participantes fueron menos que en 2025. Al final de un año largo, las reservas naturales y la recuperación pesaron mucho; las debutantes también podían destacar si llegaban sanas y sin sobrecarga.
Lo que enseñó 2026
Una última preparación no construye por sí sola el rendimiento de maratón. La salud, la regularidad, un aumento gradual de la carga y la recuperación completa entre concursos importan más que buscar la forma a la fuerza. Los registros en directo hacen visible la espera, pero exigen coordenadas y horas correctas y sistemas verificables. En carreras de varios días merece estudiarse si una sola neutralización fija trata justamente a los palomares situados en regiones distintas.
La temporada de maratón no se decide únicamente por la velocidad, sino por la prudencia, la preparación, la paciencia y la voluntad de regresar.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Willem van Breene stelt de FCF en FCI voor om bij meerdaagse concoursen de neutralisatietijd individueel te berekenen op basis van de geografische coördinaten van ieder deelnemend hok.
16 minmogelijk verschil tussen Brussel en Parijs
1eigen geografisch referentiepunt per hok
FCF + FCIverzocht dit in reglementen en software te onderzoeken
Reactie FCI
Voorstel doorgestuurd naar de Sportcommissie
De FCI heeft Willem van Breene bedankt voor zijn voorstel over de neutralisatieperiode bij meerdaagse nationale en internationale wedvluchten. Secretaris-generaal Geert Philips bevestigt dat het voorstel is doorgestuurd naar de heer Kawaler, voorzitter van de FCI Sportcommissie.
Daarmee is het voorstel officieel bij de bevoegde sportcommissie in behandeling gebracht.
Lees de volledige brief in het Nederlands, Frans of EngelsOfficieel voorstel
Voorstel inzake de neutralisatietijd bij meerdaagse nationale en internationale wedvluchten
Geacht bestuur,
Graag leg ik u het volgende voorstel ter overweging voor. Het betreft de huidige wijze waarop de neutralisatietijd bij meerdaagse nationale en internationale wedvluchten wordt vastgesteld en een mogelijke aanpassing daarvan op basis van de technische mogelijkheden van deze tijd.
Naar mijn mening is de huidige methode voor het bepalen van de neutralisatietijd niet meer van deze tijd.
De methode doet denken aan de periode waarin bij wedvluchten één centraal punt — bijvoorbeeld de kerk in een dorp of stad — als referentiepunt gold voor alle deelnemende liefhebbers in die plaats. Destijds was dit begrijpelijk en praktisch. Tegenwoordig beschikken wij echter over de exacte geografische coördinaten van ieder hok en worden deze gegevens al gebruikt voor de berekening van de vliegafstanden.
Wanneer wij desondanks voor een groot geografisch gebied één vaste referentieplaats blijven gebruiken om de neutralisatietijd te bepalen, schiet de regel naar mijn mening zijn doel voorbij.
Een eenvoudig voorbeeld maakt dit duidelijk.
Op 3 juli ging de zon in Brussel om 22.00 uur onder en in Parijs om 21.58 uur. Op 4 juli kwam de zon in Brussel om 05.36 uur op en in Parijs om 05.54 uur.
Wanneer de neutralisatietijd loopt van 30 minuten na zonsondergang tot 30 minuten vóór zonsopgang, ontstaat tussen Brussel en Parijs een verschil van 16 minuten.
Afhankelijk van de gekozen referentieplaats — Brussel voor de internationale uitslag en Parijs voor de Franse nationale uitslag — kunnen deze 16 minuten in uitzonderlijke omstandigheden beslissend zijn. Ook Nederland past het principe van één vaste referentieplaats toe: de Nederlandse bond NPO gebruikt De Bilt voor het bepalen van de neutralisatietijd.
Het vraagstuk gaat daarom verder dan het verschil tussen Brussel en Parijs. Het gaat om het bredere principe dat één en dezelfde referentieplaats wordt toegepast op deelnemers van wie de hokken honderden kilometers uit elkaar kunnen liggen, terwijl zonsondergang en zonsopgang juist afhangen van de werkelijke geografische ligging van ieder hok.
En daarin ligt naar mijn mening de kern van de zaak: waarom zouden wij vandaag nog één vaste referentieplaats gebruiken terwijl de exacte coördinaten van ieder afzonderlijk hok al bekend zijn?
Stel dat het om de 1e Internationale prijs gaat… Dan wordt duidelijk dat een verschil van 16 minuten allesbehalve een onbelangrijk detail is.
Mijn voorstel
Daarom stel ik voor om bij meerdaagse wedvluchten de neutralisatietijd niet langer te koppelen aan één vaste referentieplaats, maar deze individueel te berekenen op basis van de geografische coördinaten van het hok van iedere deelnemer.
Zonsondergang en zonsopgang worden dan bepaald volgens de werkelijke geografische ligging van ieder afzonderlijk hok, waardoor voor iedere deelnemer een geografisch correcte neutralisatietijd ontstaat.
Deze werkwijze biedt duidelijke voordelen. Iedere deelnemer wordt beoordeeld op basis van de werkelijke geografische ligging van zijn of haar hok in plaats van een centraal gekozen referentiestad. Bovendien wordt voor iedereen dezelfde astronomische berekeningsmethode toegepast, waardoor de neutralisatietijd principieel gelijk, controleerbaar en reproduceerbaar wordt.
Ook technisch lijkt dit volledig uitvoerbaar. De coördinaten van de hokken zijn al bekend en worden gebruikt voor de berekening van de vliegafstanden. Met de huidige technologie kan de classificatiesoftware diezelfde coördinaten gebruiken om automatisch de plaatselijke tijden van zonsondergang en zonsopgang te berekenen en vervolgens de juiste individuele neutralisatietijd toe te passen.
Deze methode verdient vooral overweging bij nationale en internationale wedvluchten die langer dan één dag duren, omdat juist bij dergelijke concoursen verschillen in zonsondergang en zonsopgang invloed kunnen hebben op de uiteindelijke klassering.
Waar één centraal referentiepunt vroeger om praktische redenen begrijpelijk was, maakt de technologie van vandaag het mogelijk ieder hok als zijn eigen geografische referentiepunt te gebruiken.
Mijn voorstel aan de Fédération Colombophile Française (FCF) en de Fédération Colombophile Internationale (FCI) is daarom te onderzoeken of deze individuele berekening van de neutralisatietijd kan worden opgenomen in toekomstige wedvluchtreglementen en classificatiesoftware.
Uiteindelijk gaat het om een eenvoudig maar essentieel sportief principe: de duif die de beste sportieve prestatie heeft geleverd, moet ook de duif zijn die daadwerkelijk als winnaar van de wedvlucht wordt geklasseerd.
Met vriendelijke groet,
Willem van BreeneLid van postduivenvereniging L’Hirondelle, Isigny-sur-Mer – FrankrijkOud-vicevoorzitter N.P.O. – NederlandOud-lid F.C.I. StandaardcommissieOud-lid F.C.I. Commissie Statuten & Reglementen
Proposition officielle
Proposition concernant la période de neutralisation des concours nationaux et internationaux de plusieurs jours
Mesdames et Messieurs les membres du Conseil d’administration,
Je souhaite soumettre à votre réflexion la proposition suivante. Elle concerne la méthode actuelle de détermination de la période de neutralisation pour les concours nationaux et internationaux de plusieurs jours, ainsi qu’une adaptation possible fondée sur les possibilités techniques disponibles aujourd’hui.
À mon avis, la méthode actuelle de détermination de la période de neutralisation n’est plus adaptée à notre époque.
Elle rappelle le temps où, dans les concours de pigeons, un point central — par exemple l’église d’un village ou d’une ville — servait de référence à tous les colombophiles participants de cette localité. À l’époque, cette méthode était compréhensible et pratique. Aujourd’hui, nous disposons toutefois des coordonnées géographiques exactes de chaque colombier et ces données sont déjà utilisées pour calculer les distances de vol.
Si, malgré cela, nous continuons à fonder la période de neutralisation sur un seul lieu de référence fixe pour une vaste zone géographique, nous passons, à mon avis, à côté de l’objectif de la règle.
Un exemple simple l’illustre clairement.
Le 3 juillet, le soleil s’est couché à Bruxelles à 22 h 00 et à Paris à 21 h 58. Le 4 juillet, le soleil s’est levé à Bruxelles à 5 h 36 et à Paris à 5 h 54.
Lorsque la période de neutralisation s’étend de 30 minutes après le coucher du soleil à 30 minutes avant son lever, cela crée une différence de 16 minutes entre Bruxelles et Paris.
Selon le lieu de référence choisi — Bruxelles pour le résultat international et Paris pour le résultat national français — ces 16 minutes peuvent, dans des circonstances exceptionnelles, être décisives. Les Pays-Bas appliquent également le principe d’un seul lieu de référence fixe : la fédération néerlandaise NPO utilise De Bilt pour déterminer la période de neutralisation.
La question dépasse donc la différence entre Bruxelles et Paris. Elle concerne le principe plus général qui consiste à appliquer un seul et même lieu de référence à des participants dont les colombiers peuvent être distants de plusieurs centaines de kilomètres, alors que le coucher et le lever du soleil dépendent précisément de la position géographique réelle de chaque colombier.
Et c’est là, à mon avis, le cœur du problème : pourquoi utiliser encore aujourd’hui un seul lieu de référence fixe alors que les coordonnées exactes de chaque colombier sont déjà connues ?
Imaginons qu’il s’agisse du 1er prix International… Il devient alors évident qu’une différence de 16 minutes est loin d’être un détail insignifiant.
Ma proposition
Je propose donc que, pour les concours de plusieurs jours, la période de neutralisation ne soit plus liée à un seul lieu de référence fixe, mais qu’elle soit calculée individuellement sur la base des coordonnées géographiques du colombier de chaque participant.
Le coucher et le lever du soleil seraient alors déterminés selon la position géographique réelle de chaque colombier, créant ainsi une période de neutralisation géographiquement correcte pour chaque participant.
Cette méthode présente des avantages évidents. Chaque participant serait évalué selon la position géographique réelle de son colombier plutôt que selon une ville de référence choisie de manière centralisée. En outre, la même méthode de calcul astronomique serait appliquée à tous, rendant la période de neutralisation cohérente dans son principe, vérifiable et reproductible.
D’un point de vue technique, cette solution paraît également tout à fait réalisable. Les coordonnées des colombiers sont déjà connues et utilisées pour calculer les distances de vol. Avec la technologie actuelle, les logiciels de classement peuvent utiliser ces mêmes coordonnées pour calculer automatiquement les heures locales de coucher et de lever du soleil, puis appliquer la période de neutralisation individuelle correcte.
Cette méthode devrait être envisagée en particulier pour les concours nationaux et internationaux de plus d’une journée, car c’est précisément dans ces concours que les différences d’heures de coucher et de lever du soleil peuvent influencer le classement final.
Si un point de référence central était autrefois compréhensible pour des raisons pratiques, la technologie actuelle permet désormais d’utiliser chaque colombier comme son propre point de référence géographique.
Ma proposition à la Fédération Colombophile Française (FCF) et à la Fédération Colombophile Internationale (FCI) est donc d’étudier la possibilité d’intégrer ce calcul individuel de la période de neutralisation dans les futurs règlements de concours et logiciels de classement.
En définitive, il s’agit d’un principe sportif simple mais essentiel : le pigeon qui a réalisé la meilleure performance sportive doit également être celui qui est effectivement classé vainqueur du concours.
Avec mes salutations distinguées,
Willem van BreeneMembre de la société colombophile L’Hirondelle, Isigny-sur-Mer – FranceAncien vice-président de la N.P.O. – Pays-BasAncien membre de la Commission Standard de la F.C.I.Ancien membre de la Commission Statuts & Règlements de la F.C.I.
Official proposal
Proposal concerning the neutralisation period for multi-day national and international races
Dear Members of the Board,
I would like to submit the following proposal for your consideration. It concerns the current method used to determine the neutralisation period for multi-day national and international races, and a possible adjustment based on the technical possibilities available today.
In my view, the current method of determining the neutralisation period is no longer appropriate for the present day.
It is reminiscent of the time when, in pigeon races, one central point — for example the church in a village or town — was used as the reference point for all participating fanciers in that locality. At the time, this was understandable and practical. Today, however, we have the exact geographical coordinates of every loft, and these data are already used to calculate race distances.
If, despite this, we continue to base the neutralisation period on one fixed reference location for a large geographical area, then in my opinion we are missing the purpose of the rule.
A simple example illustrates this clearly.
On 3 July, sunset in Brussels was at 22:00 and in Paris at 21:58. On 4 July, sunrise in Brussels was at 05:36 and in Paris at 05:54.
When the neutralisation period runs from 30 minutes after sunset until 30 minutes before sunrise, this creates a difference of 16 minutes between Brussels and Paris.
Depending on the chosen reference location — Brussels for the international result and Paris for the French national result — those 16 minutes can, in exceptional circumstances, be decisive. The Netherlands also applies the principle of one fixed reference location: the Dutch federation NPO uses De Bilt to determine the neutralisation period.
The issue therefore goes beyond the difference between Brussels and Paris. It concerns the broader principle of applying one and the same reference location to participants whose lofts may be hundreds of kilometres apart, even though sunset and sunrise depend precisely on the actual geographical location of each loft.
And that, in my opinion, is the heart of the matter: why should we still use one fixed reference location today when the exact coordinates of every individual loft are already known?
Imagine that it concerns the 1st International prize… It then becomes clear that a difference of 16 minutes is anything but an insignificant detail.
My proposal
I therefore propose that, for multi-day races, the neutralisation period should no longer be linked to one fixed reference location, but should instead be calculated individually on the basis of the geographical coordinates of each participant’s loft.
Sunset and sunrise would then be determined according to the actual geographical location of each individual loft, creating a geographically correct neutralisation period for every participant.
This approach offers clear advantages. Each participant would be assessed according to the actual geographical location of his or her loft rather than a centrally selected reference city. In addition, the same astronomical calculation method would be applied to everyone, making the neutralisation period consistent in principle, verifiable and reproducible.
From a technical perspective, this also appears entirely feasible. The coordinates of the lofts are already known and used to calculate race distances. With today’s technology, classification software can use those same coordinates to calculate the local sunset and sunrise times automatically and then apply the correct individual neutralisation period.
This method should be considered in particular for national and international races lasting more than one day, because it is precisely in such races that differences in sunset and sunrise times can affect the final classification.
Whereas one central reference point was understandable in the past for practical reasons, today’s technology makes it possible to use each loft as its own geographical reference point.
My proposal to the Fédération Colombophile Française (FCF) and the Fédération Colombophile Internationale (FCI) is therefore to investigate whether this individual calculation of the neutralisation period can be incorporated into future race regulations and classification software.
Ultimately, this is about a simple but essential sporting principle: the pigeon that has delivered the best sporting performance should also be the pigeon that is actually classified as the winner of the race.
Yours sincerely,
Willem van BreeneMember of the pigeon racing club L’Hirondelle, Isigny-sur-Mer – FranceFormer Vice-President, N.P.O. – NetherlandsFormer member, F.C.I. Standard CommissionFormer member, F.C.I. Statutes & Regulations Commission
Offizieller Vorschlag
Vorschlag zur Neutralisationszeit bei mehrtägigen nationalen und internationalen Flügen
Sehr geehrte Damen und Herren des Vorstandes,
Ich möchte Ihnen folgenden Vorschlag zur Prüfung vorlegen. Er betrifft die heutige Festlegung der Neutralisationszeit bei mehrtägigen nationalen und internationalen Flügen und eine Anpassung an die technischen Möglichkeiten unserer Zeit.
Meiner Ansicht nach ist die bisherige Methode zur Bestimmung der Neutralisationszeit nicht mehr zeitgemäß.
Früher diente ein zentraler Punkt – etwa die Kirche eines Ortes – als Bezug für alle teilnehmenden Züchter. Das war verständlich und praktisch. Heute sind jedoch die genauen geografischen Koordinaten jedes Schlages bekannt und werden bereits zur Berechnung der Flugentfernungen verwendet.
Ein einziger Bezugsort für ein großes Gebiet verfehlt damit nach meiner Auffassung den Zweck der Regel. Ein einfaches Beispiel verdeutlicht das Problem: Am 3. Juli ging die Sonne in Brüssel um 22.00 Uhr und in Paris um 21.58 Uhr unter. Am 4. Juli ging sie in Brüssel um 05.36 Uhr und in Paris um 05.54 Uhr auf.
Wenn die Neutralisationszeit 30 Minuten nach Sonnenuntergang beginnt und 30 Minuten vor Sonnenaufgang endet, entsteht zwischen Brüssel und Paris ein Unterschied von 16 Minuten. Brüssel als Bezugsort der internationalen und Paris als Bezugsort der französischen nationalen Wertung können so unter besonderen Umständen zu unterschiedlichen Ergebnissen führen. Auch die niederländische NPO verwendet mit De Bilt einen festen Bezugsort. Bei einem internationalen Spitzenpreis kann dieser Unterschied entscheidend sein.
Das Problem reicht über Brüssel und Paris hinaus. Ein einziger Bezugsort wird auf Schläge angewendet, die Hunderte Kilometer voneinander entfernt liegen, obwohl Sonnenaufgang und Sonnenuntergang von der tatsächlichen Lage jedes Schlages abhängen.
Warum sollte heute noch ein fester Ort maßgebend sein, wenn die genauen Koordinaten jedes einzelnen Schlages bereits bekannt sind?
Mein Vorschlag
Bei mehrtägigen Flügen sollte die Neutralisationszeit nicht länger an einen festen Bezugsort gekoppelt sein, sondern individuell anhand der geografischen Koordinaten jedes teilnehmenden Schlages berechnet werden.
Damit würde jeder Teilnehmer nach der wirklichen Lage seines Schlages beurteilt. Für alle käme dieselbe astronomische Berechnungsmethode zur Anwendung; das Ergebnis wäre fair, überprüfbar und reproduzierbar.
Dieser Ansatz ist besonders bei nationalen und internationalen Flügen von mehr als einem Tag zu prüfen, weil dort die Unterschiede bei Sonnenuntergang und Sonnenaufgang das Endergebnis beeinflussen können. Technisch ist dies umsetzbar. Die Schlagkoordinaten sind bereits vorhanden. Moderne Auswertungssoftware kann daraus automatisch die örtlichen Zeiten für Sonnenuntergang und Sonnenaufgang sowie die richtige Neutralisationszeit bestimmen.
Ich bitte die Fédération Colombophile Française (FCF) und die Fédération Colombophile Internationale (FCI), die Aufnahme dieser individuellen Berechnung in künftige Flugreglemente und Auswertungsprogramme zu prüfen.
Es geht um ein einfaches, aber wesentliches sportliches Prinzip: Die Taube mit der besten sportlichen Leistung muss auch tatsächlich als Siegerin gewertet werden.
Mit freundlichen Grüßen,
Willem van BreeneMitglied des Brieftaubenvereins L’Hirondelle, Isigny-sur-Mer – FrankreichEhemaliger Vizepräsident der N.P.O. – NiederlandeEhemaliges Mitglied der F.C.I.-StandardkommissionEhemaliges Mitglied der F.C.I.-Kommission für Satzung und Reglemente
Propuesta oficial
Propuesta sobre el tiempo de neutralización en concursos de varios días
Estimados miembros de la dirección:
Quisiera someter a su consideración una propuesta sobre la forma actual de determinar el periodo de neutralización en concursos nacionales e internacionales de varios días y su posible adaptación a las posibilidades técnicas de hoy.
En mi opinión, el método basado en un único punto de referencia ya no responde a las posibilidades técnicas actuales.
Antes se utilizaba un punto central, por ejemplo la iglesia de una localidad, como referencia para todos los participantes de ese lugar. Era comprensible y práctico. Hoy conocemos las coordenadas geográficas exactas de cada palomar y ya las utilizamos para calcular las distancias de vuelo. Si seguimos usando una sola ciudad de referencia para una región extensa, la regla deja de cumplir su propósito.
Un ejemplo lo muestra con claridad. El 3 de julio el sol se puso a las 22:00 en Bruselas y a las 21:58 en París. El 4 de julio salió a las 05:36 en Bruselas y a las 05:54 en París. Si el periodo de neutralización comienza 30 minutos después de la puesta del sol y termina 30 minutos antes del amanecer, la diferencia entre ambas ciudades es de 16 minutos. Según se utilice Bruselas para la clasificación internacional o París para la clasificación nacional francesa, esos 16 minutos pueden resultar decisivos en circunstancias excepcionales. La federación neerlandesa NPO también emplea un punto fijo: De Bilt.
La cuestión va más allá de Bruselas y París: se aplica un mismo lugar de referencia a palomares separados por cientos de kilómetros, aunque el amanecer y el atardecer dependan de la ubicación real de cada uno. ¿Por qué mantener un punto fijo si ya conocemos las coordenadas de todos los palomares? Cuando está en juego el primer premio internacional, 16 minutos distan mucho de ser un detalle insignificante.
Mi propuesta
En los concursos de varios días propongo calcular el periodo de neutralización individualmente a partir de las coordenadas geográficas de cada palomar participante. La salida y la puesta del sol corresponderían así a su ubicación real. Cada participante sería evaluado según su propio palomar, utilizando para todos el mismo método de cálculo astronómico: un procedimiento equitativo, verificable y reproducible.
Es técnicamente viable: las coordenadas ya se emplean para calcular las distancias y el programa de clasificación puede utilizarlas también para determinar automáticamente los horarios locales y el periodo individual de neutralización. Este método merece especial atención en los concursos nacionales e internacionales de más de un día, donde esas diferencias pueden afectar a la clasificación. Por ello solicito a la FCF y a la FCI que estudien su incorporación a los futuros reglamentos y programas de clasificación.
La idea es sencilla: la paloma que haya realizado la mejor actuación deportiva debe ser también la que figure realmente como ganadora.
Atentamente,
Willem van BreeneMiembro de L’Hirondelle, Isigny-sur-Mer – FranciaAntiguo vicepresidente de la N.P.O. – Países BajosAntiguo miembro de la Comisión de Estándares de la F.C.I.Antiguo miembro de la Comisión de Estatutos y Reglamentos de la F.C.I.
Organisaties
19 · 10 · 2026
De duif is gelost. Nu de commissie nog.
Een satirische column over commissies, controlecommissies en een oude doffer die het kort houdt.
De duif is gelost. De commissie vergadert verder. Illustratie gemaakt met AI.
Van onze correspondent in Frankrijk
Vroeger was ik naïef.
Als er in de duivensport een probleem was, dacht ik dat je een paar verstandige mensen bij elkaar moest zetten, de zaak bespreken en een oplossing bedenken.
Daar schaam ik mij inmiddels diep voor.
Zoiets getuigt van een ontstellend gebrek aan bestuurlijk inzicht. Je slaat daarmee immers de belangrijkste fase over: vaststellen wie bevoegd is om te onderzoeken of er mogelijk aanleiding bestaat om het probleem voorlopig als probleem te erkennen.
Daar stel je dus een commissie voor aan.
Die begint met een verkennend rapport. Daarin staat dat het probleem complexer is dan aanvankelijk gedacht en dat nader onderzoek noodzakelijk is. Dat vind ik altijd geruststellend. Een commissie die na twee avonden zegt: ‘De duif is binnen’, maakt toch een wat onprofessionele indruk.
Bovendien: wat moet je dan met de derde gereserveerde vergaderavond?
Om iedere schijn van amateurisme te vermijden, huren we vervolgens een commercieel bureau in. Dat heeft verstand van processen. Van duiven iets minder, maar dat kan juist verfrissend werken. Wie nooit een duif heeft gelost, laat zich ook niet hinderen door de gedachte dat je soms gewoon het hok moet openen.
Na drie maanden verschijnt een prachtig rapport.
Ik heb het gelezen. Althans, de voorkant. Die was uitstekend.
Er stond een duif op, dus men had zich duidelijk in de materie verdiept.
Binnenin ging het over draagvlak, toekomstbestendige structuren en het versterken van verbinding. Ik begreep niet alles, maar voor het gefactureerde bedrag mocht je ook wel wat moeilijke woorden verwachten.
Mijn duiven versterken hun verbinding doorgaans door naast elkaar op een plank te gaan zitten. Maar die hebben dan ook nooit een managementopleiding gevolgd.
Het rapport moest natuurlijk gecontroleerd worden.
Daarvoor kwam een begeleidingscommissie.
Die stelde vast dat het bureau zorgvuldig te werk was gegaan, maar adviseerde een onafhankelijke toetsingscommissie om te beoordelen of de begeleiding voldoende onafhankelijk was geweest.
Dat vond ik verstandig. Je kunt tegenwoordig niet voorzichtig genoeg zijn.
Zelf controleer ik ’s avonds ook of het hok dicht is. Kina vraagt daarna of ik het werkelijk gecontroleerd heb. Het verschil is alleen dat wij daar nog nooit een externe deskundige bij hebben ingehuurd.
Misschien laten wij kansen liggen.
Na de toetsing moest er een samenvatting komen. Het oorspronkelijke rapport telde inmiddels zoveel pagina’s dat niemand het nog las, behalve de mensen die ervoor betaald werden.
Er werd daarom een rapportagecommissie ingesteld.
Die maakte een samenvatting van de conclusies van de controle op de begeleiding van het onderzoek naar het oorspronkelijke probleem.
Het oorspronkelijke probleem zelf was inmiddels even zoek.
Gelukkig stond het nog ergens in de notulen.
Toen kon alles eindelijk naar de vergadering.
Ik ging er eens goed voor zitten. Nu zouden we besluiten.
Maar een oplettend lid vroeg of de stukken wel tijdig waren verzonden.
Daarmee waren we weer helemaal bij de les.
De voorzitter stelde voor het onderwerp door te schuiven naar de volgende vergadering en in de tussentijd een kleine commissie te benoemen die de besluitvorming kon voorbereiden.
Unaniem aangenomen.
Zelf stemde ik ook vóór. Ik moest naar huis om de duiven te voeren.
Daar zit natuurlijk mijn zwakke plek. Ik schrijf dit allemaal wel zo vrolijk op, maar ik heb zelf genoeg bestuurstafels van dichtbij gezien. Ik heb vergaderd, genotuleerd en ongetwijfeld ook weleens voorgesteld ergens ‘nog even zorgvuldig naar te kijken’.
Waarschijnlijk zit er nog ergens een commissie op mijn antwoord te wachten.
Daarvoor alsnog mijn excuses.
Ondertussen vroeg een liefhebber wat deze hele operatie had gekost.
Dat was een terechte vraag, maar helaas te vroeg gesteld. De financiële evaluatie volgde pas na afronding van het traject. En het traject kon pas worden afgerond nadat de evaluatiecommissie haar werkzaamheden had geëvalueerd.
Bij mij op het hok zat intussen een oude doffer naar mij te kijken.
‘En?’ leek hij te vragen. ‘Zijn jullie eruit?’
Ik legde hem uit dat er belangrijke stappen waren gezet, dat het proces zorgvuldig verliep en dat we binnenkort waarschijnlijk konden vaststellen wie de vervolgstappen zou gaan voorbereiden.
Hij draaide zich om en liet iets vallen.
Een korte reactie.
Zonder bijlage.
Ik overweeg hem voor te dragen als voorzitter. Hij komt snel tot de kern, blijft nooit langer zitten dan nodig en levert iedere dag een tastbaar resultaat.
Er is maar één bezwaar.
Hij werkt voor een handje voer.
Voor dat tarief neemt natuurlijk niemand hem serieus.
Redactie
19 · 10 · 2026
Le pigeon est lâché. Reste la commission.
Une chronique satirique sur les commissions, leurs contrôleurs et un vieux mâle qui va droit au but.
Le pigeon est lâché. La commission poursuit sa réunion. Illustration créée avec l’IA.
De notre correspondant en France
Autrefois, j’étais naïf.
Lorsqu’un problème se présentait en colombophilie, je pensais qu’il suffisait de réunir quelques personnes sensées, d’en discuter et de trouver une solution.
J’en ai désormais profondément honte.
Une telle démarche révèle une affligeante méconnaissance du fonctionnement administratif. On saute ainsi l’étape essentielle : déterminer qui est habilité à examiner s’il existe éventuellement des raisons de reconnaître provisoirement le problème comme un problème.
On nomme donc une commission.
Elle commence par un rapport exploratoire. Celui-ci indique que le problème est plus complexe que prévu et nécessite des recherches complémentaires. Voilà qui me rassure toujours. Une commission qui annonce après deux soirées : « Le pigeon est rentré » donne tout de même une impression peu professionnelle.
Et puis, que ferait-on de la troisième soirée de réunion déjà réservée ?
Pour éviter tout soupçon d’amateurisme, on fait ensuite appel à un cabinet de conseil privé. Il connaît les processus. Les pigeons, un peu moins, mais cela peut apporter un regard neuf. Celui qui n’a jamais lâché un pigeon n’est pas gêné par l’idée qu’il suffit parfois d’ouvrir le colombier.
Trois mois plus tard paraît un magnifique rapport.
Je l’ai lu. Enfin, la couverture. Elle était excellente.
Il y avait un pigeon dessus : manifestement, le sujet avait été étudié.
À l’intérieur, il était question d’adhésion des parties prenantes, de structures pérennes et de renforcement des liens. Je n’ai pas tout compris, mais au montant facturé, on pouvait tout de même espérer quelques mots compliqués.
Mes pigeons renforcent généralement leurs liens en se posant côte à côte sur une planche. Mais ils n’ont jamais suivi de formation au management.
Il fallait naturellement contrôler le rapport.
On a donc créé une commission de suivi.
Elle a constaté que le cabinet avait travaillé avec soin, mais recommandé une commission d’évaluation indépendante pour vérifier si le suivi avait été suffisamment indépendant.
Cela m’a paru raisonnable. De nos jours, on n’est jamais trop prudent.
Moi aussi, je vérifie chaque soir que le colombier est fermé. Kina me demande ensuite si j’ai vraiment vérifié. La seule différence, c’est que nous n’avons encore jamais engagé d’expert extérieur pour cela.
Nous passons peut-être à côté d’une opportunité.
Après l’évaluation, il fallait une synthèse. Le rapport initial comptait désormais tant de pages que seuls ceux qui étaient payés pour le lire le lisaient encore.
Une commission de rédaction a donc été constituée.
Elle a résumé les conclusions du contrôle du suivi de l’enquête sur le problème initial.
Le problème initial, lui, avait momentanément disparu.
Heureusement, il figurait encore quelque part dans le procès-verbal.
Le dossier pouvait enfin passer en assemblée.
Je me suis bien installé. Cette fois, nous allions décider.
Mais un membre attentif a demandé si les documents avaient été envoyés dans les délais.
Nous voilà revenus aux choses sérieuses.
Le président a proposé de reporter le sujet à la prochaine réunion et de nommer entre-temps une petite commission chargée de préparer la prise de décision.
Adopté à l’unanimité.
J’ai voté pour, moi aussi. Je devais rentrer nourrir les pigeons.
C’est évidemment mon point faible. Je raconte tout cela avec le sourire, mais j’ai moi-même fréquenté bien des tables de conseil. J’ai participé à des réunions, rédigé des procès-verbaux et certainement proposé, moi aussi, « d’examiner cela encore un peu plus attentivement ».
Quelque part, une commission attend probablement toujours ma réponse.
Qu’elle accepte mes excuses tardives.
Pendant ce temps, un amateur a demandé combien toute l’opération avait coûté.
Question légitime, mais malheureusement prématurée. L’évaluation financière interviendrait après la clôture du processus. Et le processus ne pouvait être clos qu’après que la commission d’évaluation aurait évalué ses propres travaux.
Au colombier, un vieux mâle me regardait.
« Alors ? semblait-il demander. Vous avez trouvé ? »
Je lui ai expliqué que des étapes importantes avaient été franchies, que le processus suivait son cours avec rigueur et que nous pourrions probablement bientôt déterminer qui préparerait les prochaines étapes.
Il s’est retourné et a laissé tomber quelque chose.
Une brève réaction.
Sans pièce jointe.
J’envisage de le proposer comme président. Il va droit à l’essentiel, ne reste jamais perché plus longtemps que nécessaire et produit chaque jour un résultat tangible.
Il n’y a qu’un inconvénient.
Il travaille pour une poignée de graines.
À ce tarif-là, évidemment, personne ne le prend au sérieux.
Rédaction
19 · 10 · 2026
The pigeon has been released. Now for the committee.
A satirical column about committees, their reviewers and an old cock pigeon who keeps it brief.
The pigeon has been released. The committee is still meeting. AI-generated illustration.
From our correspondent in France
I used to be naïve.
When there was a problem in pigeon racing, I thought you should gather a few sensible people, discuss it and find a solution.
I am now deeply ashamed of myself.
Such an approach reveals a shocking lack of administrative insight. You skip the most important stage: establishing who is authorised to investigate whether there might be grounds for provisionally recognising the problem as a problem.
So you appoint a committee.
It starts with an exploratory report. This explains that the problem is more complex than first thought and requires further investigation. I always find that reassuring. A committee that says, after two evenings, ‘The pigeon is home’ seems rather unprofessional.
Besides, what would you do with the third evening already booked for a meeting?
To avoid any suggestion of amateurism, we then hire a commercial consultancy. It understands processes. Pigeons rather less, but that can be refreshing. Anyone who has never released a pigeon is not troubled by the thought that sometimes you simply need to open the loft.
Three months later, a splendid report appears.
I have read it. The cover, anyway. It was excellent.
It featured a pigeon, so they had clearly researched the subject.
Inside, it discussed stakeholder buy-in, future-proof structures and strengthening connections. I did not understand everything, but for the amount invoiced you were entitled to expect a few difficult words.
My pigeons usually strengthen their connections by sitting next to each other on a perch. But then, they have never attended management school.
Naturally, the report had to be checked.
A steering committee was appointed.
It found that the consultancy had worked carefully, but recommended an independent review committee to assess whether the supervision had been sufficiently independent.
That seemed sensible. You cannot be too careful these days.
I also check each evening that the loft is shut. Kina then asks whether I have really checked. The only difference is that we have never hired an outside expert for the job.
Perhaps we are missing opportunities.
After the review, a summary was needed. The original report now had so many pages that nobody read it except those paid to do so.
A reporting committee was therefore appointed.
It summarised the conclusions of the review of the supervision of the investigation into the original problem.
The original problem itself had temporarily gone missing.
Fortunately, it was still somewhere in the minutes.
At last, everything could go before the meeting.
I settled into my chair. Now we would decide.
But an attentive member asked whether the papers had been circulated in time.
That brought us firmly back to business.
The chairman proposed postponing the matter until the next meeting and, meanwhile, appointing a small committee to prepare the decision-making process.
Carried unanimously.
I voted in favour too. I had to get home to feed the pigeons.
That is my weakness, of course. I write all this quite cheerfully, but I have spent plenty of time around boardroom tables myself. I have attended meetings, taken minutes and undoubtedly suggested that we ‘look into something a little more carefully’.
Somewhere, a committee is probably still waiting for my answer.
My belated apologies.
Meanwhile, a fancier asked what the whole operation had cost.
A fair question, but unfortunately premature. The financial evaluation would follow completion of the process. And the process could only be completed once the evaluation committee had evaluated its own work.
Back in my loft, an old cock pigeon was watching me.
‘Well?’ he seemed to ask. ‘Have you sorted it out?’
I explained that important steps had been taken, that the process was proceeding carefully and that we would probably soon be able to establish who would prepare the next steps.
He turned round and dropped something.
A brief response.
No attachment.
I am considering nominating him as chairman. He gets straight to the point, never sits longer than necessary and delivers a tangible result every day.
There is just one objection.
He works for a handful of grain.
At that rate, of course, nobody takes him seriously.
Editorial team
19 · 10 · 2026
Die Taube ist aufgelassen. Jetzt fehlt nur noch der Ausschuss.
Eine satirische Kolumne über Ausschüsse, ihre Kontrolleure und einen alten Täuber, der sich kurzfasst.
Die Taube ist gestartet. Die Kommission tagt weiter. Mit KI erstellte Illustration.
Von unserem Korrespondenten in Frankreich
Früher war ich naiv.
Wenn es im Taubensport ein Problem gab, dachte ich, man müsse ein paar vernünftige Menschen zusammenbringen, die Sache besprechen und eine Lösung finden.
Dafür schäme ich mich inzwischen zutiefst.
So etwas zeugt von einem erschreckenden Mangel an Verwaltungskompetenz. Man überspringt nämlich die wichtigste Phase: festzustellen, wer befugt ist zu prüfen, ob möglicherweise Anlass besteht, das Problem vorläufig als Problem anzuerkennen.
Dafür setzt man also einen Ausschuss ein.
Der beginnt mit einem Sondierungsbericht. Darin steht, das Problem sei komplexer als zunächst angenommen und weitere Untersuchungen seien nötig. Das beruhigt mich immer. Ein Ausschuss, der nach zwei Abenden sagt: „Die Taube ist da“, wirkt doch etwas unprofessionell.
Und was macht man dann mit dem dritten bereits reservierten Sitzungsabend?
Um jeden Verdacht von Amateurhaftigkeit zu vermeiden, beauftragen wir anschließend ein kommerzielles Beratungsbüro. Das versteht etwas von Prozessen. Von Tauben etwas weniger, aber das kann erfrischend sein. Wer noch nie eine Taube aufgelassen hat, wird auch nicht durch den Gedanken behindert, dass man manchmal einfach den Schlag öffnen muss.
Nach drei Monaten erscheint ein prächtiger Bericht.
Ich habe ihn gelesen. Jedenfalls den Umschlag. Der war hervorragend.
Eine Taube war darauf abgebildet. Man hatte sich also offenbar mit der Materie beschäftigt.
Im Inneren ging es um Akzeptanz, zukunftsfähige Strukturen und die Stärkung von Verbindungen. Ich verstand nicht alles, aber für den Rechnungsbetrag durfte man schon ein paar schwierige Wörter erwarten.
Meine Tauben stärken ihre Verbindungen meistens, indem sie sich nebeneinander auf ein Brett setzen. Allerdings haben sie auch nie eine Managementausbildung absolviert.
Natürlich musste der Bericht kontrolliert werden.
Dafür kam ein Begleitausschuss.
Er stellte fest, dass das Büro sorgfältig gearbeitet hatte, empfahl aber einen unabhängigen Prüfausschuss, der beurteilen sollte, ob die Begleitung ausreichend unabhängig gewesen war.
Das fand ich vernünftig. Man kann heutzutage nicht vorsichtig genug sein.
Ich prüfe abends auch, ob der Schlag geschlossen ist. Kina fragt danach, ob ich wirklich nachgesehen habe. Der einzige Unterschied: Wir haben dafür noch nie einen externen Sachverständigen engagiert.
Vielleicht lassen wir uns Chancen entgehen.
Nach der Prüfung musste eine Zusammenfassung her. Der ursprüngliche Bericht hatte inzwischen so viele Seiten, dass ihn nur noch diejenigen lasen, die dafür bezahlt wurden.
Deshalb wurde ein Berichtsausschuss eingesetzt.
Er fasste die Schlussfolgerungen aus der Kontrolle der Begleitung der Untersuchung des ursprünglichen Problems zusammen.
Das ursprüngliche Problem selbst war inzwischen vorübergehend verschwunden.
Zum Glück stand es noch irgendwo im Protokoll.
Endlich konnte alles in der Versammlung behandelt werden.
Ich machte es mir bequem. Jetzt würden wir entscheiden.
Doch ein aufmerksames Mitglied fragte, ob die Unterlagen rechtzeitig verschickt worden seien.
Damit waren wir wieder ganz bei der Sache.
Der Vorsitzende schlug vor, das Thema auf die nächste Sitzung zu verschieben und inzwischen einen kleinen Ausschuss zu ernennen, der die Beschlussfassung vorbereiten sollte.
Einstimmig angenommen.
Ich stimmte ebenfalls dafür. Ich musste nach Hause, die Tauben füttern.
Da liegt natürlich meine Schwäche. Ich schreibe das alles so vergnügt auf, habe aber selbst an genügend Vorstandstischen gesessen. Ich habe getagt, Protokoll geführt und zweifellos auch einmal vorgeschlagen, sich etwas „noch etwas genauer anzusehen“.
Wahrscheinlich wartet irgendwo noch ein Ausschuss auf meine Antwort.
Dafür nachträglich meine Entschuldigung.
Inzwischen fragte ein Züchter, was die ganze Aktion gekostet habe.
Eine berechtigte Frage, leider zu früh gestellt. Die finanzielle Bewertung sollte nach Abschluss des Verfahrens erfolgen. Und das Verfahren konnte erst abgeschlossen werden, nachdem der Bewertungsausschuss seine eigene Arbeit bewertet hatte.
Im Schlag saß inzwischen ein alter Täuber und sah mich an.
„Und?“, schien er zu fragen. „Seid ihr weitergekommen?“
Ich erklärte ihm, dass wichtige Schritte unternommen worden seien, das Verfahren sorgfältig verlaufe und wir wohl bald feststellen könnten, wer die nächsten Schritte vorbereiten werde.
Er drehte sich um und ließ etwas fallen.
Eine kurze Stellungnahme.
Ohne Anlage.
Ich überlege, ihn als Vorsitzenden vorzuschlagen. Er kommt schnell zur Sache, bleibt nie länger sitzen als nötig und liefert jeden Tag ein greifbares Ergebnis.
Es gibt nur einen Einwand.
Er arbeitet für eine Handvoll Futter.
Bei diesem Honorar nimmt ihn natürlich niemand ernst.
Redaktion
19 · 10 · 2026
La paloma ya está suelta. Ahora falta la comisión.
Una columna satírica sobre comisiones, sus supervisores y un viejo palomo que va directo al grano.
La paloma ya ha sido soltada. La comisión sigue reunida. Ilustración creada con IA.
De nuestro corresponsal en Francia
Antes era ingenuo.
Cuando surgía un problema en la colombofilia, pensaba que bastaba con reunir a unas cuantas personas sensatas, hablar del asunto y encontrar una solución.
Ahora me avergüenzo profundamente de ello.
Eso demuestra una alarmante falta de criterio administrativo. Uno se salta precisamente la fase más importante: determinar quién está facultado para investigar si posiblemente existen motivos para reconocer provisionalmente el problema como un problema.
Así que se nombra una comisión.
Empieza con un informe exploratorio. En él se explica que el problema es más complejo de lo previsto y requiere más investigación. Eso siempre me tranquiliza. Una comisión que después de dos reuniones dice: «La paloma ya ha llegado» da una impresión un tanto poco profesional.
Además, ¿qué hacemos entonces con la tercera noche de reunión que ya habíamos reservado?
Para evitar cualquier sospecha de amateurismo, contratamos después una consultora privada. Entiende de procesos. De palomas, algo menos, pero eso puede aportar aire fresco. Quien nunca ha soltado una paloma tampoco se deja distraer por la idea de que a veces basta con abrir el palomar.
Tres meses después aparece un informe magnífico.
Lo he leído. La portada, al menos. Era excelente.
Llevaba una paloma, así que estaba claro que habían profundizado en la materia.
Dentro se hablaba de consenso, estructuras de futuro y fortalecimiento de vínculos. No lo entendí todo, pero por el importe de la factura uno tenía derecho a esperar algunas palabras difíciles.
Mis palomas suelen fortalecer sus vínculos posándose juntas en una tabla. Aunque, claro, nunca han estudiado dirección de empresas.
Naturalmente, había que revisar el informe.
Para ello se creó una comisión de seguimiento.
Esta concluyó que la consultora había trabajado con rigor, pero recomendó una comisión de evaluación independiente para determinar si el seguimiento había sido suficientemente independiente.
Me pareció sensato. Hoy en día nunca se es demasiado prudente.
Yo también compruebo cada noche que el palomar esté cerrado. Después Kina pregunta si de verdad lo he comprobado. La única diferencia es que nosotros nunca hemos contratado a un experto externo para eso.
Quizá estemos desaprovechando oportunidades.
Tras la evaluación hacía falta un resumen. El informe original tenía ya tantas páginas que solo lo leían quienes cobraban por hacerlo.
Por eso se nombró una comisión de redacción de informes.
Resumió las conclusiones de la revisión del seguimiento de la investigación sobre el problema original.
El propio problema original se había perdido momentáneamente.
Por suerte, seguía figurando en algún lugar del acta.
Por fin, todo podía pasar a la asamblea.
Me acomodé bien. Ahora íbamos a decidir.
Pero un socio atento preguntó si los documentos se habían enviado dentro del plazo.
Con eso volvimos a centrarnos en lo importante.
El presidente propuso aplazar el asunto hasta la próxima reunión y, mientras tanto, nombrar una pequeña comisión encargada de preparar la toma de decisiones.
Aprobado por unanimidad.
Yo también voté a favor. Tenía que volver a casa para dar de comer a las palomas.
Ahí está mi punto débil, naturalmente. Escribo todo esto tan alegremente, pero yo también he pasado por muchas mesas directivas. He asistido a reuniones, redactado actas y sin duda propuesto alguna vez «examinar el asunto un poco más detenidamente».
Probablemente haya todavía alguna comisión esperando mi respuesta.
Mis disculpas, aunque lleguen tarde.
Mientras tanto, un colombófilo preguntó cuánto había costado toda la operación.
Una pregunta legítima, pero por desgracia prematura. La evaluación financiera se realizaría después de concluir el proceso. Y el proceso solo podía concluir cuando la comisión de evaluación hubiera evaluado su propio trabajo.
Le expliqué que se habían dado pasos importantes, que el proceso avanzaba con rigor y que probablemente pronto podríamos determinar quién prepararía los siguientes pasos.
Se dio la vuelta y dejó caer algo.
Una breve respuesta.
Sin archivo adjunto.
Estoy pensando en proponerlo como presidente. Va directo al grano, nunca se queda sentado más de lo necesario y ofrece un resultado tangible cada día.
Solo hay una objeción.
Trabaja por un puñado de grano.
Con esos honorarios, naturalmente, nadie lo toma en serio.
Redacción
13 / 10 / 2026
FCF: ringen 2027 bestellen vóór 11 november
De Franse duivensportbond informeert haar leden over de levering en bestelling van de vaste voetringen voor 2027.
Volgens de mededeling verandert de FCF van leverancier. De ringen worden in België geproduceerd en krijgen een systeem tegen vervalsing. De verpakking wordt aangepast om de verdeling door vrijwilligers en medewerkers te vereenvoudigen.
Bestellen gebeurt via de FCF-app, in veelvouden van 20 ringen. De uiterste besteldatum is 11 november 2026. Daarna is levering aan de verenigingen voor 1 januari 2027 niet meer gegarandeerd. Tussen 1 januari en 28 februari 2027 zijn geen aanvullende bestellingen mogelijk.
Wie minder dan 20 ringen nodig heeft, kan ringen met een ander lid ruilen of doorverkopen. Overdracht van Franse vaste voetringen tussen leden is volgens de FCF eenvoudig en gratis via haar app.
Hieronder staat de oorspronkelijke Franstalige FCF-mededeling, met alle details.
Source : Fédération Colombophile Française — Bagues 2027.
Redactie
13 / 10 / 2026
FCF : commander les bagues 2027 avant le 11 novembre
La Fédération Colombophile Française informe ses adhérents sur la fourniture et la commande des bagues matricules 2027.
Selon ce communiqué, la FCF change de fournisseur. Les bagues seront produites en Belgique et intégreront un système anticontrefaçon. Leur conditionnement évolue pour faciliter la distribution par les bénévoles et le personnel.
Les commandes se font via l’application FCF, par multiples de 20 bagues. La date limite est le 11 novembre 2026. Au-delà, la livraison aux sociétés pour le 1er janvier 2027 ne sera plus garantie. Aucune commande complémentaire ne sera possible du 1er janvier au 28 février 2027.
Les adhérents ayant besoin de moins de 20 bagues peuvent les échanger ou les revendre à un autre adhérent. Selon la FCF, le transfert de bagues matricules françaises entre adhérents est facile et gratuit via son application.
Le communiqué original de la FCF est reproduit ci-dessous avec tous les détails.
Source : Fédération Colombophile Française — Bagues 2027.
Redactie
13 / 10 / 2026
FCF: order 2027 rings before 11 November
The French pigeon federation informs its members about the supply and ordering of 2027 identification rings.
According to the notice, the FCF is changing supplier. The rings will be manufactured in Belgium and include an anti-counterfeiting system. Packaging will change to simplify distribution by volunteers and staff.
Orders are placed through the FCF app, in multiples of 20 rings. The deadline is 11 November 2026. After that date, delivery to clubs by 1 January 2027 is no longer guaranteed. No additional orders will be possible between 1 January and 28 February 2027.
Members needing fewer than 20 rings can exchange or resell rings to another member. According to the FCF, transferring French identification rings between members is easy and free through its app.
The original French FCF notice appears below with full details.
Source : Fédération Colombophile Française — Bagues 2027.
Redactie
13 / 10 / 2026
FCF: Ringe 2027 vor dem 11. November bestellen
Der französische Brieftaubenverband informiert seine Mitglieder über Lieferung und Bestellung der Kennzeichnungsringe für 2027.
Laut Mitteilung wechselt die FCF den Lieferanten. Die Ringe werden in Belgien hergestellt und erhalten ein System gegen Fälschungen. Eine neue Verpackung soll die Verteilung durch Ehrenamtliche und Mitarbeiter erleichtern.
Die Bestellung erfolgt über die FCF-App in Vielfachen von 20 Ringen. Bestellschluss ist der 11. November 2026. Danach ist die Lieferung an die Vereine bis zum 1. Januar 2027 nicht mehr garantiert. Vom 1. Januar bis zum 28. Februar 2027 sind keine Nachbestellungen möglich.
Wer weniger als 20 Ringe benötigt, kann Ringe mit einem anderen Mitglied tauschen oder an dieses weiterverkaufen. Die Übertragung französischer Kennzeichnungsringe zwischen Mitgliedern ist laut FCF einfach und kostenlos über die App möglich.
Die ursprüngliche französische FCF-Mitteilung mit allen Einzelheiten ist unten abgebildet.
Source : Fédération Colombophile Française — Bagues 2027.
Redactie
13 / 10 / 2026
FCF: pedir las anillas 2027 antes del 11 de noviembre
La federación colombófila francesa informa a sus miembros sobre el suministro y los pedidos de anillas de identificación para 2027.
Según el comunicado, la FCF cambia de proveedor. Las anillas se fabricarán en Bélgica e incorporarán un sistema contra la falsificación. El nuevo embalaje facilitará la distribución por los voluntarios y el personal.
Los pedidos se realizan mediante la aplicación FCF, en múltiplos de 20 anillas. La fecha límite es el 11 de noviembre de 2026. Después, ya no se garantiza la entrega a las sociedades para el 1 de enero de 2027. No se admitirán pedidos adicionales entre el 1 de enero y el 28 de febrero de 2027.
Quienes necesiten menos de 20 anillas pueden intercambiarlas o revenderlas a otro miembro. Según la FCF, la transferencia de anillas francesas entre miembros es sencilla y gratuita mediante su aplicación.
A continuación se reproduce el comunicado original en francés con todos los detalles.
Source : Fédération Colombophile Française — Bagues 2027.
Redactie
Bijgewerkt 12 oktober 2026
Vier landen een gezamenlijke verantwoordelijkheid
Verschillende rekensystemen en een gedeelde toekomst voor de duivensport
Nederland, België, Frankrijk en Duitsland organiseren de berekening van concoursuitslagen ieder op hun eigen manier. Wat kosten die systemen, wie betaalt ervoor en welke onderdelen kunnen de bonden gezamenlijk organiseren? Die vragen raken aan een groter doel: de samenwerking die de landelijke bonden ooit voor de toekomst van de duivensport begonnen, verdient op alle terreinen een nieuwe, zichtbare impuls.
De vier modellen in één oogopslag
Land
Wie verwerkt de uitslag
Landelijke samenhang
Nederland
Compuclub als centrale rekenorganisatie
Uitslagen op meerdere niveaus en nationale kampioenschappen
Duitsland
Meerdere Preislisten Verrechner
Bond stelt voorschriften; per nationale vlucht kan één rekenaar worden aangewezen
Frankrijk
Erkende classificateurs met goedgekeurde software
FCF bepaalt rekenregels, licenties en software-erkenning
België
Uitslagen aangeleverd door verenigingen
KBDB gebruikt aangeleverde uitslagen voor kampioenschappen
Deze indeling beschrijft de hoofdlijn. De uitvoering kan per vlucht en organisatie verschillen.
Nederland: één centrale schakel
Volgens de NPO maakt Compuclub de uitslagen van Nederlandse postduivenwedstrijden, van verenigingsniveau tot en met de nationale kampioenschappen. In mei 2026 meldde de bond dat voor dienstverlening in 2026 en 2027 een verhoging van drie naar vier cent per duif was afgesproken. Dat is een concreet, gepubliceerd rekentarief; het is geen totaalprijs voor deelname aan een vlucht. [1]
De concentratie maakt verwerking op meerdere niveaus vanuit één gegevensstroom mogelijk. Zij brengt ook afhankelijkheid mee. De NPO meldde in 2026 een geschil over de aanlevering van UDP-bestanden, die de bond voor controles nodig heeft. De precieze contractuele gevolgen horen niet bij deze vergelijking, maar de kwestie maakt het belang van gegarandeerde toegang tot wedstrijdgegevens zichtbaar. [1]
Duitsland: verschillende rekenaars
De Duitse bond werkt met meerdere Preislisten Verrechner, waaronder RiRo, Motz en Eilert Eden. De bond heeft deze rekenaars en fabrikanten van constateersystemen samen over uniformering gesproken, bijvoorbeeld over de namen van lossingsplaatsen. Voor een afzonderlijke nationale vlucht kan één rekenaar de nationale lijst maken: bij Paris Andrezel 2025 was dat RiRo. [2][3]
Dit model laat verschillende aanbieders naast elkaar bestaan. Het samenvoegen van wedstrijdgegevens vraagt dan om heldere definities en betrouwbare uitwisseling.
Frankrijk: licentie en goedgekeurde software
Het Franse concoursreglement schrijft voor dat een door de FCF erkende classificateur de uitslag opstelt. Zowel het licentienummer van deze persoon als het erkenningsnummer van de gebruikte software moet op de uitslag staan. De FCF heeft daarnaast een eigen classificatiedienst aangekondigd. [4]
Artikel 15 en de grens van 800 meter per minuut
Vanaf seizoen 2026 blijft de FCF ook onder 800 meter per minuut rekenen in meters per minuut. De oude methode onder die grens is afgeschaft. De wijziging is op 21 februari 2025 in Martigues aangenomen; 2025 was het overgangsjaar voor rekenaars en softwareontwikkelaars. [4]
De gewone berekening is: afstand tot het eigen hok in meters gedeeld door de meetellende vliegtijd in minuten. Er wordt dus niet berekend hoeveel meter een duif na het bereiken van de grens nog aflegt. Ook een uitkomst van 750 of 600 m/min blijft een snelheid voor de klassering.
Rekenvoorbeeld zonder nachtneutralisatie
Afstand
Vliegtijd
Snelheid
600.000 meter
750 minuten
800 m/min
600.000 meter
800 minuten
750 m/min
600.000 meter
1.000 minuten
600 m/min
Bij meerdaagse vluchten blijven de voorschriften voor nachtneutralisatie gelden. Artikel 15 noemt voor Franse concoursen Parijs als referentie en voor internationale concoursen de neutralisatieduur van de organisator. De internationale wedstrijdregels moeten daarom afzonderlijk worden bekeken. [4]
De gepubliceerde PDF van 2025 bevat naast de nieuwe bepaling ook nog passages van de oude 800-meterberekening, waaronder een bepaling over doublages van internationale concoursen. De FCF en de rekenaar moeten toelichten of en hoe die uitzondering in 2026 nog geldt. De FCF-herinnering voor seizoen 2026 zegt duidelijk dat ongeacht de snelheid in meters per minuut wordt gerekend en dat de oude methode is afgeschaft. Voor concrete meerdaagse en internationale uitslagen moet de rekenaar de toepasselijke bepalingen en verwerking kunnen toelichten. [4]
België: uitslagen bijeenbrengen
De KBDB verklaart dat verenigingen hun uitslagen naar het bondsplatform uploaden. Nationale kampioenschappen worden automatisch uit deze aangeleverde uitslagen berekend. De bond vraagt voor de nationale en provinciale kampioenschappen van 2026 om alle definitieve uitslagen in KBDB admin op te laden. Daarmee is de landelijke gegevensverzameling duidelijk; de bron geeft geen enkel uniform tarief voor het rekenwerk bij alle verenigingen. [5]
Kosten: één bedrag is nog geen vergelijking
De Nederlandse vier cent per duif vormt een bruikbaar vertrekpunt. Voor Duitsland, Frankrijk en België is in de geraadpleegde openbare bondsbronnen geen gelijkwaardig landelijk tarief voor uitsluitend uitslagberekening gevonden. Inleg, korfgeld of vrachtgeld omvatten vaak ook vervoer, inkorving of organisatie. Die bedragen naast vier cent plaatsen zou een misleidende vergelijking opleveren.
Een verifieerbare vergelijking vraagt per land om dezelfde posten: prijs voor het opstellen van de uitslag, softwarelicenties, systeemonderhoud, opslag, overdracht van gegevens, landelijke kampioenschappen en publicatie. Ook moet duidelijk zijn wie betaalt: bond, afdeling, vereniging of liefhebber. Pas met jaarvolumes en volledige kosten kunnen bedragen per 1.000 ingezette duiven zinvol worden vergeleken.
Wedstrijdgegevens software en privacy
Om tot een volwaardige kostenvergelijking tussen België, Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland te komen, moeten ook het eigendom en de gebruiksrechten van wedstrijdgegevens duidelijk zijn. Het gaat daarbij om de gegevens van deelnemende duiven en de bijbehorende wedstrijdregistraties.
Welke organisatie verzamelt en verwerkt deze gegevens: de landelijke bond, een vereniging, een regio, een samenspel of een externe dienstverlener? Met welke software gebeurt dat, wie is daarvan eigenaar en bij wie berusten de intellectuele eigendomsrechten? Ook moet duidelijk zijn welke rechten de betrokken partijen hebben om gegevens in te zien, te controleren, te bewaren, over te dragen en opnieuw te gebruiken.
Het eigendom van de software, de rechten op de gegevens en de verantwoordelijkheid voor de verwerking moeten afzonderlijk worden vastgelegd. Die afspraken beïnvloeden de kosten, de afhankelijkheid van dienstverleners en de mogelijkheden om gegevens tussen organisaties uit te wisselen.
Openheid over kosten en wedstrijdverwerking moet samengaan met naleving van de geldende privacywetgeving. Het openbaar maken van wedstrijdgegevens moet zorgvuldig worden beoordeeld, vooral wanneer die gegevens aan een liefhebber kunnen worden gekoppeld. Transparantie vraagt niet om het onbeperkt publiceren van persoonsgegevens.
De voorkeur gaat uit naar gemeenschappelijke regelgeving voor alle bij de FCI aangesloten bonden, met gelijke uitgangspunten voor hun leden. Die regels moeten duidelijk maken wie welke rechten en verantwoordelijkheden heeft, rekening houden met de toepasselijke wetgeving en juridisch zorgvuldig zijn opgesteld, zodat zij ook bij toetsing in gerechtelijke procedures standhouden.
Het oorspronkelijke doel was veel breder
De West Europese Confederatie van Postduivenhouders werkte al aan grensoverschrijdende samenwerking. In 2019 richtten onder meer de bonden van de vier besproken landen de UWEPA op. Volgens de oprichtingsverklaring wilden zij hun krachten bundelen om de duivensport in Europa te versterken. De agenda omvatte dierenwelzijn en vervoer, gezamenlijke inzet bij Europese regels, culturele erkenning, een sterker imago en gezamenlijke activiteiten en vluchten. In 2022 overlegden aangesloten bonden ook over afgestemde standpunten binnen de FCI, contacten met de Europese Unie en de gezondheid van postduiven. [6][8]
Ook gezamenlijke inkoop kent een concreet voorbeeld: volgens de Duitse bond hielp Richard Groß het samen bestellen van voetringen met FCI-logo opzetten om de kosten voor de bonden laag te houden. Dat zegt nog niets over de mogelijke besparing op uitslagsoftware, maar laat zien dat gezamenlijk handelen ook financieel voordeel kan nastreven. [7]
Waarom blijft een gezamenlijke aanpak zo moeilijk
Verschillen in reglementen, contracten en techniek kunnen samenwerking ingewikkeld maken. Eén systeem voor alle landen is niet vanzelfsprekend de beste oplossing. Maar afspraken over gegevensuitwisseling, controle, publicatie en kostenvergelijking kunnen al een eerste stap zijn. Bestaande systemen kunnen naast elkaar blijven bestaan, terwijl gegevens beter uitwisselbaar worden en dubbel werk wordt verminderd.
Openheid moet twijfel wegnemen
Waarom blijft gezamenlijke aanpak zo moeilijk, terwijl de landelijke bonden samenwerking zelf als doel hebben vastgelegd? Zijn het vooral verschillen in regels en techniek, of spelen ook bestaande contracten, commerciële belangen en bestuurlijke relaties een rol?
Zonder openheid over kosten, afspraken en de keuze van dienstverleners blijft ruimte bestaan voor twijfel over mogelijke belangenverstrengeling. Dat is geen bewijs dat daarvan sprake is. Het is wel een reden om duidelijke antwoorden van de bonden te verlangen.
Een zakelijk belang of een bestuurlijke relatie betekent op zichzelf niet dat een besluit onjuist is. Van belang is hoe zulke belangen worden gemeld, beoordeeld en gescheiden van de besluitvorming. De liefhebber mag weten wie beslissingen neemt, welke belangen daarbij spelen en hoe persoonlijke of zakelijke relaties de keuzes kunnen beïnvloeden.
Publiceer de relevante uitgangspunten en afspraken, maak kosten vergelijkbaar en leg uit waarom samenwerking wel of niet mogelijk is. Waar vertrouwelijke contractgegevens niet openbaar kunnen worden gemaakt, moet een bond de gemaakte keuzes en de controle daarop nog steeds kunnen toelichten. De verantwoordelijkheid om twijfel weg te nemen ligt bij de landelijke organisaties.
Samenwerking op alle terreinen opnieuw oppakken
De duivensport staat in veel landen onder druk. Juist daarom moeten de landelijke bestuurders de samenwerking opnieuw actief en structureel oppakken. Dierenwelzijn, gezondheid, vervoer, Europese wetgeving, de positie binnen de FCI, culturele erkenning, promotie en gezamenlijke evenementen vragen om een gedeelde koers. Ook technische systemen, wedstrijdgegevens, uitslagverwerking en gezamenlijke inkoop horen op die agenda. De bonden kunnen per onderwerp aangeven wat zij samen willen bereiken en wie daarvoor verantwoordelijk is.
Bij die samenwerking hoort volledige openheid over de kosten. Wat betalen bonden, afdelingen en verenigingen voor software, rekenwerk, gegevensuitwisseling en publicatie? Welke lasten komen uiteindelijk bij de liefhebber terecht? Zolang de landen die bedragen niet volgens dezelfde uitgangspunten inzichtelijk maken, kunnen liefhebbers noch de totale kosten noch mogelijke besparingen beoordelen. Transparantie maakt bestuurlijke keuzes toetsbaar en versterkt het vertrouwen van de achterban.
De vier landelijke bonden zouden daarom samen een openbare agenda moeten vaststellen die aansluit bij hun oorspronkelijke doelen. Laat zien welke maatregelen zij gezamenlijk nemen, wat die kosten, waar zij besparen en wat de gewone liefhebber daarvan merkt. De bestuurders hebben het doel om samen op te trekken zelf vastgelegd. Nu is het aan hen om dat doel zichtbaar te maken in gezamenlijke besluiten en concrete resultaten.
Bronnen
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Des systèmes de classement différents et un avenir partagé pour la colombophilie
Les Pays-Bas, la Belgique, la France et l’Allemagne organisent chacun à leur manière le calcul des résultats des concours. Combien coûtent ces systèmes, qui les finance et quelles tâches les fédérations pourraient-elles organiser ensemble ? Ces questions renvoient à un objectif plus vaste : la coopération engagée autrefois par les fédérations nationales pour l’avenir de la colombophilie mérite une nouvelle impulsion, visible dans tous les domaines.
Quatre modèles en bref
Pays-Bas : Compuclub est l’organisme central de calcul ; les résultats sont établis à plusieurs niveaux, y compris pour les championnats nationaux. Allemagne : plusieurs prestataires établissent les listes de prix (Preislisten Verrechner) ; la fédération fixe les règles et peut désigner un seul calculateur pour un concours national. France : des classificateurs agréés utilisent des logiciels homologués ; la FCF fixe les règles de calcul, les licences et l’agrément des logiciels. Belgique : les sociétés transmettent leurs résultats ; la RFCB s’en sert pour les championnats.
Il s’agit des grandes lignes. Les modalités peuvent varier selon le concours et l’organisateur.
Pays-Bas : un acteur central
Selon la NPO, Compuclub établit les résultats des concours néerlandais, du niveau des sociétés jusqu’aux championnats nationaux. En mai 2026, la fédération a annoncé que le tarif de ce service passerait de trois à quatre centimes par pigeon pour 2026 et 2027. Il s’agit d’un tarif de calcul publié, et non du coût total de participation à un concours. [1]
Cette centralisation permet de traiter plusieurs niveaux à partir d’un même flux de données. Elle crée aussi une dépendance. En 2026, la NPO a fait état d’un différend concernant la transmission de fichiers UDP nécessaires à ses contrôles. Les conséquences contractuelles précises dépassent le cadre de cette comparaison, mais l’affaire montre l’importance d’un accès garanti aux données des concours. [1]
Allemagne : plusieurs calculateurs
La fédération allemande travaille avec plusieurs Preislisten Verrechner, dont RiRo, Motz et Eilert Eden. Elle les a réunis avec les fabricants de systèmes de constatation pour discuter d’harmonisation, notamment des noms des lieux de lâcher. Pour un concours national donné, un seul prestataire peut établir la liste nationale : c’était RiRo pour Paris Andrezel en 2025. [2][3]
Ce modèle permet à plusieurs prestataires de coexister. Le regroupement des données exige alors des définitions claires et des échanges fiables.
France : licences et logiciels homologués
Le règlement des concours français prévoit qu’un classificateur agréé par la FCF établisse le classement. Son numéro de licence et le numéro d’agrément du logiciel utilisé doivent figurer sur le résultat. La FCF communique également aux classificateurs et aux développeurs les règles de calcul, notamment la modification applicable à partir de la saison 2026 aux concours dont la vitesse est inférieure à 800 mètres par minute. La FCF a aussi annoncé son propre service de classement ; cela ne supprime pas le régime général des licences. [4]
Belgique : centralisation des résultats
La RFCB indique que les sociétés chargent leurs résultats sur sa plateforme. Les championnats nationaux sont calculés automatiquement à partir des résultats transmis. Pour les championnats nationaux et provinciaux de 2026, la fédération demande le chargement de tous les résultats définitifs dans KBDB admin. La collecte nationale est donc claire ; la source ne donne toutefois pas de tarif uniforme pour le calcul des résultats de toutes les sociétés. [5]
Coûts : un chiffre ne suffit pas pour comparer
Les quatre centimes néerlandais par pigeon offrent un point de départ utile. Dans les sources publiques consultées, aucun tarif national équivalent, limité au seul calcul des résultats, n’a été trouvé pour l’Allemagne, la France ou la Belgique. Les mises et frais d’enlogement ou de transport couvrent souvent aussi l’acheminement et l’organisation. Les comparer directement aux quatre centimes donnerait une image trompeuse.
Une comparaison vérifiable doit couvrir les mêmes postes dans chaque pays : établissement des résultats, licences logicielles, maintenance, stockage, transfert des données, championnats nationaux et publication. Elle doit aussi préciser qui paie : fédération, région, société ou amateur. Seuls les volumes annuels et les coûts complets permettront une comparaison pertinente pour 1 000 pigeons engagés.
Article 15 et le seuil de 800 mètres par minute
À partir de la saison 2026, le rappel de la FCF prévoit un classement en mètres par minute quelle que soit la vitesse. La méthode ancienne sous 800 m/min est supprimée. La décision a été prise à Martigues le 21 février 2025 ; 2025 a servi de période de transition pour les classificateurs et développeurs. [4]
Le calcul ordinaire est la distance jusqu’au colombier, en mètres, divisée par le temps de vol pris en compte, en minutes. Sans neutralisation nocturne : 600 000 mètres en 750 minutes donnent 800 m/min ; en 800 minutes, 750 m/min ; en 1 000 minutes, 600 m/min.
Les règles de neutralisation restent applicables aux concours sur plusieurs jours : Paris sert de référence aux concours français ; pour les internationaux, il faut examiner les règles de l’organisateur. Le PDF de 2025 contient encore des passages de l’ancienne méthode, y compris une disposition sur les doublages internationaux. Leur application en 2026 doit être explicitée par la FCF et le classificateur. [4]
Données de concours logiciels et vie privée
Pour comparer pleinement les coûts en Belgique, en Angleterre, en Allemagne, en France et aux Pays-Bas, il faut clarifier la propriété et les droits d’utilisation des données des pigeons engagés et des enregistrements de concours.
Qui collecte et traite les données : fédération, société, région, groupement ou prestataire externe ? Avec quel logiciel, qui en est propriétaire et qui détient les droits de propriété intellectuelle ? Il faut préciser les droits de consultation, de contrôle, de conservation, de transfert et de réutilisation.
La propriété du logiciel, les droits sur les données et la responsabilité du traitement doivent être définis séparément. Ces accords influencent les coûts, la dépendance envers les prestataires et les possibilités d’échange.
La transparence doit respecter la législation applicable à la protection des données, notamment lorsque les informations permettent d’identifier un amateur. Elle ne suppose pas une publication illimitée des données personnelles.
Nous privilégions des règles communes pour toutes les fédérations affiliées à la FCI, avec des principes égaux pour leurs membres. Elles doivent définir les droits et responsabilités, respecter les législations applicables et être juridiquement solides, y compris lors d’un contrôle judiciaire.
La transparence doit dissiper les doutes
Les différences de règlements, de contrats et de technique compliquent parfois la coopération. Un système unique n’est pas nécessairement la meilleure solution. Des accords communs sur les échanges, les contrôles, la publication et les coûts peuvent déjà réduire les doubles tâches.
Pourquoi la coopération reste-t-elle si difficile ? Les contrats existants, les intérêts commerciaux ou les relations entre dirigeants jouent-ils aussi un rôle ? Sans transparence, des doutes sur d’éventuels conflits d’intérêts peuvent persister. Cela ne prouve pas leur existence, mais justifie des réponses claires.
Une relation commerciale ou institutionnelle ne rend pas en elle-même une décision incorrecte. Il faut expliquer comment les intérêts sont déclarés, évalués et séparés de la prise de décision. Les amateurs doivent savoir qui décide et comment les influences personnelles ou commerciales sont encadrées.
Publiez les principes et accords pertinents, rendez les coûts comparables et expliquez les obstacles à la coopération. Même lorsque certains éléments contractuels sont confidentiels, les fédérations doivent pouvoir justifier leurs choix et les contrôles. Il leur appartient de dissiper les doutes.
Un objectif initial bien plus vaste
La Confédération ouest-européenne des colombophiles travaillait déjà à la coopération transfrontalière. En 2019, les fédérations des quatre pays étudiés, entre autres, ont créé l’UWEPA. Selon la déclaration fondatrice, elles voulaient unir leurs forces pour renforcer la colombophilie en Europe. Leur programme comprenait le bien-être animal et le transport, une action commune face aux règles européennes, la reconnaissance culturelle, l’image de la colombophilie ainsi que des activités et des concours communs. En 2022, les membres ont aussi discuté de positions concertées au sein de la FCI, de relations avec l’Union européenne et de la santé des pigeons voyageurs. [6][8]
Les achats groupés ont un précédent concret : selon la fédération allemande, Richard Groß a contribué à organiser des commandes communes de bagues portant le logo de la FCI pour réduire les coûts des fédérations. Cet exemple ne prouve aucune économie sur les logiciels de classement, mais montre que la coopération peut aussi poursuivre un objectif financier. [7]
Relancer la coopération dans tous les domaines
La colombophilie subit des pressions dans de nombreux pays. Les dirigeants nationaux doivent donc relancer une coopération active et durable. Bien-être animal, santé, transport, droit européen, place au sein de la FCI, reconnaissance culturelle, promotion et événements communs appellent une ligne partagée. Les systèmes techniques, les données de concours, les classements et les achats groupés doivent également figurer à l’ordre du jour. Les fédérations peuvent définir pour chaque sujet un objectif commun et un responsable.
Cette coopération exige une transparence complète sur les coûts. Que paient les fédérations, les régions et les sociétés pour les logiciels, le calcul, l’échange de données et la publication ? Quelles charges reviennent finalement à l’amateur ? Tant que les pays ne publieront pas ces montants sur une base comparable, les amateurs ne pourront évaluer ni le coût total ni les économies possibles. La transparence permet de contrôler les choix des dirigeants et renforce la confiance.
Les quatre fédérations nationales devraient donc adopter ensemble un programme public conforme à leurs objectifs initiaux. Qu’elles montrent leurs mesures communes, leurs coûts, les économies réalisées et leurs effets pour l’amateur ordinaire. Les dirigeants ont eux-mêmes fixé l’objectif de travailler ensemble. Il leur appartient désormais de le traduire en décisions communes et en résultats concrets.
Sources pour vérification
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Different results systems and a shared future for pigeon racing
The Netherlands, Belgium, France and Germany each calculate race results in their own way. What do those systems cost, who pays, and which tasks could the federations organise together? These questions point to a wider goal: the cooperation their national bodies once began for the future of pigeon racing deserves a fresh, visible push across every area of the sport.
Four models at a glance
Netherlands: Compuclub is the central results provider, processing results at several levels and for national championships. Germany: several results providers (Preislisten Verrechner) operate under federation rules; one can be appointed for an individual national race. France: licensed classifiers use approved software; the FCF sets calculation rules, licensing and software approval. Belgium: clubs submit results, which the KBDB uses for championships.
These are broad outlines. The arrangements may differ by race and organiser.
Netherlands: one central provider
According to the NPO, Compuclub produces Dutch pigeon race results from club level through to national championships. In May 2026 the federation said the service rate for 2026 and 2027 had been increased from three to four cents per pigeon. This is a published calculation fee, not the total cost of entering a race. [1]
Centralisation makes it possible to process several levels from one stream of data. It also creates dependence. In 2026 the NPO reported a dispute over access to UDP files needed for its checks. The precise contractual consequences are outside this comparison, but the dispute shows why guaranteed access to race data matters. [1]
Germany: several results providers
The German federation works with several Preislisten Verrechner, including RiRo, Motz and Eilert Eden. It has met them and the makers of electronic timing systems to discuss standardisation, including the names of release points. One provider may prepare the national list for a particular race: RiRo did so for Paris Andrezel in 2025. [2][3]
This model allows multiple suppliers to operate side by side. Combining race data then requires clear definitions and reliable exchange.
France: licences and approved software
French race rules require an FCF-approved classifier to prepare the result. Both that person's licence number and the approval number of the software used must appear on the result. The FCF also provides calculation rules to classifiers and software developers, including the change for races below 800 metres per minute from the 2026 season. The FCF has announced its own classification service, which does not change the general licensing model. [4]
Belgium: bringing results together
The KBDB says clubs upload their results to its platform. National championships are calculated automatically from the submitted results. For the 2026 national and provincial championships, it requires all final results to be uploaded to KBDB admin. This establishes how results are collected nationally; the source gives no single standard price for calculation across all clubs. [5]
Costs: one figure is not a comparison
The Dutch four cents per pigeon is a useful starting point. No equivalent national fee for results calculation alone was found for Germany, France or Belgium in the public federation sources consulted. Entry, basketing and freight charges often also cover transport, basketing or organisation. Setting them beside four cents would be misleading.
A verifiable comparison needs the same items for each country: preparation of results, software licences, maintenance, storage, data transfer, national championships and publication. It must also show who pays: federation, region, club or fancier. Only complete costs and annual volumes can support a meaningful comparison per 1,000 entered pigeons.
Article 15 and the 800 metres per minute threshold
From the 2026 season, the FCF reminder requires ranking in metres per minute regardless of speed. The old method below 800 m/min is abolished. The decision was taken in Martigues on 21 February 2025; 2025 was a transition year for classifiers and software developers. [4]
The ordinary calculation divides the distance to the loft in metres by the counted flight time in minutes. Without night neutralisation: 600,000 metres in 750 minutes gives 800 m/min; in 800 minutes, 750 m/min; in 1,000 minutes, 600 m/min.
Night neutralisation rules still apply to races lasting several days. Paris is the reference for French races; international organisers’ rules need separate examination. The 2025 PDF still includes old passages, including a provision on subsidiary classifications of international races. The FCF and the classifier should explain their applicability in 2026. [4]
Race data software and privacy
A full cost comparison covering Belgium, England, Germany, France and the Netherlands also requires clarity about ownership and usage rights over entered pigeons’ data and race records.
Who collects and processes the data: the national federation, a club, region, race grouping or external provider? Which software is used, who owns it and who holds its intellectual property rights? Rights to inspect, check, retain, transfer and reuse data must also be clear.
Software ownership, data rights and responsibility for processing should be set out separately. These arrangements affect costs, dependence on providers and the ability to exchange data.
Transparency must comply with applicable privacy legislation, particularly when race data can be linked to a fancier. It does not require unrestricted publication of personal data.
We favour common rules for all FCI-affiliated federations, with equal principles for their members. They should establish rights and responsibilities, respect applicable legislation and be legally robust, including under judicial scrutiny.
Transparency must remove doubts
Differences in rules, contracts and technology can complicate cooperation. One system is not necessarily the best solution. Shared agreements on exchange, checks, publication and costs can already reduce duplicated work.
Why does cooperation remain so difficult? Do existing contracts, commercial interests or relationships between officials also play a part? A lack of transparency leaves room for doubts about possible conflicts of interest. It is not proof of such conflicts, but it warrants clear answers.
A commercial or institutional relationship does not itself make a decision wrong. What matters is how interests are declared, assessed and separated from decision-making. Fanciers should know who decides and how personal or business influence is managed.
Publish relevant principles and agreements, make costs comparable and explain obstacles to cooperation. Even where contractual details are confidential, federations should explain their choices and oversight. Responsibility for removing doubts rests with them.
The original aim was much broader
The West European Confederation of Pigeon Fanciers had already pursued cooperation across borders. In 2019, federations from the four countries discussed here were among those that founded UWEPA. Its founding statement called for combined efforts to strengthen pigeon racing in Europe. Its agenda covered animal welfare and transport, a joint approach to European rules, cultural recognition, a stronger public image, and shared events and races. In 2022 the members also discussed coordinated positions within the FCI, contacts with the European Union and the health of racing pigeons. [6][8]
Joint purchasing has a concrete precedent. According to the German federation, Richard Groß helped organise shared orders of FCI-logo leg rings to keep costs low for federations. This proves nothing about potential savings on results software, but it shows that financial benefits can be a goal of cooperation. [7]
Restart cooperation across the whole sport
Pigeon racing is under pressure in many countries. National leaders should therefore restart active, lasting cooperation. Animal welfare, health, transport, European law, the sport's position within the FCI, cultural recognition, promotion and shared events need a common direction. Technical systems, race data, results processing and joint purchasing also belong on that agenda. For each subject the federations can state what they want to achieve together and who is responsible.
That cooperation requires full transparency about costs. What do federations, regions and clubs pay for software, calculation, data exchange and publication? Which costs ultimately reach the fancier? Until countries report those figures on the same basis, fanciers cannot assess either total costs or possible savings. Transparency makes leadership decisions open to scrutiny and builds trust.
The four national federations should therefore agree a public agenda that reflects their original aims. Show what they do together, what it costs, where they save money and what ordinary fanciers gain. Their leaders set the goal of working together themselves. Now they must make it visible through joint decisions and concrete results.
Sources for verification
Want to know more? Click the source links in this article.
Unterschiedliche Auswertungssysteme und eine gemeinsame Zukunft für den Brieftaubensport
Die Niederlande, Belgien, Frankreich und Deutschland organisieren die Berechnung ihrer Flugergebnisse jeweils auf eigene Weise. Was kosten diese Systeme, wer bezahlt sie und welche Aufgaben könnten die Verbände gemeinsam übernehmen? Dahinter steht ein größeres Ziel: Die Zusammenarbeit, die die nationalen Verbände einst für die Zukunft des Brieftaubensports begonnen haben, verdient auf allen Gebieten einen neuen, sichtbaren Impuls.
Vier Modelle im Überblick
Niederlande: Compuclub ist der zentrale Auswerter und erstellt Ergebnisse auf mehreren Ebenen sowie für nationale Meisterschaften. Deutschland: mehrere Preislisten-Verrechner; der Verband legt Vorgaben fest und kann für einen Nationalflug einen Verrechner bestimmen. Frankreich: zugelassene Klassifizierer arbeiten mit genehmigter Software; die FCF bestimmt Rechenregeln, Lizenzen und Softwarezulassungen. Belgien: Vereine übermitteln Ergebnisse, die die KBDB für Meisterschaften verwendet.
Das sind die Grundzüge. Einzelheiten können je nach Flug und Veranstalter abweichen.
Niederlande: ein zentraler Dienstleister
Nach Angaben der NPO erstellt Compuclub die Ergebnisse niederländischer Brieftaubenflüge vom Verein bis zur nationalen Meisterschaft. Im Mai 2026 teilte der Verband mit, dass für 2026 und 2027 eine Erhöhung des Dienstleistungspreises von drei auf vier Cent pro Taube vereinbart wurde. Das ist ein veröffentlichter Auswertungspreis, nicht der gesamte Teilnahmepreis für einen Flug. [1]
Die Zentralisierung ermöglicht Auswertungen auf mehreren Ebenen aus einem Datenstrom. Sie schafft aber auch Abhängigkeit. 2026 berichtete die NPO über einen Streit um die Bereitstellung von UDP-Dateien, die sie für Kontrollen benötigt. Die genauen vertraglichen Folgen gehören nicht in diesen Vergleich; der Vorgang zeigt jedoch, wie wichtig garantierter Zugang zu Flugdaten ist. [1]
Deutschland: mehrere Verrechner
Der deutsche Verband arbeitet mit mehreren Preislisten-Verrechnern, darunter RiRo, Motz und Eilert Eden. Er hat mit ihnen und Herstellern elektronischer Konstatiersysteme über Vereinheitlichung gesprochen, etwa bei den Namen von Auflassorten. Für einen einzelnen Nationalflug kann ein Verrechner die nationale Liste erstellen: Bei Paris Andrezel 2025 war dies RiRo. [2][3]
Dieses Modell lässt mehrere Anbieter nebeneinander zu. Die Zusammenführung der Flugdaten setzt klare Definitionen und einen zuverlässigen Austausch voraus.
Frankreich: Lizenzen und zugelassene Software
Das französische Flugreglement verlangt, dass ein von der FCF anerkannter Klassifizierer die Ergebnisliste erstellt. Seine Lizenznummer und die Zulassungsnummer der verwendeten Software müssen auf der Liste stehen. Die FCF gibt Klassifizierern und Softwareentwicklern auch Rechenregeln vor, darunter die Änderung für Flüge unter 800 Metern pro Minute ab der Saison 2026. Zudem hat sie einen eigenen Klassifizierungsdienst angekündigt; das allgemeine Lizenzmodell bleibt bestehen. [4]
Belgien: Ergebnisse zusammenführen
Die KBDB erklärt, dass die Vereine ihre Ergebnisse auf die Verbandsplattform hochladen. Nationale Meisterschaften werden aus diesen Daten automatisch berechnet. Für die nationalen und provinziellen Meisterschaften 2026 müssen alle endgültigen Ergebnisse in KBDB admin geladen werden. Die nationale Datensammlung ist damit beschrieben; die Quelle nennt jedoch keinen einheitlichen Preis für die Auswertung aller Vereine. [5]
Kosten: Eine Zahl reicht für einen Vergleich nicht aus
Die niederländischen vier Cent pro Taube sind ein brauchbarer Ausgangspunkt. In den untersuchten öffentlichen Verbandsquellen fand sich für Deutschland, Frankreich und Belgien kein entsprechender landesweiter Preis allein für die Ergebnisauswertung. Einsatz-, Einkorbungs- oder Frachtkosten decken häufig auch Transport, Einkorbung oder Organisation ab. Ein direkter Vergleich mit vier Cent wäre irreführend.
Ein überprüfbarer Vergleich muss in jedem Land dieselben Posten erfassen: Erstellung der Ergebnisse, Softwarelizenzen, Wartung, Speicherung, Datenübertragung, nationale Meisterschaften und Veröffentlichung. Auch muss klar sein, wer bezahlt: Verband, Region, Verein oder Züchter. Erst vollständige Kosten und Jahreszahlen ermöglichen einen sinnvollen Vergleich pro 1.000 eingesetzte Tauben.
Artikel 15 und die Grenze von 800 Metern pro Minute
Ab der Saison 2026 sieht die Erinnerung der FCF eine Wertung in Metern pro Minute unabhängig von der Geschwindigkeit vor. Die alte Methode unter 800 m/min wird abgeschafft. Der Beschluss stammt vom 21. Februar 2025 in Martigues; 2025 war ein Übergangsjahr für Verrechner und Softwareentwickler. [4]
Die gewöhnliche Berechnung teilt die Entfernung zum Schlag in Metern durch die gewertete Flugzeit in Minuten. Ohne Nachtneutralisation ergeben 600.000 Meter in 750 Minuten 800 m/min, in 800 Minuten 750 m/min und in 1.000 Minuten 600 m/min.
Bei mehrtägigen Flügen gelten weiterhin die Neutralisationsregeln. Für französische Flüge ist Paris die Referenz; internationale Veranstalterregeln sind gesondert zu prüfen. Die PDF von 2025 enthält noch alte Passagen, darunter eine Bestimmung zu Zusatzwertungen internationaler Flüge. Ihre Geltung für 2026 müssen FCF und Verrechner erläutern. [4]
Flugdaten Software und Datenschutz
Ein vollständiger Kostenvergleich zwischen Belgien, England, Deutschland, Frankreich und den Niederlanden erfordert auch Klarheit über Eigentum und Nutzungsrechte an Daten der eingesetzten Tauben und Flugregistrierungen.
Wer sammelt und verarbeitet die Daten: nationaler Verband, Verein, Region, Spielgemeinschaft oder externer Dienstleister? Welche Software wird verwendet, wem gehört sie und wer besitzt die Rechte am geistigen Eigentum? Auch Einsicht, Kontrolle, Speicherung, Übertragung und Wiederverwendung müssen geregelt sein.
Softwareeigentum, Datenrechte und die Verantwortung für die Verarbeitung sind getrennt festzulegen. Diese Vereinbarungen beeinflussen Kosten, Abhängigkeit von Dienstleistern und Datenaustausch.
Transparenz muss das geltende Datenschutzrecht beachten, insbesondere wenn Flugdaten einem Züchter zugeordnet werden können. Sie verlangt keine unbegrenzte Veröffentlichung personenbezogener Daten.
Wir bevorzugen gemeinsame Regeln für alle der FCI angeschlossenen Verbände mit gleichen Grundsätzen für ihre Mitglieder. Rechte und Verantwortlichkeiten müssen klar sein, geltendes Recht berücksichtigen und einer gerichtlichen Prüfung standhalten.
Offenheit muss Zweifel ausräumen
Unterschiedliche Regeln, Verträge und Technik können die Zusammenarbeit erschweren. Ein einziges System ist nicht zwangsläufig die beste Lösung. Gemeinsame Regeln für Austausch, Kontrolle, Veröffentlichung und Kosten können bereits Doppelarbeit reduzieren.
Warum bleibt Zusammenarbeit so schwierig? Spielen bestehende Verträge, wirtschaftliche Interessen oder Beziehungen zwischen Verantwortlichen ebenfalls eine Rolle? Fehlende Offenheit lässt Zweifel an möglichen Interessenkonflikten entstehen. Das ist kein Beweis dafür, rechtfertigt aber klare Antworten.
Eine geschäftliche oder institutionelle Beziehung macht eine Entscheidung nicht automatisch falsch. Entscheidend ist, wie Interessen offengelegt, bewertet und von der Entscheidung getrennt werden. Züchter sollten wissen, wer entscheidet und wie persönliche oder geschäftliche Einflüsse behandelt werden.
Veröffentlichen Sie relevante Grundsätze und Vereinbarungen, machen Sie Kosten vergleichbar und erläutern Sie Hindernisse. Auch bei vertraulichen Vertragsdetails müssen Verbände ihre Entscheidungen und Kontrollen erklären können. Es ist ihre Aufgabe, Zweifel auszuräumen.
Das ursprüngliche Ziel war deutlich umfassender
Die Westeuropäische Konföderation der Brieftaubenzüchter arbeitete bereits an grenzüberschreitender Zusammenarbeit. 2019 gründeten unter anderem die Verbände der vier hier betrachteten Länder die UWEPA. Laut Gründungserklärung wollten sie ihre Kräfte bündeln, um den Brieftaubensport in Europa zu stärken. Auf der Agenda standen Tierwohl und Transport, gemeinsames Auftreten bei europäischen Vorschriften, kulturelle Anerkennung, ein besseres Ansehen sowie gemeinsame Veranstaltungen und Flüge. 2022 besprachen die Mitglieder auch abgestimmte Positionen innerhalb der FCI, Kontakte zur Europäischen Union und die Gesundheit der Brieftauben. [6][8]
Für gemeinsamen Einkauf gibt es ein konkretes Beispiel: Laut deutschem Verband wirkte Richard Groß daran mit, Fußringe mit FCI-Logo gemeinsam zu bestellen und so die Beschaffungskosten der Verbände gering zu halten. Das belegt keine Einsparung bei Auswertungssoftware, zeigt aber, dass Zusammenarbeit auch finanzielle Vorteile anstreben kann. [7]
Zusammenarbeit auf allen Gebieten neu beleben
Der Brieftaubensport steht in vielen Ländern unter Druck. Deshalb müssen die nationalen Verantwortlichen die Zusammenarbeit aktiv und dauerhaft neu beleben. Tierwohl, Gesundheit, Transport, europäisches Recht, die Stellung innerhalb der FCI, kulturelle Anerkennung, Öffentlichkeitsarbeit und gemeinsame Veranstaltungen brauchen eine gemeinsame Linie. Auch technische Systeme, Flugdaten, Ergebnisauswertung und gemeinsamer Einkauf gehören auf die Agenda. Die Verbände können für jedes Thema ein gemeinsames Ziel und Zuständigkeiten festlegen.
Dazu gehört vollständige Kostentransparenz. Was zahlen Verbände, Regionen und Vereine für Software, Auswertung, Datenaustausch und Veröffentlichung? Welche Lasten tragen am Ende die Züchter? Solange die Länder diese Beträge nicht nach denselben Maßstäben offenlegen, lassen sich weder die Gesamtkosten noch mögliche Einsparungen beurteilen. Transparenz macht Entscheidungen überprüfbar und stärkt das Vertrauen.
Die vier nationalen Verbände sollten deshalb gemeinsam eine öffentliche Agenda beschließen, die an ihre ursprünglichen Ziele anknüpft. Sie sollten zeigen, was sie gemeinsam tun, was es kostet, wo sie sparen und was bei den gewöhnlichen Züchtern ankommt. Das Ziel der Zusammenarbeit haben die Verantwortlichen selbst formuliert. Jetzt müssen sie es mit gemeinsamen Entscheidungen und greifbaren Ergebnissen umsetzen.
Quellen zur Überprüfung
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Distintos sistemas de clasificación y un futuro común para la colombofilia
Los Países Bajos, Bélgica, Francia y Alemania calculan los resultados de sus concursos de maneras diferentes. ¿Cuánto cuestan esos sistemas, quién los paga y qué tareas podrían organizar conjuntamente las federaciones? Las preguntas remiten a un objetivo más amplio: la cooperación que las federaciones nacionales iniciaron para el futuro de la colombofilia merece un nuevo impulso, visible en todos los ámbitos.
Los cuatro modelos, en resumen
Países Bajos: Compuclub es el calculador central; procesa resultados a varios niveles y para los campeonatos nacionales. Alemania: trabajan varios calculadores de listas (Preislisten Verrechner); la federación fija las normas y puede designar a uno para un concurso nacional concreto. Francia: clasificadores autorizados emplean programas homologados; la FCF fija las reglas de cálculo, las licencias y la homologación del software. Bélgica: los clubes envían sus resultados, que la KBDB utiliza para los campeonatos.
Estas son las líneas generales. La ejecución puede variar según el concurso y su organizador.
Países Bajos: un operador central
Según la NPO, Compuclub elabora los resultados de los concursos neerlandeses desde el ámbito del club hasta los campeonatos nacionales. En mayo de 2026, la federación anunció que el precio del servicio para 2026 y 2027 subiría de tres a cuatro céntimos por paloma. Es una tarifa publicada por el cálculo, no el coste total de participar en un concurso. [1]
La centralización permite procesar varios niveles a partir de un solo flujo de datos. También genera dependencia. En 2026 la NPO informó de una disputa sobre la entrega de archivos UDP necesarios para sus controles. Las consecuencias contractuales exactas quedan fuera de esta comparación, pero el caso muestra la importancia de garantizar el acceso a los datos de los concursos. [1]
Alemania: varios calculadores
La federación alemana trabaja con varios Preislisten Verrechner, entre ellos RiRo, Motz y Eilert Eden. Se reunió con ellos y con fabricantes de sistemas de comprobación electrónica para hablar de armonización, por ejemplo, de los nombres de los puntos de suelta. Un único proveedor puede elaborar la lista nacional de un concurso concreto: RiRo lo hizo en Paris Andrezel 2025. [2][3]
Este modelo permite que coexistan varios proveedores. Unir sus datos exige definiciones claras e intercambios fiables.
Francia: licencias y programas homologados
El reglamento francés exige que un clasificador autorizado por la FCF elabore el resultado. En él deben aparecer tanto el número de licencia del clasificador como el número de homologación del programa empleado. La FCF comunica también las reglas de cálculo a clasificadores y desarrolladores, incluida la modificación aplicable desde la temporada 2026 a los concursos por debajo de 800 metros por minuto. Además ha anunciado su propio servicio de clasificación; eso no cambia el régimen general de licencias. [4]
Bélgica: reunir los resultados
La KBDB indica que los clubes cargan sus resultados en la plataforma federativa. Los campeonatos nacionales se calculan automáticamente con esos datos. Para los campeonatos nacionales y provinciales de 2026 exige cargar todos los resultados definitivos en KBDB admin. Así queda claro cómo se recopilan los datos a escala nacional, aunque la fuente no establece un precio único para el cálculo en todos los clubes. [5]
Costes: una cifra no basta para comparar
Los cuatro céntimos neerlandeses por paloma son un punto de partida útil. En las fuentes públicas federativas consultadas no se encontró una tarifa nacional equivalente, limitada exclusivamente al cálculo de resultados, para Alemania, Francia o Bélgica. Las cuotas de participación, enceste o transporte suelen cubrir también el traslado y la organización. Compararlas directamente con los cuatro céntimos daría una impresión engañosa.
Una comparación verificable debe incluir los mismos conceptos en cada país: elaboración de resultados, licencias de software, mantenimiento, almacenamiento, transmisión de datos, campeonatos nacionales y publicación. También debe aclarar quién paga: federación, región, club o aficionado. Solo con los costes completos y los volúmenes anuales se podrá comparar de manera razonable el importe por cada 1.000 palomas encestadas.
Artículo 15 y el umbral de 800 metros por minuto
Desde la temporada 2026, el recordatorio de la FCF establece la clasificación en metros por minuto cualquiera que sea la velocidad. Se suprime el método anterior por debajo de 800 m/min. La decisión se tomó en Martigues el 21 de febrero de 2025; 2025 fue el año de transición para clasificadores y desarrolladores. [4]
El cálculo ordinario divide la distancia al palomar en metros entre el tiempo de vuelo computable en minutos. Sin neutralización nocturna: 600.000 metros en 750 minutos equivalen a 800 m/min; en 800 minutos, a 750 m/min; en 1.000 minutos, a 600 m/min.
En concursos de varios días siguen vigentes las reglas de neutralización. París es la referencia para concursos franceses; las reglas internacionales deben examinarse por separado. El PDF de 2025 conserva pasajes antiguos, incluida una disposición sobre clasificaciones complementarias de concursos internacionales. La FCF y el clasificador deben aclarar su aplicación en 2026. [4]
Datos de concursos programas y privacidad
Una comparación completa de costes entre Bélgica, Inglaterra, Alemania, Francia y los Países Bajos exige aclarar la propiedad y los derechos de uso sobre los datos de las palomas participantes y los registros de concurso.
¿Quién recoge y procesa los datos: federación nacional, sociedad, región, agrupación de concurso o proveedor externo? ¿Qué programa se utiliza, quién es su propietario y quién posee los derechos de propiedad intelectual? Deben quedar claros los derechos de consulta, control, conservación, transferencia y reutilización.
La propiedad del programa, los derechos sobre los datos y la responsabilidad del tratamiento deben establecerse por separado. Estas condiciones influyen en los costes, la dependencia de proveedores y el intercambio de datos.
La transparencia debe cumplir la legislación aplicable sobre privacidad, especialmente si los datos pueden vincularse a un colombófilo. No exige publicar sin límites los datos personales.
Preferimos reglas comunes para todas las federaciones afiliadas a la FCI, con principios iguales para sus miembros. Deben definir derechos y responsabilidades, respetar la legislación aplicable y ser jurídicamente sólidas, también ante una revisión judicial.
La transparencia debe disipar las dudas
Las diferencias en reglas, contratos y tecnología pueden dificultar la cooperación. Un sistema único no es necesariamente la mejor solución. Los acuerdos comunes sobre intercambio, control, publicación y costes pueden reducir la duplicación de tareas.
¿Por qué sigue siendo tan difícil cooperar? ¿Influyen también los contratos existentes, los intereses comerciales o las relaciones entre dirigentes? La falta de transparencia deja espacio para dudas sobre posibles conflictos de intereses. No demuestra su existencia, pero justifica exigir respuestas claras.
Una relación comercial o institucional no convierte por sí sola una decisión en incorrecta. Importa cómo se declaran y evalúan los intereses y cómo se separan de las decisiones. Los aficionados deben saber quién decide y cómo se gestionan las influencias personales o comerciales.
Publiquen los principios y acuerdos pertinentes, hagan comparables los costes y expliquen los obstáculos. Aunque existan detalles contractuales confidenciales, las federaciones deben justificar sus decisiones y controles. Les corresponde disipar las dudas.
El objetivo original era mucho más amplio
La Confederación de Colombófilos de Europa Occidental ya trabajaba en la cooperación transfronteriza. En 2019, entre los fundadores de la UWEPA estaban las federaciones de los cuatro países aquí analizados. Según su declaración fundacional, querían unir fuerzas para fortalecer la colombofilia europea. Su programa incluía bienestar animal y transporte, acción conjunta ante la normativa europea, reconocimiento cultural, mejora de la imagen y actividades y concursos compartidos. En 2022 los miembros también trataron posiciones coordinadas en la FCI, contactos con la Unión Europea y la salud de las palomas mensajeras. [6][8]
Existe un ejemplo concreto de compra conjunta: según la federación alemana, Richard Groß ayudó a organizar pedidos compartidos de anillas con el logotipo de la FCI para reducir el coste de adquisición de las federaciones. Eso no demuestra un ahorro en programas de resultados, pero sí muestra que la cooperación puede perseguir ventajas económicas. [7]
Reactivar la cooperación en todos los ámbitos
La colombofilia está bajo presión en muchos países. Por eso los dirigentes nacionales deben reactivar una cooperación constante y efectiva. Bienestar animal, salud, transporte, legislación europea, posición en la FCI, reconocimiento cultural, promoción y eventos comunes necesitan una orientación compartida. Los sistemas técnicos, los datos de los concursos, el cálculo de resultados y las compras conjuntas también deben estar en esa agenda. Las federaciones pueden fijar un objetivo y un responsable para cada asunto.
La cooperación requiere plena transparencia sobre los costes. ¿Qué pagan federaciones, regiones y clubes por software, cálculo, intercambio de datos y publicación? ¿Qué gastos acaban soportando los aficionados? Mientras los países no comuniquen esas cifras con criterios comparables, los aficionados no podrán valorar ni los costes totales ni el posible ahorro. La transparencia permite examinar las decisiones de los dirigentes y fortalece la confianza.
Las cuatro federaciones nacionales deberían acordar una agenda pública que retome sus objetivos originales. Que muestren qué medidas adoptan juntas, cuánto cuestan, dónde ahorran y qué beneficios llegan al aficionado común. Sus propios dirigentes se fijaron el objetivo de trabajar juntos. Ahora les corresponde hacerlo visible mediante decisiones compartidas y resultados concretos.
Fuentes para verificación
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Internationale ontmoetingen voor duivenliefhebbers
Een agenda met ontmoetingen in Engeland, Duitsland, Frankrijk, België en Portugal, van het najaar van 2026 tot januari 2028. Hieronder staan de aangekondigde data.
Ontmoeten, ervaringen delen en samen genieten van de duivensport. Symbolische illustratie gemaakt met AI.
31 oktober 2026 · Doncaster, Engeland
The Racing Pigeon International Event vindt plaats op Doncaster Racecourse. De bijeenkomst brengt liefhebbers, kwekers en leveranciers uit binnen- en buitenland samen. Bezoekers kunnen kennismaken met producten en ontwikkelingen rond onder meer constatering, voeding en hokinrichting.
28–29 november 2026 · Kassel, Duitsland
De Internationaler TaubenMarkt en Deutsche Brieftaubenausstellung (DBA) vinden plaats in de Messe Kassel. Het evenement biedt gelegenheid om internationale liefhebbers en exposanten te ontmoeten en ontwikkelingen binnen de duivensport te bekijken.
16–17 januari · Blackpool, Groot-Brittannië
De British Homing World Show of the Year brengt duivenliefhebbers samen voor tentoonstellingen, lezingen en activiteiten voor jonge liefhebbers. De Royal Pigeon Racing Association kondigt de volgende editie aan voor 16 en 17 januari 2027.
23 januari · Bergues, Frankrijk
De Fédération colombophile Nord–Pas-de-Calais kondigt het congres in Bergues aan op 23 januari 2027.
13–14 februari · Kortrijk, België
In Kortrijk Xpo vindt Fugare plaats met internationale ontmoetingen en prijsuitreikingen van one loft races. De KBDB plant haar Nationale Dagen tijdens dezelfde beurs, op 13 en 14 februari 2027.
De programma’s zijn nog in voorbereiding. Raadpleeg de organisatoren voor de meest recente informatie.
21–23 januari 2028 · Aveiro, Portugal
Volgens de aankondiging die PIPA op 28 juli 2026 publiceerde, vindt de 40e Duivensportolympiade plaats in Parquexpo te Aveiro. Daarmee staat ook een internationale ontmoeting voor 2028 op de agenda.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Un agenda de rencontres en Angleterre, en Allemagne, en France, en Belgique et au Portugal, de l’automne 2026 à janvier 2028. Voici les dates annoncées.
Se rencontrer, partager ses expériences et vivre ensemble la passion colombophile. Illustration symbolique créée avec l’IA.
31 octobre 2026 · Doncaster, Angleterre
The Racing Pigeon International Event se tiendra à Doncaster Racecourse. Il réunira amateurs, éleveurs et fournisseurs britanniques et étrangers, avec des nouveautés concernant notamment la constatation, l’alimentation et les équipements de colombier.
28–29 novembre 2026 · Kassel, Allemagne
L’Internationaler TaubenMarkt et la Deutsche Brieftaubenausstellung (DBA) se tiendront à la Messe Kassel. Une occasion de rencontrer des amateurs et exposants internationaux et de découvrir les évolutions de la colombophilie.
16–17 janvier · Blackpool, Royaume-Uni
Le British Homing World Show of the Year réunira les colombophiles autour d’expositions, de conférences et d’activités pour les jeunes. La Royal Pigeon Racing Association annonce l’édition 2027 les 16 et 17 janvier.
23 janvier · Bergues, France
La Fédération colombophile Nord–Pas-de-Calais annonce son congrès à Bergues le 23 janvier 2027.
13–14 février · Courtrai, Belgique
Fugare se tiendra à Kortrijk Xpo, avec des rencontres internationales et des remises de prix de concours à colombier unique. La RFCB prévoit ses Journées Nationales pendant le salon, les 13 et 14 février 2027.
Les programmes sont en cours de préparation. Consultez les organisateurs pour les dernières informations.
21–23 janvier 2028 · Aveiro, Portugal
Selon l’annonce publiée par PIPA le 28 juillet 2026, la 40e Olympiade colombophile aura lieu à Parquexpo, à Aveiro. Un rendez-vous international figure ainsi déjà au calendrier de 2028.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
An events calendar covering England, Germany, France, Belgium and Portugal, from autumn 2026 to January 2028. These are the announced dates.
Meeting, sharing experiences and enjoying pigeon sport together. Symbolic AI-generated illustration.
31 October 2026 · Doncaster, England
The Racing Pigeon International Event will take place at Doncaster Racecourse. It brings together fanciers, breeders and suppliers from Britain and abroad, with products and developments covering timing systems, nutrition and loft equipment among other areas.
28–29 November 2026 · Kassel, Germany
The Internationaler TaubenMarkt and Deutsche Brieftaubenausstellung (DBA) will take place at Messe Kassel. The event offers opportunities to meet international fanciers and exhibitors and explore developments in pigeon racing.
16–17 January · Blackpool, Britain
The British Homing World Show of the Year will bring fanciers together for exhibitions, talks and activities for young fanciers. The Royal Pigeon Racing Association has announced 16 and 17 January 2027 for the next show.
23 January · Bergues, France
The Nord–Pas-de-Calais pigeon federation has announced its congress in Bergues for 23 January 2027.
13–14 February · Kortrijk, Belgium
Fugare will take place at Kortrijk Xpo, with international gatherings and one loft race award ceremonies. Belgium’s KBDB has scheduled its National Days during the fair, on 13 and 14 February 2027.
Programmes are still being prepared. Check with the organisers for the latest details.
21–23 January 2028 · Aveiro, Portugal
According to the announcement published by PIPA on 28 July 2026, the 40th Racing Pigeon Olympiad will take place at Parquexpo in Aveiro, adding an international gathering to the 2028 calendar.
Want to know more? Click the source links in this article.
Ein Veranstaltungskalender für England, Deutschland, Frankreich, Belgien und Portugal, vom Herbst 2026 bis Januar 2028. Dies sind die angekündigten Termine.
Sich begegnen, Erfahrungen austauschen und gemeinsam den Taubensport erleben. Symbolische, mit KI erstellte Illustration.
31. Oktober 2026 · Doncaster, England
The Racing Pigeon International Event findet auf der Rennbahn Doncaster statt. Züchter und Anbieter aus Großbritannien und dem Ausland kommen zusammen. Zu sehen sind Produkte und Entwicklungen unter anderem in den Bereichen Konstatierung, Fütterung und Schlagausstattung.
28.–29. November 2026 · Kassel, Deutschland
Der Internationale TaubenMarkt und die Deutsche Brieftaubenausstellung (DBA) finden in der Messe Kassel statt. Die Veranstaltung ermöglicht Begegnungen mit internationalen Brieftaubenfreunden und Ausstellern sowie Einblicke in neue Entwicklungen.
16.–17. Januar · Blackpool, Großbritannien
Die British Homing World Show of the Year bringt Züchter zu Ausstellungen, Vorträgen und Angeboten für junge Brieftaubenfreunde zusammen. Die Royal Pigeon Racing Association kündigt die nächste Ausgabe für den 16. und 17. Januar 2027 an.
23. Januar · Bergues, Frankreich
Der Brieftaubenverband Nord–Pas-de-Calais kündigt seinen Kongress in Bergues für den 23. Januar 2027 an.
13.–14. Februar · Kortrijk, Belgien
Die Fugare findet in Kortrijk Xpo statt, mit internationalen Begegnungen und Preisverleihungen von One-Loft-Rennen. Der belgische Verband KBDB plant seine Nationaltage während der Messe am 13. und 14. Februar 2027.
Die Programme werden noch vorbereitet. Aktuelle Einzelheiten veröffentlichen die Veranstalter.
21.–23. Januar 2028 · Aveiro, Portugal
Laut der am 28. Juli 2026 von PIPA veröffentlichten Ankündigung findet die 40. Brieftaubenolympiade im Parquexpo in Aveiro statt. Damit steht bereits ein internationales Treffen für 2028 im Kalender.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Una agenda de encuentros en Inglaterra, Alemania, Francia, Bélgica y Portugal, desde el otoño de 2026 hasta enero de 2028. Estas son las fechas anunciadas.
Encontrarse, compartir experiencias y disfrutar juntos de la colombofilia. Ilustración simbólica creada con IA.
31 de octubre de 2026 · Doncaster, Inglaterra
The Racing Pigeon International Event se celebrará en Doncaster Racecourse. Reunirá a aficionados, criadores y proveedores británicos y extranjeros, con productos y novedades sobre constatación, alimentación y equipamiento de palomares, entre otros ámbitos.
28–29 de noviembre de 2026 · Kassel, Alemania
El Internationaler TaubenMarkt y la Deutsche Brieftaubenausstellung (DBA) se celebrarán en Messe Kassel. Una oportunidad para conocer a aficionados y expositores internacionales y descubrir novedades de la colombofilia.
16–17 de enero · Blackpool, Reino Unido
El British Homing World Show of the Year reunirá a los aficionados con exposiciones, charlas y actividades para jóvenes. La Royal Pigeon Racing Association anuncia la próxima edición para el 16 y 17 de enero de 2027.
23 de enero · Bergues, Francia
La federación colombófila Nord–Pas-de-Calais anuncia su congreso en Bergues para el 23 de enero de 2027.
13–14 de febrero · Kortrijk, Bélgica
Fugare tendrá lugar en Kortrijk Xpo, con encuentros internacionales y entregas de premios de concursos de palomar único. La KBDB belga ha programado sus Jornadas Nacionales durante la feria, el 13 y 14 de febrero de 2027.
Los programas todavía se están preparando. Consulta a los organizadores para conocer los últimos detalles.
21–23 de enero de 2028 · Aveiro, Portugal
Según el anuncio publicado por PIPA el 28 de julio de 2026, la 40.ª Olimpiada Colombófila tendrá lugar en Parquexpo, Aveiro. Así queda ya señalado un encuentro internacional para 2028.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
WECvP – een voorbeeld van samenwerking dat navolging verdient
De West-Europese Confederatie van Postduivenhouders bracht nationale bonden samen vanuit het besef dat belangrijke vraagstukken binnen de duivensport niet bij de landsgrenzen ophouden.
De West-Europese Confederatie van Postduivenhouders (WECvP) was een samenwerkingsverband tussen de nationale postduivenorganisaties van België, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Luxemburg en Nederland. De organisatie verrichtte jarenlang belangrijk werk, zowel op sportief en organisatorisch gebied als bij de belangenbehartiging binnen Europa.
Het doel was niet om de nationale bonden te vervangen, maar om hen te laten samenwerken op onderwerpen die alle landen raakten.
Gezamenlijke belangen
De aangesloten landen werkten samen rond regelgeving voor diergeneesmiddelen, dopingcontroles, vaste voetringen, elektronische constateersystemen en chipringen, de roofvogelproblematiek, jeugdactiviteiten en de vertegenwoordiging bij Europese instanties.
Een goed voorbeeld was de Internationale Jeugdcommissie, die onder de vlag van de WECvP activiteiten en internationale uitwisselingen voor jonge duivenliefhebbers organiseerde. Daarmee richtte de samenwerking zich niet alleen op regels en techniek, maar ook op de toekomst van de sport.
Van West-Europees naar Europees
In 2010 werd besloten de samenwerking te verbreden. De WECvP moest plaatsmaken voor een organisatie die toegankelijk was voor alle Europese landen. Daaruit ontstond de Europese Confederatie van Postduivenhouders (ECvP).
Op 1 maart 2012 werd de oprichtingsakte officieel gepasseerd. De vereniging kreeg als doel de werkzaamheden van de leden te ondersteunen, de onderlinge samenwerking te bevorderen en te werken aan harmonisatie van de Europese duivensport.
De eerste actiepunten waren veelbelovend: diergeneesmiddelen, vaste voetringen, doping, elektronisch constateren, roofvogels en een krachtige Europese lobby. Er lag daarmee een duidelijke basis voor één gezamenlijke Europese aanpak.
De actualiteit bewijst de noodzaak
Veel onderwerpen die toen op tafel lagen, zijn vandaag nog altijd actueel. Door Europese wetgeving, digitalisering, strengere veterinaire regels en de ontwikkeling van elektronische constateersystemen is grensoverschrijdende samenwerking alleen maar belangrijker geworden.
Ook wedstrijdreglementen, neutralisatietijden, dopingbeleid, chipringen en technische eisen aan constateersystemen vragen om meer uniformiteit. Het is moeilijk uit te leggen dat dezelfde internationale duivensport nog altijd wordt geconfronteerd met uiteenlopende nationale regels, technische normen en berekeningsmethoden.
Een gezamenlijke Europese organisatie zou kennis kunnen bundelen, kosten kunnen besparen en namens de duivenliefhebbers met één krachtige stem kunnen spreken. Niet tegen de nationale bonden in, maar juist als ondersteuning daarvan.
Een gemiste kans
Het oorspronkelijke gedachtegoed van de WECvP was helder: afzonderlijk zijn de nationale bonden beperkt, maar gezamenlijk kunnen zij werkelijk invloed uitoefenen. Die gedachte is vandaag actueler dan ooit.
Toch is er van deze Europese samenwerking de laatste jaren nauwelijks nog iets zichtbaar. Geen enkele organisatie of bestuurder heeft het initiatief genomen om de oorspronkelijke doelstellingen opnieuw leven in te blazen. Dat is een trieste conclusie, juist nu samenwerking een absolute noodzaak wordt door de voortdurende afname van het aantal beoefenaars van onze sport.
Misschien kan dit artikel nieuwe impulsen geven. Ik hoop het!
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
WECvP – un exemple de coopération qui mérite d’être suivi
La Confédération ouest-européenne des colombophiles réunissait les fédérations nationales, partant du principe que les grandes questions colombophiles ne s’arrêtent pas aux frontières.
La WECvP réunissait les organisations colombophiles nationales de Belgique, d’Allemagne, de France, de Grande-Bretagne, du Luxembourg et des Pays-Bas. Pendant des années, elle a accompli un travail important dans les domaines sportif et organisationnel ainsi que dans la représentation des intérêts auprès des institutions européennes.
Son objectif n’était pas de remplacer les fédérations nationales, mais de les faire coopérer sur les sujets qui concernaient tous les pays.
Des intérêts communs
Les pays membres collaboraient sur les médicaments vétérinaires, les contrôles antidopage, les bagues matricules, les systèmes de constatation électronique, les rapaces, les activités destinées à la jeunesse et la représentation européenne.
La Commission internationale de la jeunesse organisait sous l’égide de la WECvP des activités et des échanges internationaux. La coopération concernait ainsi non seulement les règlements et la technique, mais aussi l’avenir de notre sport.
De l’Europe occidentale à toute l’Europe
En 2010, il fut décidé d’élargir cette coopération. La WECvP devait céder la place à une organisation ouverte à tous les pays européens : la Confédération européenne des colombophiles (ECvP).
Le 1er mars 2012, l’acte constitutif fut officiellement signé. L’association devait soutenir le travail de ses membres, renforcer leur coopération et contribuer à l’harmonisation de la colombophilie européenne. Ses premiers dossiers concernaient les médicaments, les bagues, le dopage, la constatation électronique, les rapaces et le lobbying européen.
L’actualité confirme cette nécessité
Nombre de ces sujets restent actuels. La législation européenne, la numérisation, le renforcement des règles vétérinaires et l’évolution des systèmes électroniques rendent la coopération transfrontalière encore plus indispensable.
Les règlements, les périodes de neutralisation, la lutte antidopage, les bagues électroniques et les normes techniques demandent davantage d’uniformité. Une organisation européenne commune pourrait réunir les connaissances, réduire les coûts et parler d’une seule voix forte, non pas contre les fédérations nationales, mais pour les soutenir.
Une occasion manquée
L’idée fondatrice de la WECvP était claire : séparément, les fédérations ont une influence limitée ; ensemble, elles peuvent réellement agir. Cette idée est plus actuelle que jamais.
Pourtant, cette coopération européenne est devenue presque invisible ces dernières années. Aucune organisation ni aucun dirigeant n’a pris l’initiative de faire revivre ses objectifs initiaux. C’est une triste conclusion, précisément au moment où la coopération devient une nécessité absolue face à la diminution continue du nombre de pratiquants de notre sport.
Peut-être cet article donnera-t-il une nouvelle impulsion. Je l’espère !
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
The West European Confederation of Pigeon Fanciers brought national federations together in recognition that major issues in pigeon racing do not stop at national borders.
The WECvP united the national pigeon organisations of Belgium, Germany, France, Great Britain, Luxembourg and the Netherlands. For many years it did important sporting and organisational work and represented shared interests at European level.
Its purpose was not to replace the national federations, but to help them cooperate on issues affecting every country.
Shared interests
The countries worked together on veterinary medicines, anti-doping controls, permanent rings, electronic timing systems, birds of prey, youth activities and representation before European institutions.
The International Youth Committee organised activities and exchanges under the WECvP banner. Cooperation therefore concerned not only rules and technology, but also the future of the sport.
From Western Europe to Europe as a whole
In 2010, the decision was taken to broaden the partnership. The WECvP was to be succeeded by an organisation open to all European countries: the European Confederation of Pigeon Fanciers (ECvP).
Its deed of incorporation was formally executed on 1 March 2012. The association aimed to support its members, strengthen cooperation and promote harmonisation. Its first priorities included medicines, rings, doping, electronic timing, birds of prey and effective European lobbying.
Today’s challenges prove the need
Many of those issues remain relevant. European legislation, digitisation, stricter veterinary rules and electronic timing systems have made cross-border cooperation even more important.
Race regulations, neutralisation periods, anti-doping policy, chip rings and technical standards require greater uniformity. A joint European organisation could pool knowledge, reduce costs and speak with one strong voice—not in opposition to national federations, but in support of them.
A missed opportunity
The founding idea was clear: national federations have limited influence on their own, but together they can make a real difference. That idea is more relevant today than ever.
Yet little of this European cooperation has been visible in recent years. No organisation or administrator has taken the initiative to revive its original objectives. That is a sad conclusion, especially at a time when cooperation is becoming an absolute necessity because the number of people participating in our sport continues to decline.
Perhaps this article can provide new momentum. I hope it will!
Want to know more? Click the source links in this article.
WECvP – ein Beispiel für nachahmenswerte Zusammenarbeit
Die Westeuropäische Konföderation der Brieftaubenhalter brachte nationale Verbände zusammen, weil wichtige Fragen des Brieftaubensports nicht an Landesgrenzen enden.
Die WECvP vereinte die nationalen Brieftaubenorganisationen Belgiens, Deutschlands, Frankreichs, Großbritanniens, Luxemburgs und der Niederlande. Sie leistete über viele Jahre wichtige sportliche und organisatorische Arbeit und vertrat gemeinsame Interessen auf europäischer Ebene.
Ihr Ziel war nicht, die nationalen Verbände zu ersetzen, sondern ihre Zusammenarbeit bei länderübergreifenden Themen zu fördern.
Gemeinsame Interessen
Die Länder arbeiteten bei Tierarzneimitteln, Dopingkontrollen, Fußringen, elektronischen Konstatiersystemen, der Greifvogelproblematik, Jugendarbeit und europäischer Interessenvertretung zusammen.
Die Internationale Jugendkommission organisierte unter dem Dach der WECvP Aktivitäten und internationale Begegnungen. Die Zusammenarbeit galt damit nicht nur Regeln und Technik, sondern auch der Zukunft des Sports.
Von Westeuropa zu ganz Europa
2010 wurde die Erweiterung beschlossen. An die Stelle der WECvP sollte eine Organisation treten, die allen europäischen Ländern offenstand: die Europäische Konföderation der Brieftaubenhalter (ECvP).
Am 1. März 2012 wurde die Gründungsurkunde unterzeichnet. Der Verein sollte die Mitglieder unterstützen, die Zusammenarbeit fördern und zur Harmonisierung beitragen. Erste Schwerpunkte waren Arzneimittel, Ringe, Doping, elektronisches Konstatieren, Greifvögel und europäische Interessenvertretung.
Die Gegenwart beweist die Notwendigkeit
Viele Themen sind bis heute aktuell. Europäische Gesetzgebung, Digitalisierung, strengere tiermedizinische Regeln und elektronische Systeme machen grenzüberschreitende Zusammenarbeit noch wichtiger.
Auch Flugreglemente, Neutralisationszeiten, Dopingpolitik, Chipringe und technische Anforderungen brauchen mehr Einheitlichkeit. Eine gemeinsame Organisation könnte Wissen bündeln, Kosten senken und mit einer starken Stimme sprechen – nicht gegen die nationalen Verbände, sondern zu ihrer Unterstützung.
Eine verpasste Chance
Der ursprüngliche Gedanke war klar: Einzeln haben nationale Verbände nur begrenzten Einfluss, gemeinsam können sie wirklich etwas bewirken. Dieser Gedanke ist heute aktueller denn je.
Dennoch ist von dieser europäischen Zusammenarbeit in den vergangenen Jahren kaum noch etwas zu sehen. Keine Organisation und kein Funktionär hat die Initiative ergriffen, die ursprünglichen Ziele neu zu beleben. Das ist ein trauriges Fazit – gerade in einer Zeit, in der Zusammenarbeit wegen des anhaltenden Rückgangs der Zahl der Sportausübenden zur absoluten Notwendigkeit wird.
Vielleicht kann dieser Artikel neue Impulse geben. Ich hoffe es!
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
WECvP: un ejemplo de cooperación que merece continuar
La Confederación de Europa Occidental de Colombófilos reunió a federaciones nacionales porque los grandes asuntos de la colombofilia no terminan en las fronteras.
La Confederación de Europa Occidental de Colombófilos (WECvP) reunió a las organizaciones nacionales de Bélgica, Alemania, Francia, Gran Bretaña, Luxemburgo y los Países Bajos. Durante años trabajó en asuntos deportivos, organizativos y europeos. No pretendía sustituir a las federaciones nacionales, sino ayudarlas a cooperar en asuntos que traspasan las fronteras.
Intereses comunes
Los países colaboraron en la normativa sobre medicamentos veterinarios, controles antidopaje, anillas permanentes, sistemas electrónicos de constatación, aves rapaces, actividades para jóvenes y representación ante las instituciones europeas. Bajo el paraguas de la WECvP, una Comisión Internacional de Juventud organizó actividades e intercambios para nuevos aficionados. La cooperación trataba, por tanto, tanto del futuro del deporte como de sus reglas y su tecnología.
De Europa Occidental a toda Europa
En 2010 se decidió ampliar la colaboración a todos los países europeos. Así nació la Confederación Europea de Colombófilos (ECvP). El acta fundacional se formalizó el 1 de marzo de 2012. La nueva asociación tenía por objetivo apoyar a sus miembros, promover la cooperación y armonizar la colombofilia europea.
Sus primeras prioridades eran prometedoras: medicamentos veterinarios, anillas, dopaje, constatación electrónica, rapaces y una voz europea fuerte. Existía una base para una actuación conjunta que ayudase a las organizaciones nacionales en vez de competir con ellas.
La actualidad confirma la necesidad
La legislación europea, la digitalización, los requisitos veterinarios y la evolución de los sistemas electrónicos hacen aún más necesaria la cooperación entre países. Los reglamentos de concursos, los periodos de neutralización, las anillas con chip y los métodos de cálculo siguen mostrando diferencias nacionales. Una organización común podría compartir conocimientos, reducir costes y hablar con más fuerza en nombre de los aficionados.
Una oportunidad desaprovechada
En los últimos años apenas se ha visto nada de esta cooperación europea. Ninguna organización ni dirigente ha tomado la iniciativa de reavivar los objetivos originales. Es una conclusión triste, precisamente cuando la constante disminución del número de participantes hace indispensable trabajar juntos. Quizá este artículo dé un nuevo impulso. ¡Eso espero!
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
Vaccinatie is een biologisch leerproces. Afweercellen herkennen de antigenen uit het vaccin, organiseren hun reactie en bouwen een geheugen op waarmee zij bij een volgend contact met de ziekteverwekker sneller kunnen reageren. Maar de duif moet dat onderwijs wel kunnen volgen!
De vijf stappen van een geslaagde vaccinatie
1. De dierenarts: eerst controleren
Een klinisch onderzoek beoordeelt de gezondheid van de duiven, spoort mogelijke ziekteverschijnselen op en helpt een vaccinatieprogramma op maat van het hok te bepalen.
2. Voeding: de nodige bouwstoffen leveren
Antistoffen produceren, lymfocyten vermeerderen en de afweer onderhouden vraagt stofwisselingsenergie en voedingsstoffen. Evenwichtige voeding met hoogwaardige eiwitten (linzen en spirulina), vitaminen (bakkersgist) en passende hoeveelheden sporenelementen ondersteunt het immuunsysteem. Overmatige aanvulling verbetert de vaccinatiereactie niet noodzakelijk.
3. In de mand: stress beperken
Rustig hanteren, een passende bezetting en goede ventilatie beperken de stress. Houd het verblijf in de mand zo kort mogelijk: het mag geen extra beproeving worden.
4. Vaccineren: de voorschriften volgen
De dierenarts volgt het protocol van het gebruikte vaccin: dosis, toedieningsweg, minimumleeftijd, eerste vaccinaties en herhalingen. Correct bewaren, vooral het respecteren van de koudeketen, is onmisbaar.
5. Belonen: positief afsluiten
Rust, toegang tot water en een kleine voerbeloning kunnen na vaccinatie negatieve associaties met het hanteren verminderen. Dit dient het welzijn van het dier; het is geen kunstmatige stimulering van de afweer.
Onthoud: vaccinatie begint vóór de prik; de bescherming bouwt zich daarna geleidelijk op.
Harry Blooder: bescherm de school voordat zij wordt aangevallen
De tweede illustratie stelt de Bursa van Fabricius voor als een school waar B-lymfocyten zich ontwikkelen tot functionele afweercellen. Het duivencircovirus (PiCV) kan die vorming verstoren door beschadiging van lymfoïde weefsels, waaronder de Bursa. Bij jonge duiven kan dit de ontwikkeling van effectieve afweer ondermijnen en andere ziekten bevorderen.
Circovirus: controleren vóór introductie
1. Aankoop of voorbereiding op de kweek
Een duif van een ander hok kan een gezondheidsrisico meebrengen. Houd bij de keuze van kwekers rekening met herkomst, klinische toestand en gezondheidsgeschiedenis.
2. Quarantaine: afzonderen en observeren
Plaats nieuwkomers apart, met eigen materiaal en dagelijkse controle. Een gezondheidscontrole vóór het koppelen helpt bij aanwezige kwekers de risico’s voor de nakomelingen te beoordelen.
3. PCR bij binnenkomst
Een eerste PCR zoekt naar circovirus-DNA in het onderzochte monster. Een positieve uitslag vraagt veterinaire interpretatie en betekent niet automatisch dat de duif klinisch ziek is.
4. Toezicht tijdens quarantaine
Let op gedrag, eetlust, mest, algemene toestand en eventuele luchtweg- of spijsverteringsklachten. Huisvesting moet stress en kruisbesmetting beperken.
5. PCR vóór vertrek uit quarantaine
Een tweede PCR, na een passend interval, vult de beoordeling aan vóór introductie of inzet voor de kweek. Twee negatieve uitslagen verminderen de onzekerheid, maar sluiten infectie niet volledig uit: gevoeligheid hangt af van het monster, het testmoment en de virusuitscheiding. De uiteindelijke beslissing steunt op alle uitslagen en het gezondheidsonderzoek.
Vaccinatie vervangt preventie niet
Terug naar de school: als leerlingen onvoldoende zijn gevormd of circovirus de school heeft beschadigd, kan de immuunreactie tekortschieten, ook wanneer het vaccin zijn antigenen correct aanbiedt. Een gevaccineerde duif is dus niet noodzakelijk voldoende beschermd. Omgekeerd bewijst de aanwezigheid van circovirus op zichzelf geen vaccinatiefalen: leeftijd, afweer en bijkomende infecties spelen mee.
De aanpak rust op drie pijlers: infecties voorkomen, het immuunsysteem behouden en vaccineren volgens een passend programma.
Een goed werkende school, beter beschermde duiven
De Bursa van Fabricius vormt B-lymfocyten; vaccins bieden antigenen aan die bijdragen aan een afweerreactie en beschermend geheugen. Leren verloopt minder goed wanneer het organisme verzwakt is. Gezondheid steunt daarom ook op goed hokmanagement, voeding, bioveiligheid, veterinaire begeleiding en respect voor de biologische behoeften van de dieren.
De beste vaccinatie ontmoet een immuunsysteem dat kan leren.
Veterinair Dr. Emmanuel Leysens
19 · 10 · 2026
Du système immunitaire à la vaccination : préparer, protéger et récompenser
Un vaccin ne protège pas le pigeon par magie : il sollicite un système immunitaire qui doit être capable de répondre.
La vaccination est un véritable apprentissage biologique. Les cellules immunitaires reconnaissent les antigènes vaccinaux, organisent leur réponse et développent une mémoire qui permettra de réagir plus rapidement lors d’une rencontre ultérieure avec l’agent infectieux. Mais encore faut-il que le pigeon soit en mesure de suivre cet enseignement !
Les cinq étapes d’une vaccination réussie
1. La visite vétérinaire : vérifier avant d’agir
L’examen clinique permet d’évaluer l’état sanitaire des pigeons, de rechercher d’éventuels signes de maladie et de définir le programme vaccinal adapté à l’élevage.
2. L’alimentation : fournir les matériaux nécessaires
Produire des anticorps, multiplier les lymphocytes et entretenir les défenses immunitaires nécessitent des ressources métaboliques. Une alimentation équilibrée, apportant des protéines de qualité (lentilles et spiruline), des vitamines (levure de boulangerie) et des oligoéléments en quantités adaptées, contribue au bon fonctionnement du système immunitaire. Une supplémentation excessive n’améliore pas nécessairement la réponse vaccinale.
3. La mise au panier : limiter le stress
Une manipulation calme, une densité adaptée et une bonne ventilation permettent de réduire le stress lié à la contention. La mise au panier doit être aussi brève que possible et ne pas devenir une épreuve supplémentaire pour les pigeons.
4. La vaccination : respecter les règles
Le vétérinaire applique le protocole correspondant au vaccin utilisé : dose, voie d’administration, âge minimal, primovaccination et rappels. La conservation des vaccins, notamment le respect de la chaîne du froid, est indispensable.
5. La récompense : terminer sur une expérience positive
Après la vaccination, le retour au calme, l’accès à l’eau et une petite récompense alimentaire peuvent contribuer à réduire les associations négatives avec la manipulation. Il ne s’agit pas de stimuler artificiellement l’immunité, mais d’améliorer le bien-être de l’animal.
À retenir : la vaccination commence avant l’injection et la protection immunitaire se construit progressivement après celle-ci.
Harry Blooder : protéger l’école avant qu’elle ne soit attaquée
Notre deuxième illustration présente la Bourse de Fabricius comme une école dans laquelle les lymphocytes B apprennent à devenir des cellules immunitaires fonctionnelles. Le circovirus du pigeon (PiCV) peut perturber cette formation en provoquant des lésions des tissus lymphoïdes, notamment de la Bourse de Fabricius. Chez les jeunes pigeons, une infection peut ainsi compromettre le développement de défenses immunitaires efficaces et favoriser l’apparition d’autres maladies.
Le circovirus : contrôler avant d’introduire
1. Achat d’un reproducteur ou préparation à la reproduction
L’introduction d’un pigeon provenant d’un autre élevage représente un risque sanitaire potentiel. Le choix des reproducteurs doit intégrer leur origine, leur état clinique et leur historique sanitaire.
2. Quarantaine : isoler pour observer
Tout nouvel arrivant devrait être placé dans un espace séparé, avec du matériel dédié et une surveillance quotidienne. Pour les reproducteurs déjà présents, un contrôle sanitaire avant la mise à la reproduction permet d’évaluer les risques pour la descendance.
3. PCR circovirus à l’entrée
Une première analyse PCR permet de rechercher la présence d’ADN du circovirus dans le prélèvement examiné. Un résultat positif nécessite une interprétation vétérinaire : il ne signifie pas systématiquement que le pigeon présente une maladie clinique.
4. Surveillance pendant la quarantaine
L’observation porte sur le comportement, l’appétit, les fientes, l’état général et l’apparition éventuelle de signes respiratoires ou digestifs. Les conditions d’hébergement doivent limiter le stress et les contaminations croisées.
5. PCR circovirus à la sortie
Une seconde PCR, réalisée à un intervalle adapté, permet de compléter l’évaluation sanitaire avant toute introduction dans le colombier ou mise à la reproduction. Deux résultats négatifs réduisent l’incertitude, mais ne garantissent pas l’absence absolue d’infection : la sensibilité dépend du prélèvement, du moment de l’analyse et de l’excrétion virale. La décision finale repose sur l’ensemble des résultats et de l’examen sanitaire.
La vaccination ne remplace pas la prévention
Revenons à notre école des lymphocytes. Que se passe-t-il lorsque les élèves ont été mal formés ou que l’établissement a été endommagé par le circovirus ? Même si le vaccin présente correctement ses antigènes, la réponse immunitaire peut être insuffisante. C’est pourquoi un pigeon vacciné n’est pas nécessairement un pigeon correctement protégé. Inversement, la détection d’un circovirus ne permet pas, à elle seule, de conclure à un échec vaccinal : les conséquences dépendent notamment de l’âge, de l’état immunitaire et des infections associées.
La bonne stratégie repose sur trois piliers complémentaires : prévenir les infections, préserver le fonctionnement du système immunitaire et vacciner selon un programme adapté.
Conclusion — Une école qui fonctionne, des pigeons mieux protégés
La Bourse de Fabricius forme les lymphocytes B. Les vaccins leur présentent des antigènes qui contribueront à construire une réponse immunitaire et une mémoire protectrice. Mais aucun apprentissage ne peut être optimal si l’organisme est fragilisé. La santé des pigeons voyageurs ne repose donc pas uniquement sur les médicaments ou les vaccins. Elle commence par la qualité de l’élevage, l’alimentation, la biosécurité, la surveillance vétérinaire et le respect des besoins biologiques des animaux.
La meilleure vaccination est celle qui rencontre un système immunitaire capable d’apprendre.
Vétérinaire Dr Emmanuel Leysens
19 · 10 · 2026
From the immune system to vaccination: prepare, protect and reward
A vaccine does not protect a pigeon by magic: it relies on an immune system capable of responding.
Vaccination is biological learning. Immune cells recognise vaccine antigens, organise their response and develop a memory that allows them to respond faster to a later encounter with the infectious agent. But the pigeon must be able to follow the lesson!
Five steps towards successful vaccination
1. Veterinary examination: check before acting
A clinical examination assesses the birds’ health, looks for signs of disease and helps define a vaccination programme suited to the loft.
2. Nutrition: provide the building materials
Producing antibodies, multiplying lymphocytes and maintaining immune defences require metabolic resources. A balanced diet supplying quality proteins (lentils and spirulina), vitamins (baker’s yeast) and suitable amounts of trace elements supports immune function. Excessive supplementation does not necessarily improve the vaccine response.
3. Basketing: reduce stress
Calm handling, suitable stocking density and good ventilation reduce restraint stress. Keep time in the basket as short as possible so it does not become another ordeal.
4. Vaccination: follow the rules
The veterinarian follows the protocol for the vaccine used: dose, administration route, minimum age, primary course and boosters. Correct storage, particularly maintaining the cold chain, is essential.
5. Reward: end on a positive note
After vaccination, quiet surroundings, access to water and a small food reward can reduce negative associations with handling. This supports welfare rather than artificially stimulating immunity.
Remember: vaccination starts before the injection; immune protection develops gradually afterwards.
Harry Blooder: protect the school before it is attacked
The second illustration depicts the bursa of Fabricius as a school where B lymphocytes develop into functional immune cells. Pigeon circovirus (PiCV) can disrupt this process by damaging lymphoid tissues, notably the bursa. In young pigeons, infection can impair the development of effective defences and favour other diseases.
Circovirus: check before introduction
1. Buying a breeder or preparing for breeding
Introducing a pigeon from another loft carries a potential health risk. Consider its origin, clinical condition and health history when selecting breeding birds.
2. Quarantine: isolate and observe
House newcomers separately, with dedicated equipment and daily observation. For existing breeders, a health check before breeding helps assess risks to the offspring.
3. Circovirus PCR on arrival
An initial PCR looks for circovirus DNA in the sample examined. A positive result needs veterinary interpretation: it does not automatically mean the bird has clinical disease.
4. Observation during quarantine
Monitor behaviour, appetite, droppings, general condition and any respiratory or digestive signs. Housing should minimise stress and cross-contamination.
5. PCR before leaving quarantine
A second PCR, after an appropriate interval, completes the assessment before introduction into the loft or breeding. Two negative results reduce uncertainty but cannot guarantee complete absence of infection: sensitivity depends on sampling, timing and viral shedding. The final decision considers all results and the health examination.
Vaccination does not replace prevention
Back to our school: if pupils have been poorly trained or circovirus has damaged the building, the immune response may be insufficient even when a vaccine presents its antigens correctly. A vaccinated pigeon is therefore not necessarily adequately protected. Conversely, detecting circovirus alone does not establish vaccine failure: effects depend on age, immune status and associated infections.
The strategy has three complementary pillars: prevent infections, preserve immune function and vaccinate according to an appropriate programme.
A functioning school, better protected pigeons
The bursa of Fabricius develops B lymphocytes. Vaccines present antigens that contribute to an immune response and protective memory. Learning cannot be optimal in a weakened organism. Racing pigeon health therefore also depends on good husbandry, nutrition, biosecurity, veterinary monitoring and respect for the birds’ biological needs.
The best vaccination meets an immune system capable of learning.
Veterinarian Dr Emmanuel Leysens
19 · 10 · 2026
Vom Immunsystem zur Impfung: vorbereiten, schützen und belohnen
Ein Impfstoff schützt die Taube nicht durch Zauberei: Er benötigt ein Immunsystem, das reagieren kann.
Impfen ist biologisches Lernen. Immunzellen erkennen die Impfantigene, organisieren ihre Antwort und entwickeln ein Gedächtnis, das bei einem späteren Kontakt mit dem Erreger eine schnellere Reaktion ermöglicht. Die Taube muss diesem Unterricht allerdings folgen können!
Die fünf Schritte einer erfolgreichen Impfung
1. Tierärztliche Untersuchung: erst prüfen
Die klinische Untersuchung beurteilt den Gesundheitszustand, sucht nach Krankheitszeichen und hilft, ein zum Bestand passendes Impfprogramm festzulegen.
2. Ernährung: die nötigen Baustoffe liefern
Antikörperbildung, Vermehrung der Lymphozyten und Erhaltung der Abwehr benötigen Stoffwechselressourcen. Eine ausgewogene Ernährung mit hochwertigen Proteinen (Linsen und Spirulina), Vitaminen (Backhefe) und angemessenen Mengen an Spurenelementen unterstützt das Immunsystem. Übermäßige Ergänzungen verbessern die Impfantwort nicht zwangsläufig.
3. Einkorben: Stress begrenzen
Ruhiger Umgang, eine angemessene Besatzdichte und gute Belüftung verringern den Stress. Der Aufenthalt im Korb sollte möglichst kurz bleiben und keine zusätzliche Belastung werden.
4. Impfung: Vorschriften einhalten
Der Tierarzt befolgt das Protokoll des verwendeten Impfstoffs: Dosis, Verabreichungsweg, Mindestalter, Grundimmunisierung und Auffrischungen. Die korrekte Lagerung und insbesondere die Kühlkette sind unverzichtbar.
5. Belohnung: positiv abschließen
Ruhe, Wasser und eine kleine Futterbelohnung nach der Impfung können negative Verknüpfungen mit dem Festhalten mindern. Das fördert das Wohlbefinden, statt die Immunität künstlich anzuregen.
Merke: Die Impfung beginnt vor dem Einstich; der Immunschutz baut sich danach schrittweise auf.
Harry Blooder: die Schule schützen, bevor sie angegriffen wird
Die zweite Abbildung zeigt die Bursa Fabricii als Schule, in der sich B-Lymphozyten zu funktionsfähigen Immunzellen entwickeln. Das Taubencircovirus (PiCV) kann diese Ausbildung durch Schädigung lymphatischer Gewebe, insbesondere der Bursa, stören. Bei Jungtauben kann dies die Entwicklung einer wirksamen Abwehr beeinträchtigen und weitere Erkrankungen begünstigen.
Circovirus: vor dem Einbringen kontrollieren
1. Zuchttaubenkauf oder Vorbereitung auf die Zucht
Eine Taube aus einem anderen Bestand kann ein Gesundheitsrisiko darstellen. Herkunft, klinischer Zustand und Gesundheitsgeschichte gehören zur Auswahl der Zuchttiere.
2. Quarantäne: trennen und beobachten
Neuzugänge sollten getrennt, mit eigenem Material und täglicher Kontrolle untergebracht werden. Bei vorhandenen Zuchttieren hilft eine Untersuchung vor Zuchtbeginn, Risiken für die Nachkommen einzuschätzen.
3. Circovirus-PCR bei der Ankunft
Eine erste PCR sucht nach Circovirus-DNA in der untersuchten Probe. Ein positives Ergebnis muss tierärztlich eingeordnet werden und bedeutet nicht automatisch eine klinische Erkrankung.
4. Kontrolle während der Quarantäne
Beobachtet werden Verhalten, Appetit, Kot, Allgemeinzustand sowie mögliche Atemwegs- oder Verdauungssymptome. Die Haltung muss Stress und Kreuzkontamination begrenzen.
5. PCR vor dem Ende der Quarantäne
Eine zweite PCR nach einem geeigneten Abstand ergänzt die Beurteilung vor dem Einsetzen in den Schlag oder in die Zucht. Zwei negative Ergebnisse verringern die Unsicherheit, garantieren aber keine vollständige Infektionsfreiheit: Die Empfindlichkeit hängt von Probe, Zeitpunkt und Virusausscheidung ab. Alle Ergebnisse und die Gesundheitsuntersuchung bilden die Entscheidungsgrundlage.
Impfen ersetzt keine Vorbeugung
Zurück zur Schule: Sind die Schüler unzureichend ausgebildet oder ist die Schule durch Circovirus geschädigt, kann die Immunantwort trotz korrekter Antigenpräsentation zu schwach ausfallen. Eine geimpfte Taube ist daher nicht zwangsläufig ausreichend geschützt. Umgekehrt beweist ein Circovirusnachweis allein kein Impfversagen: Alter, Immunstatus und Begleitinfektionen spielen mit.
Drei Säulen gehören zusammen: Infektionen vorbeugen, die Funktion des Immunsystems erhalten und nach einem geeigneten Programm impfen.
Eine funktionierende Schule, besser geschützte Tauben
Die Bursa Fabricii bildet B-Lymphozyten aus. Impfstoffe präsentieren Antigene, die Immunantwort und Schutzgedächtnis mit aufbauen. Ein geschwächter Organismus kann nicht optimal lernen. Gesundheit beginnt deshalb auch bei guter Haltung, Ernährung, Biosicherheit, tierärztlicher Begleitung und dem Respekt vor den biologischen Bedürfnissen der Tiere.
Die beste Impfung trifft auf ein Immunsystem, das lernen kann.
Tierarzt Dr. Emmanuel Leysens
19 · 10 · 2026
Del sistema inmunitario a la vacunación: preparar, proteger y recompensar
Una vacuna no protege al palomo por arte de magia: necesita un sistema inmunitario capaz de responder.
La vacunación es un aprendizaje biológico. Las células inmunitarias reconocen los antígenos vacunales, organizan su respuesta y desarrollan una memoria que permite reaccionar más deprisa ante un nuevo encuentro con el agente infeccioso. ¡Pero el palomo debe poder seguir la lección!
Los cinco pasos de una vacunación satisfactoria
1. Visita veterinaria: comprobar antes de actuar
La exploración clínica permite evaluar la salud, buscar signos de enfermedad y definir un programa vacunal adaptado al palomar.
2. Alimentación: aportar los materiales necesarios
Producir anticuerpos, multiplicar linfocitos y mantener las defensas requiere recursos metabólicos. Una alimentación equilibrada con proteínas de calidad (lentejas y espirulina), vitaminas (levadura de panadería) y cantidades adecuadas de oligoelementos contribuye al funcionamiento inmunitario. Un exceso de suplementos no mejora necesariamente la respuesta vacunal.
3. Enceste: limitar el estrés
Un manejo tranquilo, una densidad adecuada y buena ventilación reducen el estrés. La estancia en la cesta debe ser lo más breve posible y no convertirse en otra prueba para las aves.
4. Vacunación: respetar las normas
El veterinario aplica el protocolo de la vacuna: dosis, vía de administración, edad mínima, primovacunación y refuerzos. La conservación correcta, especialmente la cadena de frío, es indispensable.
5. Recompensa: terminar con una experiencia positiva
Después, la tranquilidad, el acceso al agua y una pequeña recompensa alimentaria pueden reducir las asociaciones negativas con el manejo. Se trata de mejorar el bienestar, no de estimular artificialmente la inmunidad.
Recuerde: la vacunación comienza antes de la inyección y la protección inmunitaria se construye progresivamente después.
Harry Blooder: proteger la escuela antes de que sea atacada
La segunda ilustración presenta la bolsa de Fabricio como una escuela donde los linfocitos B se convierten en células inmunitarias funcionales. El circovirus de la paloma (PiCV) puede alterar esta formación al lesionar tejidos linfoides, especialmente la bolsa. En los jóvenes puede comprometer el desarrollo de defensas eficaces y favorecer otras enfermedades.
Circovirus: controlar antes de introducir
1. Compra de un reproductor o preparación para la cría
Introducir un ave de otro palomar supone un posible riesgo sanitario. Al elegir reproductores deben considerarse su origen, estado clínico e historial sanitario.
2. Cuarentena: aislar para observar
Los recién llegados deberían permanecer separados, con material propio y vigilancia diaria. En reproductores ya presentes, una revisión antes de la cría permite evaluar riesgos para la descendencia.
3. PCR de circovirus a la entrada
Una primera PCR busca ADN del circovirus en la muestra examinada. Un resultado positivo requiere interpretación veterinaria: no implica automáticamente enfermedad clínica.
4. Vigilancia durante la cuarentena
Observe comportamiento, apetito, heces, estado general y posibles signos respiratorios o digestivos. El alojamiento debe limitar el estrés y la contaminación cruzada.
5. PCR antes de finalizar la cuarentena
Una segunda PCR, tras un intervalo adecuado, completa la evaluación antes de introducir el ave o destinarla a la cría. Dos negativos reducen la incertidumbre, pero no garantizan ausencia absoluta de infección: la sensibilidad depende de la muestra, del momento y de la excreción viral. La decisión final considera todos los resultados y la exploración sanitaria.
La vacunación no sustituye a la prevención
Volvamos a la escuela: si los alumnos se han formado mal o el circovirus ha dañado el edificio, la respuesta puede ser insuficiente aunque la vacuna presente correctamente sus antígenos. Un palomo vacunado no está necesariamente bien protegido. A la inversa, detectar circovirus por sí solo no demuestra un fallo vacunal: influyen la edad, el estado inmunitario y las infecciones asociadas.
La estrategia tiene tres pilares: prevenir infecciones, preservar el funcionamiento inmunitario y vacunar con un programa adecuado.
Una escuela que funciona, palomos mejor protegidos
La bolsa de Fabricio forma linfocitos B. Las vacunas presentan antígenos que contribuyen a desarrollar una respuesta y una memoria protectora. El aprendizaje no puede ser óptimo si el organismo está debilitado. La salud también comienza por la calidad de la cría, la alimentación, la bioseguridad, el seguimiento veterinario y el respeto a las necesidades biológicas.
La mejor vacunación encuentra un sistema inmunitario capaz de aprender.
Veterinario Dr. Emmanuel Leysens
8 / 10 / 2026
De darmmicrobiota van de duif
Dr. Emmanuel Leysens — dierenarts
Een microscopische jungle waarvan het evenwicht de gezondheid mede bepaalt
Goed gevormde, compacte mest, die op kleine bolletjes lijkt: dat stelt de duivenliefhebber gerust wanneer hij het hok binnenkomt. Achter deze dagelijkse waarneming schuilt echter een buitengewoon ingewikkelde microscopische wereld. Miljarden micro-organismen leven in het spijsverteringskanaal van de duif. Sommige werken samen, andere concurreren, terwijl virussen bacteriën aanvallen. Alle dragen direct of indirect bij aan een evenwicht waarvan een deel van de gezondheid van de vogel afhankelijk is.
1. De mest: een eerste aanwijzing, geen diagnose
Bij een gezonde duif is de mest doorgaans goed gevormd. Ze bestaat uit een vrij compacte fecale fractie, een witte fractie die voornamelijk uit uraten bestaat en een wisselende hoeveelheid vloeibare urine.
Het uiterlijk hangt af van verschillende mechanismen: vertering van het voer, opname in de darm, darmpassage, vochthuishouding en nierfunctie.
Goed gevormde mest is dus een gunstig teken. Ze biedt echter geen absolute garantie voor een goede gezondheid.
Omgekeerd betekent tijdelijk vloeibare mest niet noodzakelijk dat de duif aan een ziekte lijdt.
Veel drinken, warmte, voerwijzigingen, transportstress, lichamelijke inspanning en bepaalde fasen van de voortplanting kunnen tijdelijke veranderingen veroorzaken.
Broedende duiven produceren soms bijzonder grote uitwerpselen nadat ze hun mest langere tijd hebben opgehouden.
Ook moeten twee vaak verwarde situaties worden onderscheiden: diarree en polyurie.
Diarree is een abnormale toename van het watergehalte van de fecale fractie. Bij polyurie neemt de hoeveelheid urine rond de fecale fractie toe, terwijl die fractie goed gevormd kan blijven.
Voor de dierenarts moet de mest altijd in haar context worden beoordeeld: gedrag, eetlust, wateropname, lichaamsconditie, duur van de afwijkingen en eventuele bijkomende ziekteverschijnselen.
Afwijkende mest is een waarneming. Op zichzelf is ze geen diagnose.
2. Een echte microscopische jungle
De darm van de duif is geen eenvoudige buis waar voedsel doorheen gaat.
De darmwand heeft darmvlokken die het beschikbare oppervlak voor de opname van voedingsstoffen sterk vergroten.
Deze vlokken zijn bedekt met een epitheel dat onder meer bestaat uit absorberende cellen, de enterocyten, en cellen die bijdragen aan de slijmproductie.
Slijm helpt het darmoppervlak beschermen en vormt een contactlaag tussen het lichaam en zijn microbiële omgeving.
In het darmlumen, in voedseldeeltjes en dicht bij het slijmvlies leven ontelbare micro-organismen.
Samen vormen zij de darmmicrobiota.
Daarin vinden we verschillende grote groepen:
Bacteriën, de best onderzochte fractie.
Schimmels en gisten, die de mycobiota vormen.
Protozoa, waarvan sommige commensaal kunnen zijn en andere parasitair.
Virussen, waaronder bacteriofagen die bacteriën infecteren.
Archaea, micro-organismen die van bacteriën verschillen en bij de duif nog weinig zijn onderzocht.
De term microbioom omvat, afhankelijk van de gebruikte definitie, de micro-organismen, hun genen en hun functionele omgeving.
De samenstelling van dit ecosysteem verschilt tussen diersoorten en hangt af van leeftijd, voeding, het deel van het spijsverteringskanaal en de omstandigheden waarin de dieren worden gehouden.
Het zou daarom onjuist zijn de darmmicrobiota van de duif gelijk te stellen aan die van de kip of de mens.
Onderzoek bij deze soorten helpt wel om veel gemeenschappelijke biologische mechanismen te begrijpen.
De darmjungle van de duif. Schematische illustratie; niet op schaal. Tik op de afbeelding om deze te vergroten.
3. Een gemeenschap die draait om onderlinge relaties
In deze jungle leven micro-organismen niet onafhankelijk van elkaar.
Sommige bacteriën benutten voedingsstoffen die andere niet kunnen gebruiken. Andere produceren stoffen die hun concurrenten kunnen remmen.
Bepaalde populaties helpen voedingsbestanddelen af te breken en produceren metabolieten die het lichaam of andere micro-organismen kunnen benutten.
Deze relaties vormen een ingewikkeld netwerk van samenwerking, concurrentie en soms predatie.
Microbiële diversiteit draagt vaak bij aan de stabiliteit van het ecosysteem, maar is op zichzelf geen universele maatstaf voor gezondheid. De functies van de micro-organismen en hun onderlinge relaties zijn even belangrijk.
Een evenwichtige microbiota kan de vestiging of vermenigvuldiging van bepaalde ziekteverwekkers helpen beperken.
Dit verschijnsel heet kolonisatieresistentie.
Reeds aanwezige micro-organismen bezetten ecologische niches, verbruiken voedingsstoffen en kunnen stoffen produceren die ongunstig zijn voor concurrenten.
De darm is dus geen vrij beschikbaar terrein dat iedere nieuwe microbe zomaar kan koloniseren.
Dit evenwicht staat echter nooit definitief vast.
Een voerwijziging, een antimicrobiële behandeling, een infectie of sterke stress kan de relaties tussen populaties veranderen.
4. Bacteriofagen: virussen die bacteriën aanvallen
Bacteriofagen, vaak kortweg fagen genoemd, behoren tot de opmerkelijkste bewoners van deze jungle.
Het zijn virussen die bacteriën als gastheer hebben.
Sommige fagen, de zogenoemde lytische fagen, infecteren een bacterie, gebruiken haar celmechanismen om zich te vermenigvuldigen en vernietigen haar vervolgens, waardoor nieuwe virusdeeltjes vrijkomen.
Andere kunnen langduriger relaties met hun bacteriële gastheer aangaan.
Zo nemen deze virussen deel aan de dynamiek van bacteriepopulaties.
Ze kunnen hun aantallen veranderen, bepaalde populaties ten koste van andere bevoordelen en bijdragen aan de uitwisseling van genetisch materiaal tussen bacteriën.
Alle fagen in een omgeving samen vormen het fagoom.
Onderzoek naar het darmviroom van vogels toont een enorme, nog grotendeels onbekende diversiteit.
Deze ontdekking opent boeiende perspectieven.
Waarom zouden we bepaalde bacteriofagen niet gebruiken om ziekteverwekkende bacteriën te bestrijden, vooral wanneer die resistent zijn tegen antibiotica?
Dat is het uitgangspunt van faagtherapie.
Een faag die tegen één bacteriestam werkt, is echter niet noodzakelijk werkzaam tegen een andere stam van dezelfde soort.
Therapeutisch gebruik vraagt daarom om nauwkeurige selectie, veiligheidscontroles en beoordeling van de werkzaamheid.
Bij de postduif blijft faagtherapie een onderzoeksperspectief, geen gangbare en gevalideerde behandeling.
5. Dynamisch evenwicht: de werkelijke betekenis van gezondheid
Gezondheid kan niet uitsluitend worden omschreven als de afwezigheid van mogelijk ziekteverwekkende micro-organismen.
Het gaat eerder om een dynamisch evenwicht waarin lichaamsfuncties, natuurlijke afweer, gedrag en aanpassingsvermogen van het dier verenigbaar blijven met zijn omgeving.
Een duif kan bepaalde mogelijk ziekteverwekkende micro-organismen bij zich dragen zonder klinische verschijnselen.
Dat heet asymptomatisch dragerschap.
Neem bijvoorbeeld Trichomonas gallinae, een protozo die vooral in de bovenste delen van het spijsverteringskanaal van de duif voorkomt.
Sommige vogels kunnen drager zijn zonder letsels of zichtbare klachten.
Niet alle stammen zijn even virulent en niet alle duiven even gevoelig.
Leeftijd, afweer, gelijktijdige infecties en omgevingsomstandigheden kunnen beïnvloeden of trichomonose zich klinisch uit.
Een drager zonder symptomen kan de parasiet wel aan andere vogels doorgeven.
Salmonellose is een ander voorbeeld.
Salmonella aantonen in mest bewijst niet automatisch dat de bacterie de eventueel waargenomen symptomen veroorzaakt. De vondst is wel van betekenis voor de gezondheidszorg: ze kan wijzen op dragerschap en een verspreidingsrisico.
Aantonen is niet hetzelfde als diagnosticeren.
Een diagnose moet klinisch onderzoek, de gezondheidsgeschiedenis, geschikte monsters en de interpretatie daarvan combineren.
Het gaat niet om het negeren van ziekteverwekkers, maar om het begrijpen van hun biologische en gezondheidskundige betekenis voordat over een ingreep wordt beslist.
6. Wanneer het evenwicht verstoord raakt: dysbiose
Van dysbiose spreken we wanneer de samenstelling of werking van een microbieel ecosysteem verandert op een manier die nadelig kan zijn voor de gastheer.
Dat betekent niet noodzakelijk dat de ‘goede bacteriën’ verdwijnen of één ‘slechte bacterie’ verschijnt.
De veranderingen kunnen betrekking hebben op de onderlinge verhoudingen van de populaties, hun stofwisselingsactiviteit of hun wisselwerking met het darmslijmvlies.
Een antibioticabehandeling kan bijvoorbeeld gevoelige populaties verminderen en hulpbronnen vrijmaken die andere micro-organismen benutten.
Een infectie kan eveneens via ontstekingsreacties de darmomgeving veranderen.
De relatie werkt in beide richtingen: dysbiose kan aan ziekte bijdragen, maar ook het gevolg ervan zijn.
Bij vogels en zoogdieren bestuderen onderzoekers vooral de relaties tussen dysbiose, de integriteit van de darmbarrière en de afweerreactie.
Niet iedere mestafwijking mag echter als dysbiose worden bestempeld.
Dysbiose is een biologisch concept, geen diagnose die alleen door het bekijken van mest kan worden gesteld.
7. Het immuunsysteem: bewaker van de jungle
De darm vormt een bijzonder delicate grens.
Hij moet voedingsstoffen opnemen en tegelijk de doorgang van micro-organismen en mogelijk gevaarlijke stoffen beperken.
Die taak berust op verschillende aanvullende mechanismen: slijm, epitheelcellen, verbindingen tussen cellen, antimicrobiële stoffen, microbiota en afweercellen.
Het immuunsysteem moet gevaar herkennen, maar ook voedsel en onschadelijke micro-organismen verdragen.
Een te zwakke reactie kan infecties bevorderen.
Een overmatige of slecht geregelde reactie kan juist weefselschadelijke ontstekingen veroorzaken.
Gezondheid vraagt daarom om een passende afweerreactie, niet om voortdurende stimulatie.
Macrofagen spelen een opmerkelijke rol in deze regulatie.
8. De macrofaag: spreekstalmeester van het grote afweercircus
Stel het immuunsysteem voor als een groot circus.
Midden in de piste staat iemand die toezicht houdt, alarm slaat, bepaalde spelers presenteert en na incidenten helpt de orde te herstellen.
Die figuur is de macrofaag.
Hij vervult verschillende essentiële functies.
Ten eerste treedt hij op als wachter die gevaarsignalen herkent.
Vervolgens kan hij micro-organismen en vreemde deeltjes opnemen en verteren: fagocytose.
Hij neemt ook deel aan de communicatie binnen het immuunsysteem door cytokinen en andere signaalstoffen te produceren.
Hij kan antigeenfragmenten aan CD4+-T-lymfocyten presenteren en zo bijdragen aan het contact tussen de aangeboren en de verworven afweer.
Dendritische cellen zijn echter bijzonder belangrijk voor de eerste activering van naïeve T-lymfocyten.
Het werk van de macrofaag stopt niet bij de verdediging.
Hij verwijdert ook dode cellen en weefselresten, onder meer via een mechanisme dat efferocytose heet.
Vervolgens helpt hij ontstekingen beëindigen en weefsels herstellen.
Met andere woorden: de aanvaller verwijderen volstaat niet. Het terrein moet ook worden opgeruimd en opnieuw opgebouwd.
De macrofaag werkt aan die verschillende fasen mee.
Onze spreekstalmeester is dus niet alleen bewaker. Hij helpt ook de piste organiseren, opruimen en herstellen!
De macrofaag als spreekstalmeester van de afweer. Schematische illustratie; niet op schaal. Tik op de afbeelding om deze te vergroten.
9. Prebiotica, probiotica en postbiotica: waarover spreken we?
De kennis over de microbiota heeft veel voedingskundige benaderingen opgeleverd.
Daarbij moeten de termen wel correct worden gebruikt.
Prebiotica zijn substraten die selectief door micro-organismen van de gastheer worden benut en een gezondheidsvoordeel opleveren.
Sommige vezels of oligosachariden kunnen aan die definitie voldoen, afhankelijk van het beschikbare bewijs.
Probiotica zijn levende micro-organismen die, in voldoende hoeveelheden toegediend, de gezondheid van de gastheer ten goede komen.
Hun werkzaamheid hangt onder meer af van de gebruikte stam, dosis, productstabiliteit en betrokken diersoort.
Niet alle verkochte gisten en bacteriën zijn dus automatisch probiotica.
Postbiotica zijn preparaten van niet-levende micro-organismen en/of hun bestanddelen waarvan een gezondheidsvoordeel voor de gastheer is aangetoond.
Ze mogen niet worden verward met alle stoffen die de microbiota produceert.
Korteketenvetzuren en andere microbiële metabolieten kunnen belangrijke biologische effecten hebben, maar zijn volgens de strikte wetenschappelijke definitie niet automatisch postbiotica.
Deze benaderingen kunnen interessant zijn voor de spijsverteringsgezondheid. Resultaten bij mensen of kippen kunnen echter niet automatisch naar postduiven worden vertaald.
Ook de commerciële uitdrukking ‘stimulering van de immuniteit’ verdient voorzichtigheid.
Het doel is niet het immuunsysteem ongericht te stimuleren, maar zijn evenwichtige werking te bevorderen.
10. Het evenwicht bewaren: een dagelijkse verantwoordelijkheid
Hoe vertalen we al deze kennis naar de praktijk van de duivenliefhebber?
De eerste stap is de duiven passend, regelmatig en kwalitatief goed voer aanbieden.
Drinkwater moet schoon zijn, in voldoende hoeveelheid beschikbaar en onder goede hygiënische omstandigheden worden ververst.
Ventilatie, bezettingsdichtheid, onderhoud van de voorzieningen en beheersing van vocht dragen eveneens bij aan ziektepreventie.
Beperk overmatige stress waar mogelijk, vooral bij vervoer, samenbrengen van duiven en wedstrijden.
Antibiotica en middelen tegen parasieten moeten een gerechtvaardigde indicatie hebben.
Ze kunnen onmisbaar zijn bij een vastgestelde of sterk vermoede infectie. Herhaald en onnodig gebruik kan echter microbiële evenwichten veranderen en de selectie van resistentie bevorderen.
Vaccinatie heeft een andere functie: ze bereidt het immuunsysteem voor op de herkenning van bepaalde infectieuze agentia en helpt de risico’s van de betreffende ziekten verminderen.
Regelmatige observatie van de vogels blijft onvervangbaar.
Gedrag, eetlust, lichaamsconditie, kwaliteit van het verenkleed, herstel na inspanning en het uiterlijk van de mest geven aanvullende informatie.
Geen enkel criterium mag los van de andere worden beoordeeld.
Kleine woordenlijst van de darmjungle
Microbiota: alle micro-organismen die in een bepaalde omgeving leven, bijvoorbeeld het spijsverteringskanaal.
Microbioom: volgens een veelgebruikte definitie de micro-organismen, hun genen en hun functionele omgeving.
Darmvlokken: kleine uitstulpingen van het slijmvlies van de dunne darm die het oppervlak voor de opname van voedingsstoffen vergroten.
Darmepitheel: de cellaag aan de binnenkant van de darm, die onder meer voedingsstoffen opneemt en het lichaam helpt beschermen.
Dysbiose: een ongunstige verandering van de samenstelling of werking van de microbiota, die met ziekte kan samenhangen.
Bacteriofaag: virus dat specifiek bacteriën infecteert; sommige vernietigen hun gastheer.
Fagocytose: opname en vertering van micro-organismen of deeltjes door bepaalde cellen, waaronder macrofagen.
Efferocytose: verwijdering van door apoptose, geprogrammeerde celdood, afgestorven cellen door gespecialiseerde cellen zoals macrofagen. Dit helpt ophoping van resten voorkomen en helpt ontsteking beëindigen.
Antigeen: moleculaire structuur die het immuunsysteem kan herkennen en die onder bepaalde omstandigheden een specifieke reactie kan uitlokken.
Cytokinen: communicatiemoleculen van verschillende cellen die onder meer afweer- en ontstekingsreacties coördineren.
Aangeboren immuniteit: snel inzetbare afweermechanismen die al aanwezig zijn vóór contact met een bepaald infectieus agens.
Verworven immuniteit: specifieke afweerreactie met onder meer B- en T-lymfocyten, die een immunologisch geheugen kan opleveren.
Asymptomatisch dragerschap: aanwezigheid van een mogelijke ziekteverwekker in een dier zonder ziekteverschijnselen.
Prebioticum: stof die selectief door bepaalde micro-organismen van de gastheer wordt benut en een aangetoond gezondheidsvoordeel geeft.
Probioticum: levend micro-organisme dat in voldoende hoeveelheid een aangetoond gezondheidsvoordeel geeft.
Postbioticum: preparaat van niet-levende micro-organismen en/of hun bestanddelen met een aangetoond gezondheidsvoordeel.
Biologische veerkracht: het vermogen van een organisme of ecosysteem om een verstoring te weerstaan, zich eraan aan te passen en weer goed te functioneren.
Conclusie: gezondheid is een evenwicht dat onderhoud vraagt
Lange tijd werd de bestrijding van infectieziekten vooral voorgesteld als een strijd tegen gevaarlijke micro-organismen.
Die benadering heeft veel vooruitgang gebracht, onder meer door vaccinatie, antibiotica en sanitaire maatregelen.
Onderzoek naar de microbiota nodigt ons echter uit het levende organisme ruimer te begrijpen.
Het lichaam staat niet los van zijn microbiële omgeving. Het onderhoudt daarmee voortdurende relaties, soms gunstig, soms ongunstig en altijd aan verandering onderhevig.
De gezondheid van een duif kan daarom niet worden teruggebracht tot perfect gevormde mest of de afwezigheid van aantoonbare ziektekiemen in monsters.
Ze hangt af van het vermogen om ondanks verstoringen evenwichtig te blijven functioneren.
Het bewaren van de belangrijkste lichaamsfuncties binnen grenzen die met het leven verenigbaar zijn, heet homeostase.
Bij een verstoring moet het lichaam zich ook kunnen aanpassen, eventuele schade herstellen en weer bevredigend functioneren. Dat heet biologische veerkracht.
Beide begrippen vullen elkaar aan en verduidelijken gezondheid als een dynamisch evenwicht.
Zorg voor de darm, zijn microbiota, epitheelbarrière en afweer is dus geen luxe. Het is een essentieel onderdeel van ziektepreventie.
Een gezonde darm is geen steriele darm.
Het is een levend, dynamisch ecosysteem dat zijn evenwicht kan hervinden.
8 / 10 / 2026
Le microbiote intestinal du pigeon
Dr Emmanuel Leysens — docteur vétérinaire
Une jungle microscopique dont l'équilibre conditionne la santé
Des fientes bien moulées, compactes, ressemblant à de petites billes : voilà un spectacle qui rassure le colombophile lorsqu'il entre dans son pigeonnier. Mais derrière cette observation quotidienne se cache un univers microscopique extraordinairement complexe. Des milliards de microorganismes vivent dans le tube digestif du pigeon. Certains coopèrent, d'autres entrent en compétition, tandis que des virus s'attaquent aux bactéries. Tous participent, directement ou indirectement, à un équilibre dont dépend une partie de la santé de l'oiseau.
1. Les fientes : un premier indicateur, pas un diagnostic
Chez un pigeon en bonne santé, les fientes sont généralement bien formées. Elles comprennent une fraction fécale relativement compacte, une fraction blanche constituée principalement d'urates et une quantité variable d'urine liquide.
Leur aspect dépend de plusieurs mécanismes : digestion des aliments, absorption intestinale, transit digestif, équilibre hydrique et fonctionnement rénal.
Des fientes bien moulées sont donc un signe favorable. Elles ne constituent cependant pas une garantie absolue de bonne santé.
Inversement, des fientes momentanément liquides ne signifient pas nécessairement que le pigeon souffre d'une maladie.
La consommation importante d'eau, la chaleur, les modifications alimentaires, le stress du transport, l'effort physique ou certaines phases de la reproduction peuvent entraîner des variations transitoires.
Les pigeons qui couvent produisent parfois des fientes particulièrement volumineuses après avoir retenu leurs déjections pendant une période prolongée.
Il faut également distinguer deux situations souvent confondues : la diarrhée et la polyurie.
La diarrhée correspond à une augmentation anormale de la teneur en eau de la fraction fécale, tandis que la polyurie se caractérise par une augmentation de la quantité d'urine entourant une fraction fécale qui peut rester bien constituée.
Pour le vétérinaire, l'observation des fientes doit donc toujours être replacée dans son contexte : comportement du pigeon, appétit, consommation d'eau, état corporel, durée des anomalies et éventuels signes cliniques associés.
Une fiente anormale est une observation. Ce n'est pas, à elle seule, un diagnostic.
2. Une véritable jungle microscopique
L'intestin du pigeon n'est pas un simple tuyau dans lequel transitent les aliments.
Sa paroi présente des villosités intestinales qui augmentent considérablement la surface disponible pour l'absorption des nutriments.
Ces villosités sont recouvertes d'un épithélium constitué notamment de cellules absorbantes, les entérocytes, et de cellules participant à la production de mucus.
Le mucus contribue à protéger la surface intestinale et constitue une interface entre l'organisme et son environnement microbien.
Dans la lumière digestive, dans les particules alimentaires et au voisinage de la muqueuse évoluent d'innombrables microorganismes.
Cet ensemble forme le microbiote intestinal.
On y retrouve plusieurs grandes catégories :
Les bactéries, qui constituent la fraction la mieux étudiée.
Les champignons et les levures, formant le mycobiote.
Les protozoaires, dont certains peuvent être commensaux et d'autres parasites.
Les virus, parmi lesquels les bactériophages qui infectent les bactéries.
Les archées, microorganismes distincts des bactéries, encore peu documentés chez le pigeon.
Le terme microbiome désigne, selon l'acception retenue, les microorganismes, leurs gènes et leur environnement fonctionnel.
La composition de cet écosystème varie selon les espèces animales, l'âge, l'alimentation, les segments digestifs et les conditions d'élevage.
Il serait donc inexact de considérer que le microbiote du pigeon est identique à celui du poulet ou de l'être humain.
Les connaissances acquises chez ces espèces permettent néanmoins de comprendre de nombreux mécanismes biologiques communs.
La jungle intestinale du pigeon. Illustration schématique, non à l’échelle. Touchez l’image pour l’agrandir.
3. Une communauté fondée sur les interactions
Dans cette jungle, les microorganismes ne vivent pas indépendamment les uns des autres.
Certaines bactéries utilisent des nutriments que d'autres ne peuvent pas exploiter. D'autres produisent des substances susceptibles d'inhiber leurs concurrentes.
Certaines populations participent à la dégradation de constituants alimentaires et produisent des métabolites pouvant être utilisés par l'organisme ou par d'autres microorganismes.
Ces relations constituent un réseau complexe de coopération, de compétition et parfois de prédation.
La diversité microbienne contribue souvent à la stabilité de l'écosystème, mais elle ne constitue pas, à elle seule, un indicateur universel de bonne santé. La fonction des microorganismes et leurs interactions sont tout aussi importantes.
Un microbiote équilibré peut notamment contribuer à limiter l'implantation ou la multiplication de certains agents pathogènes.
Ce phénomène est appelé résistance à la colonisation.
Les microorganismes déjà présents occupent des niches écologiques, consomment des nutriments et peuvent produire des substances défavorables à leurs concurrents.
L'intestin ne constitue donc pas un territoire disponible que chaque nouveau microbe pourrait coloniser librement.
Mais cet équilibre n'est jamais définitivement acquis.
Une modification alimentaire, un traitement antimicrobien, une infection ou un stress important peuvent modifier les relations entre les populations.
4. Les bactériophages : des virus qui s'attaquent aux bactéries
Parmi les habitants les plus étonnants de cette jungle figurent les bactériophages, souvent simplement appelés phages.
Ce sont des virus dont les hôtes sont des bactéries.
Certains phages, dits lytiques, infectent une bactérie, utilisent ses mécanismes cellulaires pour se multiplier puis provoquent sa destruction, libérant de nouvelles particules virales.
D'autres peuvent établir des relations plus durables avec leur hôte bactérien.
Ces virus participent ainsi à la dynamique des populations bactériennes.
Ils peuvent modifier leur abondance, favoriser certaines populations au détriment d'autres et contribuer aux échanges de matériel génétique entre bactéries.
L'ensemble des phages présents dans un environnement constitue son phagome.
Les recherches sur le virome intestinal aviaire révèlent une diversité considérable, encore largement méconnue.
Cette découverte ouvre des perspectives fascinantes.
Pourquoi ne pas utiliser certains bactériophages pour combattre des bactéries pathogènes, notamment lorsqu'elles présentent des résistances aux antibiotiques ?
C'est le principe de la phagothérapie.
Cependant, un phage actif contre une souche bactérienne n'est pas nécessairement efficace contre une autre souche de la même espèce.
Son utilisation thérapeutique exige donc une sélection précise, des contrôles de sécurité et une évaluation de son efficacité.
Chez le pigeon voyageur, la phagothérapie reste une perspective de recherche, et non une solution thérapeutique courante et validée.
5. L'équilibre dynamique : la véritable définition de la santé
La santé ne peut pas être définie uniquement par l'absence de microorganismes potentiellement pathogènes.
Elle correspond davantage à un état d'équilibre dynamique dans lequel les fonctions physiologiques, les défenses naturelles, le comportement et les capacités d'adaptation de l'animal restent compatibles avec son environnement.
Un pigeon peut héberger certains microorganismes potentiellement pathogènes sans présenter de signes cliniques.
C'est le principe du portage asymptomatique.
Prenons l'exemple de Trichomonas gallinae, protozoaire principalement présent dans les parties supérieures du tube digestif du pigeon.
Certains oiseaux peuvent être porteurs sans présenter de lésions ni de troubles apparents.
Toutes les souches ne possèdent pas la même virulence et tous les pigeons ne présentent pas la même sensibilité.
L'âge, l'état immunitaire, les infections concomitantes et les conditions environnementales peuvent influencer l'expression clinique de la trichomonose.
Il faut toutefois préciser qu'un porteur asymptomatique peut transmettre le parasite à d'autres oiseaux.
La salmonellose offre un autre exemple.
La détection de Salmonella dans des fientes ne démontre pas automatiquement que la bactérie explique les symptômes éventuellement observés. Mais cette découverte possède une réelle importance sanitaire, car elle peut révéler un portage et un risque de dissémination.
Détecter n'est pas diagnostiquer.
Le diagnostic doit associer l'examen clinique, l'histoire sanitaire, les prélèvements appropriés et leur interprétation.
Il ne s'agit pas d'ignorer les agents pathogènes, mais de comprendre leur signification biologique et sanitaire avant de décider d'une intervention.
6. Quand l'équilibre se rompt : la dysbiose
On parle de dysbiose lorsqu'un écosystème microbien présente une altération de sa composition ou de son fonctionnement susceptible d'avoir des conséquences défavorables pour l'hôte.
Il ne s'agit pas nécessairement de la disparition des « bonnes bactéries » ou de l'apparition d'une unique « mauvaise bactérie ».
Les modifications peuvent concerner les proportions relatives des populations, leurs activités métaboliques ou leurs interactions avec la muqueuse intestinale.
Une antibiothérapie peut, par exemple, réduire certaines populations sensibles et libérer des ressources utilisables par d'autres microorganismes.
Une infection peut également provoquer des modifications inflammatoires qui transforment l'environnement intestinal.
La relation fonctionne dans les deux sens : la dysbiose peut contribuer à une maladie, mais elle peut aussi être une conséquence de celle-ci.
Chez les oiseaux, comme chez les mammifères, les chercheurs s'intéressent particulièrement aux interactions entre dysbiose, intégrité de la barrière intestinale et réponse immunitaire.
Il faut cependant éviter de transformer toute anomalie des fientes en diagnostic de dysbiose.
La dysbiose est un concept biologique, pas un diagnostic que l'on peut établir simplement en regardant une fiente.
7. Le système immunitaire : gardien de la jungle
L'intestin constitue une frontière particulièrement délicate.
Il doit absorber les nutriments tout en limitant le passage de microorganismes et de substances potentiellement dangereuses.
Cette mission repose sur plusieurs mécanismes complémentaires : mucus, cellules épithéliales, jonctions intercellulaires, substances antimicrobiennes, microbiote et cellules immunitaires.
Le système immunitaire doit reconnaître les dangers, mais aussi tolérer les aliments et les microorganismes inoffensifs.
Une réponse insuffisante peut favoriser l'infection.
Une réponse excessive ou mal régulée peut, au contraire, provoquer une inflammation préjudiciable aux tissus.
La santé nécessite donc une réponse immunitaire adaptée, et non une stimulation permanente.
Parmi les acteurs de cette régulation, les macrophages occupent une place remarquable.
8. Le macrophage : Monsieur Loyal du grand cirque immunitaire
Imaginons le système immunitaire comme un immense cirque.
Au centre de la piste apparaît un personnage qui surveille, donne l'alerte, présente certains acteurs et participe au retour à l'ordre après les incidents.
Ce personnage, c'est le macrophage.
Il remplit plusieurs fonctions essentielles.
D'abord, il agit comme une sentinelle en reconnaissant des signaux de danger.
Ensuite, il peut capturer et digérer des microorganismes ou des particules étrangères : c'est la phagocytose.
Il participe également à la communication immunitaire en produisant des cytokines et d'autres médiateurs.
Il peut présenter des fragments antigéniques aux lymphocytes T CD4+, contribuant ainsi au dialogue entre immunité innée et immunité adaptative.
Les cellules dendritiques jouent cependant un rôle particulièrement important dans l'activation initiale des lymphocytes T naïfs.
Mais le travail du macrophage ne s'arrête pas à la défense.
Il élimine également des cellules mortes et des débris tissulaires, notamment grâce à un mécanisme appelé efférocytose.
Il participe ensuite à la résolution de l'inflammation et à la réparation des tissus.
Autrement dit, il ne suffit pas d'éliminer l'agresseur : il faut aussi nettoyer le terrain et permettre sa reconstruction.
Le macrophage intervient dans ces différentes étapes.
Notre Monsieur Loyal n'est donc pas seulement un agent de sécurité. Il participe également à l'organisation, au nettoyage et à la remise en état de la piste !
Le macrophage, Monsieur Loyal des défenses naturelles. Illustration schématique, non à l’échelle. Touchez l’image pour l’agrandir.
9. Prébiotiques, probiotiques et postbiotiques : de quoi parle-t-on ?
La connaissance du microbiote a favorisé le développement de nombreuses approches nutritionnelles.
Encore faut-il employer les termes correctement.
Les prébiotiques sont des substrats utilisés sélectivement par des microorganismes de l'hôte et procurant un bénéfice pour sa santé.
Certaines fibres ou certains oligosaccharides peuvent répondre à cette définition, selon les preuves disponibles.
Les probiotiques sont des microorganismes vivants qui, administrés en quantités adéquates, procurent un bénéfice pour la santé de l'hôte.
Leur efficacité dépend notamment de la souche utilisée, de la dose, de la stabilité du produit et de l'espèce animale concernée.
Toutes les levures et toutes les bactéries commercialisées ne sont donc pas automatiquement des probiotiques.
Les postbiotiques sont des préparations de microorganismes inanimés et/ou de leurs composants ayant démontré un bénéfice pour la santé de l'hôte.
Ils ne doivent pas être confondus avec l'ensemble des substances produites par le microbiote.
Les acides gras à chaîne courte et d'autres métabolites microbiens peuvent avoir des effets biologiques importants, mais ils ne constituent pas automatiquement des postbiotiques au sens scientifique strict.
Ces différentes approches peuvent présenter un intérêt pour la santé digestive. Toutefois, les résultats obtenus chez l'être humain ou chez le poulet ne peuvent pas être automatiquement transposés au pigeon voyageur.
Il faut également se méfier de l'expression commerciale « stimulation de l'immunité ».
L'objectif n'est pas de stimuler sans discernement le système immunitaire, mais de favoriser son fonctionnement équilibré.
10. Préserver l'équilibre : une responsabilité quotidienne
Comment traduire toutes ces connaissances dans la pratique colombophile ?
La première mesure consiste à offrir aux pigeons une alimentation adaptée, régulière et de bonne qualité.
L'eau de boisson doit être propre, disponible en quantité suffisante et renouvelée dans des conditions d'hygiène satisfaisantes.
La ventilation, la densité d'occupation, l'entretien des installations et la maîtrise de l'humidité participent également à la prévention sanitaire.
Il faut limiter autant que possible les situations de stress excessif, notamment lors des transports, des regroupements et des compétitions.
Les traitements antibiotiques et antiparasitaires doivent répondre à une indication justifiée.
Ils peuvent être indispensables lorsqu'une infection est diagnostiquée ou fortement suspectée, mais leur utilisation répétée et injustifiée peut modifier les équilibres microbiens et favoriser la sélection de résistances.
La vaccination joue un rôle différent : elle prépare le système immunitaire à reconnaître certains agents infectieux et contribue à réduire les risques associés aux maladies ciblées.
Enfin, la surveillance régulière des oiseaux reste irremplaçable.
Le comportement, l'appétit, l'état corporel, la qualité du plumage, la récupération après l'effort et l'aspect des fientes fournissent des informations complémentaires.
Aucun de ces critères ne doit être interprété isolément.
Petit dictionnaire de la jungle intestinale
Microbiote : ensemble des microorganismes vivant dans un environnement déterminé, comme le tube digestif.
Microbiome : ensemble des microorganismes, de leurs gènes et de leur environnement fonctionnel, selon une définition largement utilisée.
Villosités intestinales : petits prolongements de la muqueuse de l'intestin grêle qui augmentent la surface d'absorption des nutriments.
Épithélium intestinal : couche de cellules recouvrant la surface interne de l'intestin. Elle assure notamment l'absorption et participe à la protection de l'organisme.
Dysbiose : modification défavorable de la composition ou du fonctionnement du microbiote, pouvant être associée à une maladie.
Bactériophage : virus qui infecte spécifiquement les bactéries. Certains provoquent leur destruction.
Phagocytose : mécanisme par lequel certaines cellules, notamment les macrophages, capturent et digèrent des microorganismes ou des particules.
Efférocytose : élimination, par des cellules spécialisées comme les macrophages, des cellules mortes par apoptose (mort cellulaire programmée). Ce mécanisme contribue à éviter l'accumulation de débris et à résoudre l'inflammation.
Antigène : structure moléculaire susceptible d'être reconnue par le système immunitaire et, dans certaines conditions, de déclencher une réponse spécifique.
Cytokines : molécules de communication produites par différentes cellules. Elles permettent notamment de coordonner les réactions immunitaires et inflammatoires.
Immunité innée : ensemble des mécanismes de défense rapidement mobilisables, présents avant toute rencontre avec un agent infectieux particulier.
Immunité adaptative : réponse immunitaire spécifique faisant intervenir notamment les lymphocytes B et T, et pouvant produire une mémoire immunitaire.
Portage asymptomatique : présence d'un microorganisme potentiellement pathogène chez un animal qui ne présente pas de signes cliniques.
Prébiotique : substance utilisée sélectivement par certains microorganismes de l'hôte et procurant un bénéfice démontré pour sa santé.
Probiotique : microorganisme vivant qui, administré en quantité adéquate, procure un bénéfice démontré pour la santé.
Postbiotique : préparation de microorganismes inanimés et/ou de leurs composants ayant démontré un bénéfice pour la santé.
Résilience biologique : capacité d'un organisme ou d'un écosystème à résister à une perturbation, à s'y adapter et à retrouver un fonctionnement satisfaisant.
Conclusion : la santé, un équilibre à entretenir
Pendant longtemps, la lutte contre les maladies infectieuses a surtout été présentée comme un combat contre des microorganismes dangereux.
Cette approche a permis des progrès considérables, notamment grâce à la vaccination, aux antibiotiques et aux mesures sanitaires.
Mais les recherches sur le microbiote nous invitent à élargir notre compréhension du vivant.
L'organisme n'est pas isolé de son environnement microbien. Il entretient avec lui des relations permanentes, parfois bénéfiques, parfois défavorables, et toujours susceptibles d'évoluer.
La bonne santé d'un pigeon ne se résume donc ni à des fientes parfaitement moulées, ni à l'absence de germes détectables dans les prélèvements.
Elle dépend de sa capacité à maintenir un fonctionnement équilibré malgré les perturbations auxquelles il est exposé.
Cette capacité à maintenir les grandes fonctions physiologiques dans des limites compatibles avec la vie porte un nom : l'homéostasie.
Lorsqu'une perturbation survient, l'organisme doit également pouvoir s'adapter, réparer les dommages éventuels et retrouver un fonctionnement satisfaisant. C'est ce que l'on appelle la résilience biologique.
Ces deux notions sont complémentaires et illustrent parfaitement la définition de la santé comme un état d'équilibre dynamique.
Prendre soin de l'intestin, de son microbiote, de sa barrière épithéliale et de ses défenses immunitaires n'est donc pas un luxe. C'est une composante essentielle de la prévention sanitaire.
Un intestin sain n'est pas un intestin stérile.
C'est un écosystème vivant, dynamique et capable de retrouver son équilibre.
8 / 10 / 2026
The pigeon’s intestinal microbiota
Dr Emmanuel Leysens — veterinarian
A microscopic jungle whose balance helps determine health
Well-formed, compact droppings resembling small pellets reassure the fancier entering the loft. Behind that daily observation, however, lies an extraordinarily complex microscopic world. Billions of microorganisms live in the pigeon’s digestive tract. Some cooperate, others compete, while viruses attack bacteria. All contribute, directly or indirectly, to a balance on which part of the bird’s health depends.
1. Droppings: an initial indicator, not a diagnosis
In a healthy pigeon, droppings are generally well formed. They contain a relatively compact faecal component, a white component consisting mainly of urates, and a variable amount of liquid urine.
Their appearance depends on several mechanisms: food digestion, intestinal absorption, digestive transit, water balance and kidney function.
Well-formed droppings are therefore a favourable sign. They are not, however, an absolute guarantee of good health.
Conversely, temporarily liquid droppings do not necessarily mean that the pigeon has a disease.
High water intake, heat, dietary changes, transport stress, physical exertion and certain stages of reproduction can cause temporary variations.
Incubating pigeons sometimes produce particularly large droppings after retaining their excreta for a prolonged period.
Two frequently confused conditions must also be distinguished: diarrhoea and polyuria.
Diarrhoea is an abnormal increase in the water content of the faecal component, whereas polyuria is an increase in the amount of urine surrounding a faecal component that may remain well formed.
For the veterinarian, droppings must therefore always be assessed in context: the pigeon’s behaviour, appetite, water intake, body condition, duration of abnormalities and any accompanying clinical signs.
An abnormal dropping is an observation. It is not, by itself, a diagnosis.
2. A true microscopic jungle
The pigeon’s intestine is not simply a tube through which food passes.
Its wall has intestinal villi that greatly increase the surface available for nutrient absorption.
These villi are covered by an epithelium containing, among other cells, absorptive cells called enterocytes and cells involved in mucus production.
Mucus helps protect the intestinal surface and forms an interface between the body and its microbial environment.
Countless microorganisms inhabit the digestive lumen, food particles and the vicinity of the mucosa.
Together they form the intestinal microbiota.
Several major groups are found there:
Bacteria, which form the best-studied component.
Fungi and yeasts, which form the mycobiota.
Protozoa, some of which may be commensal and others parasitic.
Viruses, including bacteriophages that infect bacteria.
Archaea, microorganisms distinct from bacteria and still poorly documented in pigeons.
Depending on the definition used, microbiome refers to the microorganisms, their genes and their functional environment.
The composition of this ecosystem varies with animal species, age, diet, digestive segment and husbandry conditions.
It would therefore be incorrect to consider the pigeon’s microbiota identical to that of chickens or humans.
Knowledge gained from those species nevertheless helps us understand many shared biological mechanisms.
The pigeon’s intestinal jungle. Schematic illustration, not to scale. Tap the image to enlarge.
3. A community built on interactions
In this jungle, microorganisms do not live independently of one another.
Some bacteria use nutrients that others cannot exploit. Others produce substances that may inhibit their competitors.
Certain populations help break down dietary components and produce metabolites that the body or other microorganisms can use.
These relationships form a complex network of cooperation, competition and sometimes predation.
Microbial diversity often contributes to ecosystem stability, but is not, on its own, a universal indicator of good health. Microbial functions and interactions are equally important.
A balanced microbiota can notably help limit the establishment or multiplication of certain pathogens.
This phenomenon is called colonisation resistance.
Microorganisms already present occupy ecological niches, consume nutrients and may produce substances unfavourable to their competitors.
The intestine is therefore not vacant territory that each new microbe can freely colonise.
But this balance is never permanently secured.
Dietary change, antimicrobial treatment, infection or substantial stress can alter relationships between populations.
4. Bacteriophages: viruses that attack bacteria
Bacteriophages, often simply called phages, are among this jungle’s most remarkable inhabitants.
They are viruses whose hosts are bacteria.
Some phages, called lytic phages, infect a bacterium, use its cellular machinery to multiply and then destroy it, releasing new viral particles.
Others can establish more lasting relationships with their bacterial host.
These viruses thus contribute to the dynamics of bacterial populations.
They can change their abundance, favour some populations at the expense of others and contribute to exchanges of genetic material between bacteria.
All the phages present in an environment together form its phagome.
Research into the avian intestinal virome reveals considerable diversity that remains largely unknown.
This discovery opens fascinating possibilities.
Why not use certain bacteriophages to combat pathogenic bacteria, particularly when they are resistant to antibiotics?
That is the principle of phage therapy.
However, a phage active against one bacterial strain is not necessarily effective against another strain of the same species.
Therapeutic use therefore requires precise selection, safety checks and an assessment of efficacy.
In racing pigeons, phage therapy remains a research prospect, rather than a routine, validated treatment.
5. Dynamic balance: the real meaning of health
Health cannot be defined solely by the absence of potentially pathogenic microorganisms.
It is better understood as a dynamic balance in which the animal’s physiological functions, natural defences, behaviour and ability to adapt remain compatible with its environment.
A pigeon may harbour certain potentially pathogenic microorganisms without showing clinical signs.
This is known as asymptomatic carriage.
Take Trichomonas gallinae, for example, a protozoan mainly found in the upper parts of the pigeon’s digestive tract.
Some birds can carry it without lesions or apparent problems.
Not all strains have the same virulence and not all pigeons have the same susceptibility.
Age, immune status, concurrent infections and environmental conditions may influence the clinical expression of trichomonosis.
It must nevertheless be stressed that an asymptomatic carrier can transmit the parasite to other birds.
Salmonellosis provides another example.
Detecting Salmonella in droppings does not automatically establish that the bacterium explains any observed symptoms. However, the finding has real significance for health management, because it can reveal carriage and a risk of dissemination.
Detection is not diagnosis.
Diagnosis must combine clinical examination, health history, appropriate sampling and interpretation of the findings.
The point is not to ignore pathogens, but to understand their biological and health significance before deciding on an intervention.
6. When balance breaks down: dysbiosis
Dysbiosis is an alteration in the composition or functioning of a microbial ecosystem that may have adverse consequences for the host.
It does not necessarily mean the disappearance of “good bacteria” or the emergence of a single “bad bacterium”.
Changes may involve the relative proportions of populations, their metabolic activity or their interactions with the intestinal mucosa.
Antibiotic treatment, for example, can reduce susceptible populations and free resources that other microorganisms can use.
An infection can also cause inflammatory changes that transform the intestinal environment.
The relationship runs both ways: dysbiosis can contribute to disease, but can also be a consequence of it.
In birds, as in mammals, researchers are particularly interested in interactions between dysbiosis, intestinal barrier integrity and the immune response.
However, every abnormality in droppings should not be turned into a diagnosis of dysbiosis.
Dysbiosis is a biological concept, not a diagnosis that can be made simply by looking at a dropping.
7. The immune system: guardian of the jungle
The intestine forms a particularly delicate frontier.
It must absorb nutrients while limiting the passage of microorganisms and potentially harmful substances.
This task depends on several complementary mechanisms: mucus, epithelial cells, intercellular junctions, antimicrobial substances, microbiota and immune cells.
The immune system must recognise danger while also tolerating food and harmless microorganisms.
An insufficient response can favour infection.
An excessive or poorly regulated response can, conversely, cause inflammation that damages tissues.
Health therefore requires an appropriate immune response, rather than permanent stimulation.
Macrophages have a remarkable role among the participants in this regulation.
8. The macrophage: ringmaster of the immune circus
Imagine the immune system as a vast circus.
At the centre of the ring stands a character who watches, raises the alarm, introduces certain performers and helps restore order after incidents.
That character is the macrophage.
It performs several essential functions.
First, it acts as a sentinel by recognising danger signals.
Next, it can capture and digest microorganisms or foreign particles: this is phagocytosis.
It also takes part in immune communication by producing cytokines and other mediators.
It can present antigen fragments to CD4+ T lymphocytes, contributing to the dialogue between innate and adaptive immunity.
Dendritic cells, however, play a particularly important role in the initial activation of naïve T lymphocytes.
But the macrophage’s work does not end with defence.
It also removes dead cells and tissue debris, notably through a mechanism called efferocytosis.
It then contributes to resolving inflammation and repairing tissues.
In other words, removing the aggressor is not enough: the ground must also be cleared and allowed to rebuild.
The macrophage participates in these different stages.
Our ringmaster is therefore more than a security guard. It also helps organise, clean and restore the arena!
The macrophage as immune ringmaster. Schematic illustration, not to scale. Tap the image to enlarge.
9. Prebiotics, probiotics and postbiotics: what do they mean?
Knowledge of the microbiota has encouraged the development of many nutritional approaches.
The terms must nevertheless be used correctly.
Prebiotics are substrates selectively used by host microorganisms that confer a health benefit.
Some fibres or oligosaccharides may meet this definition, depending on the available evidence.
Probiotics are live microorganisms that, when administered in adequate amounts, confer a health benefit on the host.
Their efficacy depends notably on the strain used, the dose, product stability and the animal species concerned.
Not every marketed yeast or bacterium is therefore automatically a probiotic.
Postbiotics are preparations of inanimate microorganisms and/or their components with a demonstrated health benefit for the host.
They must not be confused with all the substances produced by the microbiota.
Short-chain fatty acids and other microbial metabolites can have important biological effects, but are not automatically postbiotics in the strict scientific sense.
These approaches may benefit digestive health. However, results obtained in humans or chickens cannot automatically be transferred to racing pigeons.
The marketing phrase “immune stimulation” also deserves caution.
The aim is not to stimulate the immune system indiscriminately, but to support its balanced functioning.
10. Preserving balance: a daily responsibility
How can all this knowledge be applied in pigeon keeping?
The first step is to provide pigeons with appropriate, consistent, good-quality feeding.
Drinking water must be clean, available in sufficient quantities and renewed under satisfactory hygienic conditions.
Ventilation, stocking density, facility maintenance and moisture control also contribute to disease prevention.
Excessive stress should be limited wherever possible, particularly during transport, mixing and competitions.
Antibiotic and antiparasitic treatments must have a justified indication.
They can be indispensable when an infection is diagnosed or strongly suspected, but repeated, unjustified use can alter microbial balances and favour the selection of resistance.
Vaccination serves a different purpose: it prepares the immune system to recognise particular infectious agents and helps reduce the risks associated with the targeted diseases.
Finally, regular observation of the birds remains irreplaceable.
Behaviour, appetite, body condition, plumage quality, recovery after exertion and the appearance of droppings provide complementary information.
None of these criteria should be interpreted in isolation.
A short dictionary of the intestinal jungle
Microbiota: the microorganisms living in a particular environment, such as the digestive tract.
Microbiome: in a widely used definition, the microorganisms, their genes and their functional environment.
Intestinal villi: small projections of the small-intestinal mucosa that increase the surface for nutrient absorption.
Intestinal epithelium: the cell layer lining the inner surface of the intestine. It notably provides absorption and helps protect the body.
Dysbiosis: an unfavourable change in microbiota composition or function that may be associated with disease.
Bacteriophage: a virus specifically infecting bacteria; some destroy their hosts.
Phagocytosis: capture and digestion of microorganisms or particles by certain cells, including macrophages.
Efferocytosis: removal of cells that have died through apoptosis, or programmed cell death, by specialised cells such as macrophages. It helps prevent debris accumulation and resolve inflammation.
Antigen: a molecular structure recognised by the immune system that may, under certain conditions, trigger a specific response.
Cytokines: communication molecules produced by various cells. They notably help coordinate immune and inflammatory responses.
Innate immunity: rapidly mobilised defence mechanisms present before encountering a particular infectious agent.
Adaptive immunity: a specific immune response involving B and T lymphocytes that can produce immune memory.
Asymptomatic carriage: presence of a potential pathogen in an animal without clinical signs.
Prebiotic: a substance selectively used by certain host microorganisms with a demonstrated health benefit.
Probiotic: a live microorganism conferring a demonstrated health benefit when given in adequate amounts.
Postbiotic: a preparation of inanimate microorganisms and/or their components with a demonstrated health benefit.
Biological resilience: an organism’s or ecosystem’s ability to withstand disturbance, adapt and regain satisfactory functioning.
Conclusion: health is a balance to maintain
For a long time, infectious disease control was chiefly presented as a battle against dangerous microorganisms.
This approach has brought considerable progress, notably through vaccination, antibiotics and sanitary measures.
But microbiota research invites us to broaden our understanding of living systems.
The body is not isolated from its microbial environment. It maintains continuous relationships with it, sometimes beneficial, sometimes unfavourable and always capable of changing.
A pigeon’s good health cannot therefore be reduced to perfectly formed droppings or the absence of detectable germs in samples.
It depends on the ability to maintain balanced functioning despite the disturbances to which it is exposed.
The ability to keep major physiological functions within limits compatible with life is called homeostasis.
When a disturbance occurs, the body must also be able to adapt, repair any damage and regain satisfactory functioning. This is known as biological resilience.
These two concepts are complementary and illustrate health as a state of dynamic balance.
Caring for the intestine, its microbiota, epithelial barrier and immune defences is therefore not a luxury. It is an essential part of disease prevention.
A healthy intestine is not a sterile intestine.
It is a living, dynamic ecosystem capable of regaining its balance.
8 / 10 / 2026
Die Darmmikrobiota der Taube
Dr. Emmanuel Leysens — Tierarzt
Ein mikroskopischer Dschungel dessen Gleichgewicht die Gesundheit mitbestimmt
Gut geformter, kompakter Kot, der kleinen Kügelchen ähnelt, beruhigt den Züchter beim Betreten des Schlages. Hinter dieser täglichen Beobachtung liegt jedoch eine außerordentlich komplexe mikroskopische Welt. Milliarden Mikroorganismen leben im Verdauungstrakt der Taube. Manche arbeiten zusammen, andere konkurrieren, während Viren Bakterien angreifen. Alle tragen direkt oder indirekt zu einem Gleichgewicht bei, von dem ein Teil der Gesundheit des Vogels abhängt.
1. Der Kot: ein erster Hinweis, keine Diagnose
Bei einer gesunden Taube ist der Kot in der Regel gut geformt. Er besteht aus einem relativ kompakten fäkalen Anteil, einem weißen Anteil hauptsächlich aus Uraten und einer wechselnden Menge flüssigen Urins.
Sein Aussehen hängt von mehreren Vorgängen ab: Futterverdauung, Aufnahme im Darm, Darmpassage, Wasserhaushalt und Nierenfunktion.
Gut geformter Kot ist deshalb ein günstiges Zeichen. Er bietet jedoch keine absolute Garantie für gute Gesundheit.
Umgekehrt bedeutet vorübergehend flüssiger Kot nicht zwangsläufig, dass die Taube an einer Krankheit leidet.
Hohe Wasseraufnahme, Hitze, Futterumstellungen, Transportstress, körperliche Anstrengung und bestimmte Fortpflanzungsphasen können vorübergehende Veränderungen verursachen.
Brütende Tauben setzen manchmal besonders große Kotmengen ab, nachdem sie ihre Ausscheidungen über längere Zeit zurückgehalten haben.
Außerdem müssen zwei häufig verwechselte Situationen unterschieden werden: Durchfall und Polyurie.
Durchfall bedeutet einen ungewöhnlich hohen Wassergehalt des fäkalen Anteils. Bei Polyurie nimmt dagegen die Urinmenge um einen fäkalen Anteil herum zu, der weiterhin gut geformt sein kann.
Für den Tierarzt muss die Kotbeobachtung deshalb immer im Zusammenhang beurteilt werden: Verhalten der Taube, Appetit, Wasseraufnahme, Körperzustand, Dauer der Abweichungen und mögliche begleitende Krankheitszeichen.
Auffälliger Kot ist eine Beobachtung. Für sich allein ist er keine Diagnose.
2. Ein echter mikroskopischer Dschungel
Der Darm der Taube ist nicht einfach ein Rohr, durch das Nahrung hindurchgeht.
Seine Wand besitzt Darmzotten, die die für die Nährstoffaufnahme verfügbare Oberfläche erheblich vergrößern.
Diese Zotten sind von einem Epithel bedeckt, das unter anderem aus aufnehmenden Zellen, den Enterozyten, und an der Schleimproduktion beteiligten Zellen besteht.
Schleim hilft, die Darmoberfläche zu schützen, und bildet eine Schnittstelle zwischen dem Organismus und seiner mikrobiellen Umgebung.
Im Darmlumen, in Nahrungspartikeln und in der Nähe der Schleimhaut leben unzählige Mikroorganismen.
Zusammen bilden sie die Darmmikrobiota.
Darin finden sich mehrere große Gruppen:
Bakterien, die den am besten untersuchten Anteil bilden.
Pilze und Hefen, die die Mykobiota bilden.
Protozoen, von denen einige kommensal und andere parasitisch sein können.
Viren, darunter Bakteriophagen, die Bakterien infizieren.
Archaeen, von Bakterien verschiedene Mikroorganismen, die bei Tauben noch wenig erforscht sind.
Je nach verwendeter Definition bezeichnet der Begriff Mikrobiom die Mikroorganismen, ihre Gene und ihre funktionelle Umgebung.
Die Zusammensetzung dieses Ökosystems variiert je nach Tierart, Alter, Ernährung, Verdauungsabschnitt und Haltungsbedingungen.
Es wäre daher falsch, die Mikrobiota der Taube mit der des Huhns oder des Menschen gleichzusetzen.
Die bei diesen Arten gewonnenen Erkenntnisse helfen dennoch, zahlreiche gemeinsame biologische Mechanismen zu verstehen.
Der Darmdschungel der Taube. Schematische Abbildung, nicht maßstabsgetreu. Zum Vergrößern auf das Bild tippen.
3. Eine Gemeinschaft aus Wechselwirkungen
In diesem Dschungel leben die Mikroorganismen nicht unabhängig voneinander.
Manche Bakterien nutzen Nährstoffe, die andere nicht verwerten können. Andere produzieren Stoffe, die ihre Konkurrenten hemmen können.
Bestimmte Populationen tragen zum Abbau von Nahrungsbestandteilen bei und produzieren Metaboliten, die der Organismus oder andere Mikroorganismen nutzen können.
Diese Beziehungen bilden ein komplexes Netzwerk aus Zusammenarbeit, Konkurrenz und gelegentlich Prädation.
Mikrobielle Vielfalt trägt häufig zur Stabilität des Ökosystems bei, ist für sich allein aber kein allgemeingültiger Gesundheitsindikator. Die Funktionen der Mikroorganismen und ihre Wechselwirkungen sind ebenso wichtig.
Eine ausgewogene Mikrobiota kann insbesondere dazu beitragen, die Ansiedlung oder Vermehrung bestimmter Krankheitserreger zu begrenzen.
Dieses Phänomen wird als Kolonisationsresistenz bezeichnet.
Bereits vorhandene Mikroorganismen besetzen ökologische Nischen, verbrauchen Nährstoffe und können für ihre Konkurrenten ungünstige Stoffe produzieren.
Der Darm ist daher kein frei verfügbares Gebiet, das jeder neue Mikroorganismus ungehindert besiedeln kann.
Dieses Gleichgewicht ist jedoch nie endgültig gesichert.
Eine Futterumstellung, eine antimikrobielle Behandlung, eine Infektion oder starker Stress können die Beziehungen zwischen den Populationen verändern.
4. Bakteriophagen: Viren die Bakterien angreifen
Zu den erstaunlichsten Bewohnern dieses Dschungels gehören die Bakteriophagen, oft kurz Phagen genannt.
Es handelt sich um Viren, deren Wirte Bakterien sind.
Bestimmte, sogenannte lytische Phagen infizieren ein Bakterium, nutzen dessen Zellmechanismen zur Vermehrung und zerstören es anschließend, wobei neue Viruspartikel freigesetzt werden.
Andere können länger andauernde Beziehungen mit ihrem bakteriellen Wirt eingehen.
Diese Viren wirken somit an der Dynamik der Bakterienpopulationen mit.
Sie können deren Häufigkeit verändern, bestimmte Populationen zulasten anderer begünstigen und zum Austausch genetischen Materials zwischen Bakterien beitragen.
Die Gesamtheit der Phagen in einer Umgebung bildet deren Phagom.
Untersuchungen des Darmviroms von Vögeln zeigen eine beträchtliche, noch weitgehend unbekannte Vielfalt.
Diese Entdeckung eröffnet faszinierende Perspektiven.
Warum nicht bestimmte Bakteriophagen nutzen, um krankheitserregende Bakterien zu bekämpfen, insbesondere wenn diese gegen Antibiotika resistent sind?
Das ist das Prinzip der Phagentherapie.
Ein gegen einen Bakterienstamm wirksamer Phage ist jedoch nicht unbedingt gegen einen anderen Stamm derselben Art wirksam.
Sein therapeutischer Einsatz erfordert daher eine genaue Auswahl, Sicherheitskontrollen und eine Bewertung der Wirksamkeit.
Bei Brieftauben bleibt die Phagentherapie eine Forschungsperspektive und ist keine gängige, validierte Behandlung.
5. Dynamisches Gleichgewicht: die Bedeutung von Gesundheit
Gesundheit lässt sich nicht allein als Abwesenheit potenziell krankheitserregender Mikroorganismen definieren.
Sie entspricht vielmehr einem dynamischen Gleichgewicht, in dem die Körperfunktionen, natürlichen Abwehrkräfte, das Verhalten und die Anpassungsfähigkeit des Tieres mit seiner Umwelt vereinbar bleiben.
Eine Taube kann bestimmte potenziell krankheitserregende Mikroorganismen beherbergen, ohne klinische Symptome zu zeigen.
Dies bezeichnet man als asymptomatisches Trägertum.
Nehmen wir das Beispiel Trichomonas gallinae, eines Protozoons, das vor allem in den oberen Abschnitten des Verdauungstrakts der Taube vorkommt.
Manche Vögel können Träger sein, ohne Gewebeschäden oder erkennbare Beschwerden zu zeigen.
Nicht alle Stämme sind gleich virulent, und nicht alle Tauben sind gleich empfindlich.
Alter, Immunstatus, gleichzeitige Infektionen und Umweltbedingungen können die klinische Ausprägung der Trichomonose beeinflussen.
Dabei muss betont werden, dass ein asymptomatischer Träger den Parasiten auf andere Vögel übertragen kann.
Die Salmonellose liefert ein weiteres Beispiel.
Der Nachweis von Salmonella im Kot beweist nicht automatisch, dass das Bakterium mögliche beobachtete Symptome erklärt. Dieser Befund besitzt dennoch erhebliche gesundheitliche Bedeutung, weil er auf Trägertum und ein Verbreitungsrisiko hinweisen kann.
Nachweisen ist nicht Diagnostizieren.
Eine Diagnose muss die klinische Untersuchung, die Krankheitsgeschichte, geeignete Probenentnahmen und die Interpretation der Ergebnisse verbinden.
Es geht nicht darum, Krankheitserreger zu ignorieren, sondern ihre biologische und gesundheitliche Bedeutung zu verstehen, bevor über eine Maßnahme entschieden wird.
6. Wenn das Gleichgewicht kippt: Dysbiose
Von Dysbiose spricht man, wenn die Zusammensetzung oder Funktion eines mikrobiellen Ökosystems so verändert ist, dass dies für den Wirt nachteilige Folgen haben kann.
Dies bedeutet nicht zwangsläufig, dass „gute Bakterien“ verschwinden oder ein einziges „schlechtes Bakterium“ auftritt.
Die Veränderungen können die relativen Anteile der Populationen, ihre Stoffwechselaktivitäten oder ihre Wechselwirkungen mit der Darmschleimhaut betreffen.
Eine Antibiotikabehandlung kann beispielsweise empfindliche Populationen verringern und Ressourcen freisetzen, die andere Mikroorganismen nutzen können.
Eine Infektion kann ebenfalls entzündliche Veränderungen hervorrufen, die die Darmumgebung umgestalten.
Die Beziehung wirkt in beide Richtungen: Dysbiose kann zu einer Krankheit beitragen, aber auch deren Folge sein.
Bei Vögeln wie bei Säugetieren interessieren sich Forschende besonders für die Wechselwirkungen zwischen Dysbiose, der Unversehrtheit der Darmbarriere und der Immunantwort.
Man sollte jedoch vermeiden, jede Kotauffälligkeit als Dysbiose zu diagnostizieren.
Dysbiose ist ein biologisches Konzept und keine Diagnose, die sich allein durch das Betrachten von Kot stellen lässt.
7. Das Immunsystem: Hüter des Dschungels
Der Darm bildet eine besonders empfindliche Grenze.
Er muss Nährstoffe aufnehmen und gleichzeitig den Durchtritt von Mikroorganismen und potenziell gefährlichen Stoffen begrenzen.
Diese Aufgabe beruht auf mehreren sich ergänzenden Mechanismen: Schleim, Epithelzellen, Zellverbindungen, antimikrobiellen Substanzen, Mikrobiota und Immunzellen.
Das Immunsystem muss Gefahren erkennen, aber auch Nahrung und harmlose Mikroorganismen tolerieren.
Eine unzureichende Reaktion kann Infektionen begünstigen.
Eine übermäßige oder schlecht regulierte Reaktion kann dagegen Entzündungen verursachen, die das Gewebe schädigen.
Gesundheit erfordert daher eine angemessene Immunantwort und keine dauerhafte Stimulation.
Unter den an dieser Regulation beteiligten Akteuren nehmen Makrophagen eine bemerkenswerte Stellung ein.
8. Der Makrophage: Zirkusdirektor der Immunabwehr
Stellen wir uns das Immunsystem als einen riesigen Zirkus vor.
In der Mitte der Manege steht eine Figur, die überwacht, Alarm schlägt, bestimmte Akteure vorstellt und nach Zwischenfällen hilft, die Ordnung wiederherzustellen.
Diese Figur ist der Makrophage.
Er erfüllt mehrere wesentliche Aufgaben.
Zunächst wirkt er als Wächter, indem er Gefahrensignale erkennt.
Dann kann er Mikroorganismen oder Fremdpartikel aufnehmen und verdauen: Das ist die Phagozytose.
Er beteiligt sich außerdem an der Kommunikation im Immunsystem, indem er Zytokine und andere Botenstoffe produziert.
Er kann CD4+-T-Lymphozyten Antigenfragmente präsentieren und so zum Austausch zwischen angeborener und adaptiver Immunität beitragen.
Dendritische Zellen spielen jedoch eine besonders wichtige Rolle bei der ersten Aktivierung naiver T-Lymphozyten.
Die Arbeit des Makrophagen endet aber nicht bei der Abwehr.
Er entfernt auch tote Zellen und Gewebereste, insbesondere durch einen Mechanismus namens Efferozytose.
Anschließend trägt er zum Abklingen von Entzündungen und zur Reparatur des Gewebes bei.
Mit anderen Worten: Es genügt nicht, den Angreifer zu beseitigen. Das Gelände muss auch aufgeräumt und sein Wiederaufbau ermöglicht werden.
Der Makrophage wirkt an diesen verschiedenen Schritten mit.
Unser Zirkusdirektor ist also nicht nur ein Sicherheitswächter. Er hilft auch bei der Organisation, Reinigung und Wiederherstellung der Manege!
Der Makrophage als Zirkusdirektor der Immunabwehr. Schematische Abbildung, nicht maßstabsgetreu. Zum Vergrößern auf das Bild tippen.
9. Präbiotika, Probiotika und Postbiotika
Die Erkenntnisse über die Mikrobiota haben die Entwicklung zahlreicher Ernährungsansätze gefördert.
Dabei müssen die Begriffe korrekt verwendet werden.
Präbiotika sind Substrate, die von Mikroorganismen des Wirts selektiv genutzt werden und ihm einen gesundheitlichen Nutzen bieten.
Bestimmte Fasern oder Oligosaccharide können je nach vorliegenden Nachweisen dieser Definition entsprechen.
Probiotika sind lebende Mikroorganismen, die dem Wirt bei Verabreichung in ausreichender Menge einen gesundheitlichen Nutzen bieten.
Ihre Wirksamkeit hängt insbesondere vom verwendeten Stamm, der Dosis, der Produktstabilität und der betreffenden Tierart ab.
Nicht alle vermarkteten Hefen und Bakterien sind deshalb automatisch Probiotika.
Postbiotika sind Präparate aus nicht lebenden Mikroorganismen und/oder deren Bestandteilen mit einem nachgewiesenen gesundheitlichen Nutzen für den Wirt.
Sie dürfen nicht mit sämtlichen Stoffen verwechselt werden, die von der Mikrobiota produziert werden.
Kurzkettige Fettsäuren und andere mikrobielle Metaboliten können wichtige biologische Wirkungen haben, sind im strengen wissenschaftlichen Sinn aber nicht automatisch Postbiotika.
Diese verschiedenen Ansätze können für die Verdauungsgesundheit interessant sein. Ergebnisse beim Menschen oder beim Huhn lassen sich jedoch nicht automatisch auf Brieftauben übertragen.
Auch gegenüber dem Werbeausdruck „Stimulation des Immunsystems“ ist Vorsicht geboten.
Das Ziel ist nicht die wahllose Stimulation des Immunsystems, sondern die Förderung seiner ausgewogenen Funktion.
10. Das Gleichgewicht bewahren: tägliche Verantwortung
Wie lassen sich all diese Erkenntnisse in der Taubenhaltung praktisch umsetzen?
Die erste Maßnahme besteht darin, den Tauben geeignetes, regelmäßiges und qualitativ hochwertiges Futter anzubieten.
Das Trinkwasser muss sauber und in ausreichender Menge verfügbar sein und unter zufriedenstellenden hygienischen Bedingungen erneuert werden.
Belüftung, Besatzdichte, Pflege der Anlagen und Feuchtigkeitskontrolle tragen ebenfalls zur Krankheitsvorbeugung bei.
Übermäßiger Stress sollte möglichst begrenzt werden, insbesondere bei Transporten, beim Zusammenbringen von Tauben und bei Wettbewerben.
Antibiotische und antiparasitäre Behandlungen müssen eine begründete Indikation haben.
Bei einer diagnostizierten oder stark vermuteten Infektion können sie unverzichtbar sein. Wiederholter und ungerechtfertigter Einsatz kann jedoch mikrobielle Gleichgewichte verändern und die Selektion von Resistenzen begünstigen.
Impfungen haben eine andere Aufgabe: Sie bereiten das Immunsystem auf die Erkennung bestimmter Infektionserreger vor und tragen dazu bei, die Risiken der betreffenden Krankheiten zu verringern.
Schließlich bleibt die regelmäßige Beobachtung der Vögel unersetzlich.
Verhalten, Appetit, Körperzustand, Gefiederqualität, Erholung nach Anstrengung und das Aussehen des Kots liefern ergänzende Informationen.
Keines dieser Kriterien sollte isoliert beurteilt werden.
Kleines Wörterbuch des Darmdschungels
Mikrobiota: alle Mikroorganismen in einer bestimmten Umgebung, etwa dem Verdauungstrakt.
Mikrobiom: nach verbreiteter Definition Mikroorganismen, ihre Gene und ihre funktionelle Umwelt.
Darmzotten: kleine Fortsätze der Dünndarmschleimhaut, die die Oberfläche für die Nährstoffaufnahme vergrößern.
Darmepithel: Zellschicht, die die innere Oberfläche des Darms bedeckt. Sie sorgt unter anderem für die Aufnahme von Nährstoffen und trägt zum Schutz des Organismus bei.
Dysbiose: ungünstige Änderung der Zusammensetzung oder Funktion der Mikrobiota, möglicherweise mit Krankheit verbunden.
Bakteriophage: bakterieninfizierendes Virus; manche zerstören ihre Wirte.
Phagozytose: Aufnahme und Verdauung von Mikroorganismen oder Partikeln durch bestimmte Zellen, etwa Makrophagen.
Efferozytose: Entfernung durch Apoptose, den programmierten Zelltod, abgestorbener Zellen durch spezialisierte Zellen wie Makrophagen. Sie hilft, die Anhäufung von Resten zu verhindern und unterstützt das Abklingen von Entzündungen.
Antigen: vom Immunsystem erkennbare molekulare Struktur, die unter bestimmten Bedingungen eine spezifische Antwort auslösen kann.
Zytokine: Kommunikationsmoleküle verschiedener Zellen zur Koordination von Immun- und Entzündungsreaktionen.
Angeborene Immunität: rasch verfügbare Abwehrmechanismen, die vor dem Kontakt mit einem bestimmten Erreger vorhanden sind.
Adaptive Immunität: spezifische Immunantwort, an der insbesondere B- und T-Lymphozyten beteiligt sind und die ein Immungedächtnis bilden kann.
Asymptomatisches Trägertum: Vorhandensein eines potenziell krankheitserregenden Mikroorganismus bei einem Tier ohne klinische Symptome.
Präbiotikum: selektiv von bestimmten Wirtsmikroorganismen genutzte Substanz mit belegtem Gesundheitsnutzen.
Probiotikum: lebender Mikroorganismus mit belegtem Gesundheitsnutzen in angemessener Menge.
Postbiotikum: Präparat nicht lebender Mikroorganismen und/oder ihrer Bestandteile mit belegtem Gesundheitsnutzen.
Biologische Resilienz: Fähigkeit eines Organismus oder Ökosystems, Störungen standzuhalten, sich anzupassen und wieder zufriedenstellend zu funktionieren.
Lange Zeit wurde die Bekämpfung von Infektionskrankheiten vor allem als Kampf gegen gefährliche Mikroorganismen dargestellt.
Dieser Ansatz hat erhebliche Fortschritte ermöglicht, insbesondere durch Impfungen, Antibiotika und Hygienemaßnahmen.
Die Forschung zur Mikrobiota lädt uns jedoch ein, unser Verständnis des Lebendigen zu erweitern.
Der Organismus ist nicht von seiner mikrobiellen Umgebung isoliert. Er unterhält mit ihr dauerhafte Beziehungen, die manchmal günstig, manchmal ungünstig und immer veränderlich sind.
Die gute Gesundheit einer Taube lässt sich daher weder auf perfekt geformten Kot noch auf die Abwesenheit nachweisbarer Keime in Proben reduzieren.
Sie hängt von ihrer Fähigkeit ab, trotz der Störungen, denen sie ausgesetzt ist, ausgewogen zu funktionieren.
Die Fähigkeit, die wesentlichen Körperfunktionen innerhalb lebensverträglicher Grenzen zu halten, heißt Homöostase.
Bei einer Störung muss der Organismus außerdem in der Lage sein, sich anzupassen, mögliche Schäden zu reparieren und eine zufriedenstellende Funktion wiederzuerlangen. Dies nennt man biologische Resilienz.
Diese beiden Begriffe ergänzen sich und veranschaulichen Gesundheit als Zustand eines dynamischen Gleichgewichts.
Die Pflege des Darms, seiner Mikrobiota, seiner Epithelbarriere und seiner Immunabwehr ist daher kein Luxus. Sie ist ein wesentlicher Bestandteil der Krankheitsvorbeugung.
Ein gesunder Darm ist kein steriler Darm.
Er ist ein lebendiges, dynamisches Ökosystem, das sein Gleichgewicht wiederfinden kann.
8 / 10 / 2026
La microbiota intestinal de la paloma
Dr. Emmanuel Leysens — veterinario
Una selva microscópica cuyo equilibrio contribuye a la salud
Unas heces bien formadas y compactas, parecidas a pequeñas bolitas, tranquilizan al colombófilo cuando entra en el palomar. Pero detrás de esta observación cotidiana se esconde un universo microscópico extraordinariamente complejo. Miles de millones de microorganismos viven en el aparato digestivo de la paloma. Algunos cooperan, otros compiten y ciertos virus atacan a las bacterias. Todos participan, directa o indirectamente, en un equilibrio del que depende parte de la salud del ave.
1. Las deyecciones: un primer indicador, no un diagnóstico
En una paloma sana, las deyecciones suelen estar bien formadas. Comprenden una fracción fecal relativamente compacta, una fracción blanca compuesta principalmente por uratos y una cantidad variable de orina líquida.
Su aspecto depende de varios mecanismos: digestión de los alimentos, absorción intestinal, tránsito digestivo, equilibrio hídrico y función renal.
Por tanto, unas deyecciones bien formadas son una señal favorable. Sin embargo, no constituyen una garantía absoluta de buena salud.
A la inversa, unas deyecciones momentáneamente líquidas no significan necesariamente que la paloma padezca una enfermedad.
El consumo abundante de agua, el calor, los cambios alimentarios, el estrés del transporte, el esfuerzo físico o ciertas fases de la reproducción pueden provocar variaciones transitorias.
Las palomas que incuban producen a veces deyecciones especialmente voluminosas después de haberlas retenido durante un periodo prolongado.
También hay que distinguir dos situaciones que suelen confundirse: la diarrea y la poliuria.
La diarrea corresponde a un aumento anormal del contenido de agua de la fracción fecal, mientras que la poliuria se caracteriza por un aumento de la cantidad de orina que rodea una fracción fecal que puede seguir bien formada.
Para el veterinario, la observación de las deyecciones debe situarse siempre en su contexto: comportamiento de la paloma, apetito, consumo de agua, condición corporal, duración de las anomalías y posibles signos clínicos asociados.
Una deyección anormal es una observación. Por sí sola, no es un diagnóstico.
2. Una verdadera selva microscópica
El intestino de la paloma no es un simple tubo por el que pasan los alimentos.
Su pared presenta vellosidades intestinales que aumentan considerablemente la superficie disponible para absorber nutrientes.
Estas vellosidades están recubiertas por un epitelio constituido, entre otras, por células absorbentes, los enterocitos, y células que participan en la producción de moco.
El moco contribuye a proteger la superficie intestinal y constituye una interfaz entre el organismo y su entorno microbiano.
En la luz digestiva, en las partículas alimentarias y cerca de la mucosa viven innumerables microorganismos.
Este conjunto forma la microbiota intestinal.
En ella se encuentran varias grandes categorías:
Las bacterias, que constituyen la fracción mejor estudiada.
Los hongos y las levaduras, que forman la micobiota.
Los protozoos, algunos de los cuales pueden ser comensales y otros parásitos.
Los virus, entre ellos los bacteriófagos que infectan bacterias.
Las arqueas, microorganismos distintos de las bacterias y todavía poco documentados en la paloma.
El término microbioma designa, según la definición adoptada, los microorganismos, sus genes y su entorno funcional.
La composición de este ecosistema varía según la especie animal, la edad, la alimentación, los segmentos digestivos y las condiciones de cría.
Por tanto, sería incorrecto considerar que la microbiota de la paloma es idéntica a la del pollo o del ser humano.
Los conocimientos adquiridos en estas especies permiten, no obstante, comprender numerosos mecanismos biológicos comunes.
La selva intestinal de la paloma. Ilustración esquemática, no a escala. Pulse la imagen para ampliarla.
3. Una comunidad basada en interacciones
En esta selva, los microorganismos no viven de manera independiente unos de otros.
Algunas bacterias utilizan nutrientes que otras no pueden aprovechar. Otras producen sustancias capaces de inhibir a sus competidoras.
Ciertas poblaciones participan en la degradación de componentes alimentarios y producen metabolitos que pueden utilizar el organismo u otros microorganismos.
Estas relaciones constituyen una red compleja de cooperación, competencia y, a veces, depredación.
La diversidad microbiana contribuye a menudo a la estabilidad del ecosistema, pero no constituye, por sí sola, un indicador universal de buena salud. Las funciones de los microorganismos y sus interacciones son igualmente importantes.
Una microbiota equilibrada puede contribuir a limitar la implantación o multiplicación de ciertos agentes patógenos.
Este fenómeno se denomina resistencia a la colonización.
Los microorganismos ya presentes ocupan nichos ecológicos, consumen nutrientes y pueden producir sustancias desfavorables para sus competidores.
Por tanto, el intestino no es un territorio disponible que cualquier nuevo microbio pueda colonizar libremente.
Pero este equilibrio nunca está definitivamente asegurado.
Un cambio alimentario, un tratamiento antimicrobiano, una infección o un estrés importante pueden modificar las relaciones entre las poblaciones.
4. Bacteriófagos: virus que atacan bacterias
Entre los habitantes más sorprendentes de esta selva se encuentran los bacteriófagos, llamados a menudo simplemente fagos.
Son virus cuyos huéspedes son bacterias.
Algunos fagos, denominados líticos, infectan una bacteria, utilizan sus mecanismos celulares para multiplicarse y después provocan su destrucción, liberando nuevas partículas virales.
Otros pueden establecer relaciones más duraderas con su huésped bacteriano.
Así, estos virus participan en la dinámica de las poblaciones bacterianas.
Pueden modificar su abundancia, favorecer ciertas poblaciones en detrimento de otras y contribuir al intercambio de material genético entre bacterias.
El conjunto de fagos presentes en un entorno constituye su fagoma.
Las investigaciones sobre el viroma intestinal de las aves revelan una diversidad considerable, todavía ampliamente desconocida.
Este descubrimiento abre perspectivas fascinantes.
¿Por qué no utilizar ciertos bacteriófagos para combatir bacterias patógenas, especialmente cuando presentan resistencia a los antibióticos?
Ese es el principio de la fagoterapia.
Sin embargo, un fago activo contra una cepa bacteriana no es necesariamente eficaz contra otra cepa de la misma especie.
Por tanto, su uso terapéutico exige una selección precisa, controles de seguridad y una evaluación de su eficacia.
En la paloma mensajera, la fagoterapia sigue siendo una perspectiva de investigación y no una solución terapéutica habitual y validada.
5. Equilibrio dinámico: el significado de la salud
La salud no puede definirse únicamente por la ausencia de microorganismos potencialmente patógenos.
Corresponde más bien a un estado de equilibrio dinámico en el que las funciones fisiológicas, las defensas naturales, el comportamiento y las capacidades de adaptación del animal siguen siendo compatibles con su entorno.
Una paloma puede albergar ciertos microorganismos potencialmente patógenos sin presentar signos clínicos.
Este es el principio del estado de portador asintomático.
Tomemos el ejemplo de Trichomonas gallinae, un protozoo presente principalmente en las partes superiores del tubo digestivo de la paloma.
Algunas aves pueden ser portadoras sin presentar lesiones ni trastornos aparentes.
No todas las cepas tienen la misma virulencia y no todas las palomas presentan la misma sensibilidad.
La edad, el estado inmunitario, las infecciones concomitantes y las condiciones ambientales pueden influir en la expresión clínica de la tricomonosis.
No obstante, hay que precisar que un portador asintomático puede transmitir el parásito a otras aves.
La salmonelosis ofrece otro ejemplo.
La detección de Salmonella en las deyecciones no demuestra automáticamente que la bacteria explique los síntomas que puedan observarse. Sin embargo, este hallazgo tiene una verdadera importancia sanitaria, porque puede revelar un estado de portador y un riesgo de diseminación.
Detectar no es diagnosticar.
El diagnóstico debe combinar el examen clínico, los antecedentes sanitarios, la toma de muestras apropiadas y su interpretación.
No se trata de ignorar los agentes patógenos, sino de comprender su significado biológico y sanitario antes de decidir una intervención.
6. Cuando se rompe el equilibrio: disbiosis
Se habla de disbiosis cuando un ecosistema microbiano presenta una alteración de su composición o funcionamiento que puede tener consecuencias desfavorables para el huésped.
No se trata necesariamente de la desaparición de las «bacterias buenas» o de la aparición de una única «bacteria mala».
Las modificaciones pueden afectar a las proporciones relativas de las poblaciones, a sus actividades metabólicas o a sus interacciones con la mucosa intestinal.
Un tratamiento antibiótico puede, por ejemplo, reducir algunas poblaciones sensibles y liberar recursos que otros microorganismos pueden utilizar.
Una infección también puede provocar cambios inflamatorios que transforman el entorno intestinal.
La relación funciona en ambos sentidos: la disbiosis puede contribuir a una enfermedad, pero también puede ser una consecuencia de ella.
En las aves, como en los mamíferos, los investigadores se interesan especialmente por las interacciones entre disbiosis, integridad de la barrera intestinal y respuesta inmunitaria.
Sin embargo, hay que evitar convertir cualquier anomalía de las deyecciones en un diagnóstico de disbiosis.
La disbiosis es un concepto biológico, no un diagnóstico que pueda establecerse simplemente mirando una deyección.
7. El sistema inmunitario: guardián de la selva
El intestino constituye una frontera especialmente delicada.
Debe absorber nutrientes y, al mismo tiempo, limitar el paso de microorganismos y sustancias potencialmente peligrosas.
Esta misión se basa en varios mecanismos complementarios: moco, células epiteliales, uniones intercelulares, sustancias antimicrobianas, microbiota y células inmunitarias.
El sistema inmunitario debe reconocer los peligros, pero también tolerar los alimentos y los microorganismos inofensivos.
Una respuesta insuficiente puede favorecer la infección.
Una respuesta excesiva o mal regulada puede, por el contrario, provocar una inflamación perjudicial para los tejidos.
Por tanto, la salud exige una respuesta inmunitaria adecuada, no una estimulación permanente.
Entre los participantes en esta regulación, los macrófagos ocupan un lugar destacado.
8. El macrófago: maestro de ceremonias del circo inmunitario
Imaginemos el sistema inmunitario como un inmenso circo.
En el centro de la pista aparece un personaje que vigila, da la alarma, presenta a ciertos participantes y contribuye a restablecer el orden después de los incidentes.
Ese personaje es el macrófago.
Cumple varias funciones esenciales.
Primero, actúa como centinela al reconocer señales de peligro.
Después, puede capturar y digerir microorganismos o partículas extrañas: esto es la fagocitosis.
También participa en la comunicación inmunitaria produciendo citocinas y otros mediadores.
Puede presentar fragmentos antigénicos a los linfocitos T CD4+, contribuyendo así al diálogo entre inmunidad innata e inmunidad adaptativa.
Sin embargo, las células dendríticas desempeñan un papel especialmente importante en la activación inicial de los linfocitos T vírgenes.
Pero el trabajo del macrófago no termina con la defensa.
También elimina células muertas y restos de tejidos, especialmente mediante un mecanismo llamado eferocitosis.
Después participa en la resolución de la inflamación y la reparación de los tejidos.
En otras palabras, no basta con eliminar al agresor: también hay que limpiar el terreno y permitir su reconstrucción.
El macrófago interviene en estas diferentes etapas.
Por tanto, nuestro maestro de ceremonias no es solo un agente de seguridad. ¡También participa en la organización, la limpieza y la restauración de la pista!
El macrófago como maestro de ceremonias de la inmunidad. Ilustración esquemática, no a escala. Pulse la imagen para ampliarla.
9. Prebióticos, probióticos y postbióticos
El conocimiento de la microbiota ha favorecido el desarrollo de numerosos enfoques nutricionales.
Pero es necesario utilizar los términos correctamente.
Los prebióticos son sustratos utilizados selectivamente por microorganismos del huésped que le proporcionan un beneficio para la salud.
Algunas fibras u oligosacáridos pueden responder a esta definición, según las pruebas disponibles.
Los probióticos son microorganismos vivos que, administrados en cantidades adecuadas, proporcionan un beneficio para la salud del huésped.
Su eficacia depende especialmente de la cepa utilizada, la dosis, la estabilidad del producto y la especie animal implicada.
Por tanto, no todas las levaduras y bacterias comercializadas son automáticamente probióticos.
Los postbióticos son preparaciones de microorganismos inanimados y/o sus componentes que han demostrado un beneficio para la salud del huésped.
No deben confundirse con el conjunto de sustancias producidas por la microbiota.
Los ácidos grasos de cadena corta y otros metabolitos microbianos pueden tener efectos biológicos importantes, pero no son automáticamente postbióticos en sentido científico estricto.
Estos diferentes enfoques pueden resultar de interés para la salud digestiva. Sin embargo, los resultados obtenidos en seres humanos o pollos no pueden trasladarse automáticamente a las palomas mensajeras.
También hay que desconfiar de la expresión comercial «estimulación de la inmunidad».
El objetivo no es estimular indiscriminadamente el sistema inmunitario, sino favorecer su funcionamiento equilibrado.
10. Preservar el equilibrio: responsabilidad cotidiana
¿Cómo trasladar todos estos conocimientos a la práctica colombófila?
La primera medida consiste en ofrecer a las palomas una alimentación adecuada, regular y de buena calidad.
El agua de bebida debe estar limpia, disponible en cantidad suficiente y renovarse en condiciones higiénicas satisfactorias.
La ventilación, la densidad de ocupación, el mantenimiento de las instalaciones y el control de la humedad también participan en la prevención sanitaria.
Hay que limitar en lo posible las situaciones de estrés excesivo, especialmente durante los transportes, las agrupaciones y las competiciones.
Los tratamientos antibióticos y antiparasitarios deben responder a una indicación justificada.
Pueden ser indispensables cuando se diagnostica o se sospecha firmemente una infección, pero su uso repetido e injustificado puede modificar los equilibrios microbianos y favorecer la selección de resistencias.
La vacunación tiene una función diferente: prepara al sistema inmunitario para reconocer ciertos agentes infecciosos y contribuye a reducir los riesgos asociados a las enfermedades correspondientes.
Por último, la observación regular de las aves sigue siendo insustituible.
El comportamiento, el apetito, la condición corporal, la calidad del plumaje, la recuperación después del esfuerzo y el aspecto de las deyecciones proporcionan información complementaria.
Ninguno de estos criterios debe interpretarse de forma aislada.
Pequeño diccionario de la selva intestinal
Microbiota: microorganismos que viven en un entorno determinado, como el aparato digestivo.
Microbioma: según una definición ampliamente usada, microorganismos, sus genes y su entorno funcional.
Vellosidades intestinales: pequeñas prolongaciones de la mucosa del intestino delgado que aumentan la superficie de absorción de nutrientes.
Epitelio intestinal: capa de células que recubre la superficie interna del intestino. Garantiza, entre otras funciones, la absorción y participa en la protección del organismo.
Disbiosis: cambio desfavorable de composición o función de la microbiota, posiblemente asociado a enfermedad.
Bacteriófago: virus que infecta específicamente bacterias; algunos las destruyen.
Fagocitosis: captura y digestión de microorganismos o partículas por ciertas células, incluidos los macrófagos.
Eferocitosis: retirada por células especializadas, como macrófagos, de células muertas por apoptosis o muerte celular programada. Ayuda a evitar la acumulación de restos y ayuda a resolver la inflamación.
Antígeno: estructura molecular reconocible por la inmunidad que, en ciertas condiciones, puede desencadenar una respuesta específica.
Citocinas: moléculas de comunicación producidas por distintas células para coordinar respuestas inmunitarias e inflamatorias.
Inmunidad innata: mecanismos defensivos rápidamente movilizables, presentes antes de encontrar un agente infeccioso específico.
Inmunidad adaptativa: respuesta específica con linfocitos B y T que puede producir memoria inmunitaria.
Estado de portador asintomático: presencia de un microorganismo potencialmente patógeno en un animal que no presenta signos clínicos.
Prebiótico: sustancia utilizada selectivamente por ciertos microorganismos del huésped con beneficio sanitario demostrado.
Probiótico: microorganismo vivo que, en cantidad adecuada, aporta un beneficio sanitario demostrado.
Postbiótico: preparación de microorganismos inanimados y/o sus componentes con beneficio sanitario demostrado.
Resiliencia biológica: capacidad de un organismo o ecosistema para resistir una perturbación, adaptarse y recuperar un funcionamiento satisfactorio.
Conclusión: la salud es un equilibrio que debemos mantener
Durante mucho tiempo, la lucha contra las enfermedades infecciosas se presentó principalmente como un combate contra microorganismos peligrosos.
Este enfoque ha permitido avances considerables, especialmente gracias a la vacunación, los antibióticos y las medidas sanitarias.
Pero las investigaciones sobre la microbiota nos invitan a ampliar nuestra comprensión de los seres vivos.
El organismo no está aislado de su entorno microbiano. Mantiene con él relaciones permanentes, a veces beneficiosas, a veces desfavorables y siempre susceptibles de evolucionar.
Por tanto, la buena salud de una paloma no se reduce a unas deyecciones perfectamente formadas ni a la ausencia de gérmenes detectables en las muestras.
Depende de su capacidad para mantener un funcionamiento equilibrado a pesar de las perturbaciones a las que está expuesta.
Esta capacidad de mantener las principales funciones fisiológicas dentro de límites compatibles con la vida tiene un nombre: homeostasis.
Cuando se produce una perturbación, el organismo también debe poder adaptarse, reparar los posibles daños y recuperar un funcionamiento satisfactorio. Esto es lo que se denomina resiliencia biológica.
Estas dos nociones son complementarias e ilustran perfectamente la definición de la salud como un estado de equilibrio dinámico.
Cuidar el intestino, su microbiota, su barrera epitelial y sus defensas inmunitarias no es, por tanto, un lujo. Es un componente esencial de la prevención sanitaria.
Un intestino sano no es un intestino estéril.
Es un ecosistema vivo, dinámico y capaz de recuperar su equilibrio.
5 / 10 / 2026
Salmonellose bij de duif: begrijpen om beter te voorkomen
Dr. Emmanuel Leysens
Van een duif zonder ziekteverschijnselen tot een zieke duif: hoe Salmonella zich verspreidt en welke gevolgen een besmetting kan hebben. De bijbehorende illustratie is in het Frans.
Een bacterie kan aanwezig zijn zonder dat de duif ziek is
Salmonellose is een van de belangrijkste bacteriële ziekten bij duiven. Duivenliefhebbers kennen haar ook onder de naam paratyfus.
Achter die naam gaat echter meer schuil dan een ziekte die diarree, vermagering of sterfte veroorzaakt. Een duif kan Salmonella bij zich dragen zonder ook maar één zichtbaar ziekteverschijnsel te vertonen.
Dit dragerschap is essentieel om te begrijpen hoe salmonellose zich in een duivenhok kan vestigen en daar kan blijven bestaan.
Salmonellose of paratyfus?
Salmonella vormt een omvangrijke groep bacteriën die bij talrijke diersoorten voorkomt. Bij duiven wordt salmonellose vooral in verband gebracht met Salmonella enterica serovar Typhimurium. Sommige lijnen, waaronder die van de variant Copenhagen, zijn bijzonder aangepast aan de duif.
Experimenteel onderzoek heeft laten zien dat bepaalde PT99-stammen die bij duiven werden geïsoleerd, bij duiven een ernstigere infectie veroorzaken dan stammen afkomstig van andere diersoorten.
De traditionele naam ‘paratyfus’ blijft gangbaar in de duivensport. De medische term salmonellose is preciezer: die verwijst naar een infectie veroorzaakt door een bacterie van het geslacht Salmonella.
Besmet zijn betekent niet noodzakelijk ziek zijn
Na besmetting zijn verschillende uitkomsten mogelijk. Een duif kan ziek worden, de infectie overwinnen of drager worden zonder ziekteverschijnselen.
In een onderzoek bij 585 gehouden duiven werd bij 5,47 procent Salmonella aangetroffen. Alle geïsoleerde stammen behoorden tot Typhimurium. Van de isolaten was 37,5 procent afkomstig van duiven zonder klinische verschijnselen.
De bacterie kan bovendien blijven bestaan in bepaalde afweercellen, de zogenoemde macrofagen. Dat helpt verklaren waarom langdurig dragerschap mogelijk is.
Een duif die er volkomen gezond uitziet, kan dus de bacterie bij zich dragen én uitscheiden. De zieke duif valt op; de drager zonder verschijnselen vaak niet. Dat maakt de bestrijding binnen een groep duiven moeilijk.
Hoe verspreidt Salmonella zich in het hok?
De belangrijkste besmettingsroute loopt van mest naar bek.
Een besmette duif scheidt bacteriën uit via de mest. Daarmee worden bijvoorbeeld de vloer, zitplaatsen, voerbakken, drinkwater, voer en materialen besmet. Een andere duif neemt de bacterie op, waarna de kringloop opnieuw begint.
De uitscheiding hoeft niet voortdurend plaats te vinden. Ze kan met tussenpozen optreden. Daarom sluit één negatieve mestuitslag dragerschap niet altijd uit. Afhankelijk van de situatie kunnen herhaalde mestonderzoeken of verzamelmonsters over meerdere dagen nodig zijn.
Ook bijeenkomsten verdienen aandacht. Bij een tentoonstelling met 398 duiven werd Salmonella Typhimurium variant Copenhagen bij 28 vogels aangetroffen: ongeveer zeven procent. Die duiven kwamen uit vijftien verschillende hokken. Sommige waren alleen bij de eerste bemonstering positief, andere uitsluitend bij de tweede.
Dit illustreert zowel de beperkingen van een eenmalig onderzoek als het belang van aankopen, transporten, tentoonstellingen en andere samenkomsten voor de gezondheidszorg.
Wanneer het evenwicht wordt verstoord
De aanwezigheid van Salmonella leidt niet automatisch tot ziekte. Het verloop hangt onder meer af van de leeftijd, de algemene conditie en afweer van de duif, de bacteriestam en waarschijnlijk ook de hoeveelheid opgenomen bacteriën.
Stress kan bijdragen aan het ontstaan van ziekteverschijnselen. Denk aan transport, een andere omgeving, de kweekperiode, veranderingen in voeding, de introductie van nieuwe duiven of een gelijktijdige andere infectie.
Zo kan een probleem schijnbaar plotseling optreden in een hok dat tot dan toe gezond leek.
De vraag is daarom niet alleen: ‘Hoe is Salmonella binnengekomen?’ Ook van belang is: ‘Waardoor krijgt de infectie juist nu de kans zich te uiten?’
Een ziekte met verschillende gezichten
Salmonellose is meer dan diarree. Veelvoorkomende verschijnselen zijn diarree, groenachtige mest, verminderde eetlust, vermagering, lusteloosheid en een achteruitgaande conditie.
Wanneer de bacterie vanuit de darm verder het lichaam binnendringt, kunnen ook andere problemen ontstaan:
Gewrichtsontstekingen, met gezwollen gewrichten.
Een hangende vleugel en niet willen of kunnen vliegen.
Zenuwverschijnselen, soms met een scheve nek.
Ernstige algemene ziekte en sterfte.
Kweekproblemen, afgestorven embryo’s of vroege sterfte van jongen.
Aantasting van organen, waaronder lever en milt.
Een gezwollen vleugel- of pootgewricht is bij duiven een opvallend aanwijzend verschijnsel.
Een hangende vleugel, gewrichtsontsteking of groene mest bewijst echter geen salmonellose. Andere ziekten kunnen vergelijkbare verschijnselen geven.
Een vermoeden is nog geen diagnose
Bij een vermoeden van salmonellose is het doel de bacterie daadwerkelijk aan te tonen.
Afhankelijk van de situatie kan onderzoek plaatsvinden op mest, uitstrijkjes of — bij sectie — op organen en aangetast weefsel, zoals darm, lever, gewricht of eierstok.
Onderzoek van een pas gestorven duif kan soms meer informatie opleveren dan herhaaldelijk behandelen van het hele hok zonder vastgestelde oorzaak. Bij een ernstig ziek dier kan de dierenarts beoordelen of euthanasie gevolgd door onderzoek aangewezen is.
Wanneer Salmonella wordt aangetoond, is een antibiogram belangrijk: een onderzoek naar de gevoeligheid van de bacterie voor antibiotica. Niet alle stammen reageren hetzelfde. Bij Salmonella uit gehouden duiven is resistentie tegen verschillende antibioticagroepen vastgesteld.
Zonder diagnose en gevoeligheidsonderzoek bestaat het risico dat een behandeling onvoldoende gericht is.
Antibiotica zijn nuttig, maar lossen niet alles op
Antibiotica kunnen noodzakelijk zijn om zieke duiven te behandelen. Het verdwijnen van verschijnselen betekent echter niet automatisch dat ook de bacterie is verdwenen.
Een experimenteel onderzoek bij duiven die besmet waren met Salmonella Typhimurium PT99 onderzocht behandeling met florfenicol via het drinkwater. De behandeling verminderde de uitscheiding van bacteriën en verbeterde het uiterlijk van de mest. Toch bleven de inwendige organen sterk besmet.
De onderzoekers concludeerden dat de behandeling onder die experimentele omstandigheden kon bijdragen aan het ontstaan van dragerschap.
Dat betekent niet dat antibiotica nooit gebruikt moeten worden. Het betekent dat een behandeling zorgvuldig moet worden gekozen, op basis van een diagnose en waar mogelijk een antibiogram.
Een heel hok routinematig behandelen ‘tegen paratyfus’ zonder de bacterie te hebben vastgesteld, kan het probleem tijdelijk verhullen zonder de oorzaak weg te nemen.
Voorkomen vraagt om een aanpak voor het hele hok
De bestrijding van salmonellose berust op een samenhangende gezondheidsaanpak.
Elke nieuwe duif kan een ziekteverwekker meebrengen. Een goed uitgevoerde quarantaine geeft gelegenheid het dier te observeren en, wanneer de omstandigheden daarom vragen, onderzoek te laten uitvoeren voordat het bij de andere duiven komt.
Hygiëne moet vooral de besmettingskringloop via de mest onderbreken. Belangrijk zijn schone drink- en voerbakken, het voorkomen van mest in het voer, zorgvuldig reinigen van het hok en beheersing van ongedierte.
Knaagdieren verdienen bijzondere aandacht. Sommige aan duiven aangepaste Salmonella-stammen bleken in experimenteel onderzoek ook sterk ziekteverwekkend bij muizen.
Vaccinatie kan onderdeel zijn van een preventieprogramma. Zij vervangt echter geen hygiëne, quarantaine of diagnostisch onderzoek.
De drager zonder verschijnselen: de werkelijke uitdaging
Lang werd vooral naar de zieke duif gekeken. Voor de verspreiding kan juist een duif zonder zichtbare verschijnselen een belangrijke rol spelen.
Die duif eet, vliegt en kweekt normaal. Toch kan zij Salmonella bij zich dragen en de bacterie periodiek in de omgeving verspreiden.
Daarom is het behandelen van zichtbaar zieke dieren alleen onvoldoende. Het hele hok moet worden bekeken: de mogelijke herkomst van de infectie, omstandigheden die ziekte bevorderen, dragerschap, nieuwe duiven, omgeving en preventie.
Een besmette duif is niet noodzakelijk ziek. Een ogenschijnlijk genezen duif is niet noodzakelijk vrij van de bacterie. En een gezond uitziende duif kan toch drager zijn.
Observeren blijft belangrijk. Een diagnose stellen verdient de voorkeur boven behandelen zonder vastgestelde oorzaak. Duurzame preventie vraagt om meer dan een opeenvolging van kuren.
Vijf punten om te onthouden
Paratyfus bij duiven verwijst doorgaans naar salmonellose, vooral veroorzaakt door Salmonella Typhimurium.
Een duif zonder ziekteverschijnselen kan drager zijn en bacteriën uitscheiden.
Groene mest, vermagering, gewrichtsontstekingen, een hangende vleugel, zenuwverschijnselen en kweekproblemen kunnen aanleiding geven tot onderzoek, maar bewijzen de ziekte niet.
Bacteriologisch onderzoek, waar mogelijk met een antibiogram, vormt de basis voor een gerichte antibioticabehandeling.
Behandeling van zieke duiven moet samengaan met aandacht voor het hele hok: nieuwe aanwinsten, dragers, hygiëne, omgeving, ongedierte en preventie.
Literatuur uit het aangeleverde artikel
Santos H.M., Tsai C.Y., Catulin G.E.M. et al. (2020). Common bacterial, viral, and parasitic diseases in pigeons (Columba livia): A review of diagnostic and treatment strategies. Veterinary Microbiology, 247, 108779. DOI: 10.1016/j.vetmic.2020.108779.
Pasmans F., Baert K., Martel A. et al. (2008). Induction of the carrier state in pigeons infected with Salmonella enterica subspecies enterica serovar Typhimurium PT99 by treatment with florfenicol: a matter of pharmacokinetics. Antimicrobial Agents and Chemotherapy, 52(3), 954–961. DOI: 10.1128/AAC.00575-07.
Methner U., Lauterbach L. (2003). Studies on the detection of Salmonella Typhimurium variant Copenhagen DT2 in fancy pigeons. Deutsche Tierärztliche Wochenschrift, 110(6), 239–244.
Pasmans F. et al. (2004). Assessment of virulence of pigeon isolates of Salmonella enterica subsp. enterica serovar Typhimurium variant Copenhagen for humans.
5 / 10 / 2026
La salmonellose du pigeon : comprendre pour mieux prévenir
Dr. Emmanuel Leysens
Du porteur asymptomatique au pigeon malade : transmission de Salmonella et devenirs possibles après contamination.
Une bactérie peut être présente sans que le pigeon soit malade
La salmonellose est l’une des principales maladies bactériennes rencontrées chez le pigeon. Les colombophiles la connaissent également sous le nom de paratyphose.
Mais derrière ce nom se cache une réalité plus complexe qu’une simple maladie provoquant diarrhée, amaigrissement ou mortalité. Un pigeon peut héberger une Salmonella sans présenter le moindre signe clinique. Cette notion de porteur sain est essentielle pour comprendre comment la salmonellose peut s’installer et persister dans un colombier.
Salmonellose ou paratyphose ?
Les salmonelles constituent un groupe extrêmement vaste de bactéries présentes chez de nombreuses espèces animales. Chez le pigeon, la salmonellose est principalement associée à Salmonella enterica sérovar Typhimurium. Certaines lignées, notamment celles appartenant au variant Copenhagen, présentent une adaptation particulière au pigeon.
Des travaux expérimentaux ont montré que certaines souches de type PT99 isolées chez le pigeon provoquent chez celui-ci une infection plus importante que des souches provenant d’autres espèces animales.
Le terme traditionnel de « paratyphose » reste très utilisé en colombophilie. Le terme médical de salmonellose est plus précis puisqu’il désigne l’infection provoquée par une bactérie du genre Salmonella.
Infection ne signifie pas nécessairement maladie
Après contamination, plusieurs situations sont possibles. Le pigeon peut développer une maladie clinique, éliminer l’infection ou devenir porteur asymptomatique.
Une étude réalisée sur 585 pigeons domestiques a retrouvé Salmonella chez 5,47 % des oiseaux examinés. Toutes les souches isolées appartenaient au sérovar Typhimurium et 37,5 % des isolats provenaient de pigeons ne présentant aucun signe clinique.
La bactérie peut persister à l’intérieur de certaines cellules de défense, notamment les macrophages. Cette persistance intracellulaire contribue à expliquer l’existence de porteurs chroniques.
Un pigeon qui paraît parfaitement sain peut donc héberger la bactérie et l’excréter. Le pigeon malade est visible. Le porteur sain, lui, ne l’est pas. C’est ce qui rend la maîtrise de la salmonellose difficile dans une population de pigeons.
Comment Salmonella circule-t-elle dans le colombier ?
La voie de contamination essentielle est oro-fécale. Un pigeon infecté excrète des bactéries dans ses fientes. Celles-ci contaminent ensuite le sol, les perchoirs, les mangeoires, l’eau de boisson, les aliments ou le matériel. Un autre pigeon ingère la bactérie et le cycle recommence.
L’excrétion n’est pas nécessairement permanente : elle peut être intermittente. Un prélèvement de fientes négatif à un instant donné ne permet donc pas toujours d’exclure un portage. Dans certaines situations, des prélèvements répétés ou regroupés sur plusieurs jours sont recommandés.
Lors d’une exposition regroupant 398 pigeons, Salmonella Typhimurium variant Copenhagen a été retrouvée chez 28 oiseaux, soit environ 7 %. Les pigeons positifs provenaient de 15 colombiers différents. Certains n’étaient positifs qu’au premier prélèvement, d’autres uniquement au second.
Cela illustre la difficulté du dépistage et l’importance des introductions, transports, expositions et regroupements dans la gestion sanitaire.
Quand l’équilibre se rompt
La présence de Salmonella n’entraîne pas systématiquement une maladie. L’expression clinique dépend de l’âge, de l’état général et immunitaire du pigeon, de la souche bactérienne et probablement de la dose infectante.
Le transport, un changement d’environnement, la reproduction, une modification alimentaire, l’introduction de nouveaux oiseaux ou une autre infection peuvent favoriser l’apparition de la maladie.
Un problème peut ainsi apparaître apparemment brutalement dans un colombier jusque-là en bonne santé. Il ne faut pas seulement demander : « Comment Salmonella est-elle entrée ? », mais aussi : « Qu’est-ce qui a permis à l’infection de s’exprimer maintenant ? »
Une maladie aux multiples visages
La salmonellose ne se réduit pas à une diarrhée. Les signes digestifs fréquents comprennent diarrhée, fientes verdâtres, anorexie, amaigrissement, abattement et dégradation de l’état général.
Lorsque la bactérie franchit la barrière digestive, on peut également observer :
Des arthrites avec gonflement des articulations.
Une aile pendante et un refus ou une incapacité de voler.
Des troubles neurologiques, parfois accompagnés de torticolis.
Une atteinte générale avec amaigrissement et mortalité.
Des problèmes de reproduction, une mortalité embryonnaire ou précoce des pigeonneaux.
Des lésions viscérales, notamment hépatiques ou spléniques.
Les formes articulaires avec gonflement d’une articulation de l’aile ou d’une patte sont particulièrement évocatrices. Mais une aile pendante, une arthrite ou des fientes vertes ne suffisent pas à établir un diagnostic. D’autres maladies peuvent produire des tableaux voisins.
Suspecter n’est pas diagnostiquer
L’objectif est de mettre en évidence la bactérie. Selon la situation, les prélèvements portent sur des fientes, des écouvillons ou, lors d’une autopsie, sur des organes ou des lésions : foie, intestin, articulation, ovaire, etc.
L’autopsie d’un pigeon récemment mort ou l’euthanasie raisonnée d’un animal gravement atteint peut apporter davantage d’informations que des traitements empiriques répétés sur tout le colombier.
Lorsque la bactérie est isolée, l’antibiogramme devient particulièrement important. Toutes les Salmonella n’ont pas la même sensibilité aux antibiotiques. Des résistances à plusieurs familles ont été mises en évidence chez des souches de pigeons domestiques. Traiter sans diagnostic ni connaissance de cette sensibilité revient parfois à traiter à l’aveugle.
L’antibiotique : utile, mais pas magique
Un antibiotique peut être nécessaire pour traiter les pigeons malades. Faire disparaître les symptômes ne signifie pourtant pas nécessairement éliminer Salmonella.
Une étude expérimentale a examiné des pigeons infectés par Salmonella Typhimurium PT99 et traités au florfenicol dans l’eau de boisson. Le traitement diminuait l’excrétion bactérienne et améliorait les fientes. Pourtant, les organes internes restaient fortement colonisés. Dans ces conditions expérimentales, le traitement pouvait contribuer à l’installation d’un état de porteur.
Cela ne signifie pas qu’il ne faut jamais utiliser d’antibiotique. L’antibiothérapie doit être raisonnée, fondée sur un diagnostic et, chaque fois que possible, sur un antibiogramme.
Traiter systématiquement tout un colombier « contre la paratyphose » sans avoir identifié la bactérie peut masquer temporairement le problème sans résoudre sa cause.
Prévenir plutôt que courir après Salmonella
La lutte repose sur une stratégie sanitaire globale. Tout nouveau pigeon peut introduire un agent infectieux. Une quarantaine correctement conduite permet de l’observer et, si le contexte le justifie, de réaliser des examens avant son entrée dans l’effectif.
L’hygiène doit interrompre le cycle oro-fécal : entretien des abreuvoirs et mangeoires, limitation de la contamination des aliments par les fientes, nettoyage des installations et maîtrise des nuisibles.
Les rongeurs méritent une attention particulière : certaines souches adaptées au pigeon se sont révélées très pathogènes expérimentalement chez la souris.
La vaccination peut faire partie d’un programme de prévention. Elle ne remplace ni l’hygiène, ni la quarantaine, ni le diagnostic.
Le porteur sain : le véritable défi
Le pigeon le plus important pour la diffusion n’est pas forcément celui qui présente une aile pendante ou une arthrite spectaculaire. C’est parfois celui qui ne présente rien : il mange, vole et se reproduit normalement, mais héberge Salmonella et peut participer périodiquement à sa diffusion.
Traiter les oiseaux présentant des symptômes ne suffit donc pas. Il faut raisonner à l’échelle du colombier : origine de l’infection, facteurs favorisant son expression, identification de la bactérie, traitement lorsque nécessaire, contrôle des introductions et prévention durable.
Un pigeon infecté n’est pas nécessairement malade. Un pigeon apparemment guéri n’est pas nécessairement débarrassé de la bactérie. Un pigeon parfaitement sain en apparence peut être porteur.
Observer est indispensable. Diagnostiquer est préférable à traiter à l’aveugle. La prévention ne peut se limiter à une succession de traitements.
Cinq messages à retenir
La paratyphose désigne généralement une salmonellose, principalement liée à Salmonella Typhimurium.
Un pigeon cliniquement sain peut être porteur et excréter Salmonella.
Fientes vertes, amaigrissement, arthrites, aile pendante, troubles nerveux et problèmes de reproduction justifient une investigation, mais ne suffisent pas au diagnostic.
Une bactériologie, si possible accompagnée d’un antibiogramme, doit guider l’antibiothérapie.
Traiter les malades ne suffit pas : introductions, porteurs, hygiène, environnement, nuisibles et prévention concernent tout le colombier.
Références bibliographiques
Santos H.M., Tsai C.Y., Catulin G.E.M. et al. (2020). Common bacterial, viral, and parasitic diseases in pigeons (Columba livia): A review of diagnostic and treatment strategies. Veterinary Microbiology, 247, 108779. DOI: 10.1016/j.vetmic.2020.108779.
Pasmans F., Baert K., Martel A. et al. (2008). Induction of the carrier state in pigeons infected with Salmonella enterica subspecies enterica serovar Typhimurium PT99 by treatment with florfenicol: a matter of pharmacokinetics. Antimicrobial Agents and Chemotherapy, 52(3), 954–961. DOI: 10.1128/AAC.00575-07.
Methner U., Lauterbach L. (2003). Studies on the detection of Salmonella Typhimurium variant Copenhagen DT2 in fancy pigeons. Deutsche Tierärztliche Wochenschrift, 110(6), 239–244.
Pasmans F. et al. (2004). Assessment of virulence of pigeon isolates of Salmonella enterica subsp. enterica serovar Typhimurium variant Copenhagen for humans.
5 / 10 / 2026
Salmonellosis in pigeons: understanding it to improve prevention
Dr. Emmanuel Leysens
From an asymptomatic carrier to a sick pigeon: how Salmonella spreads and the possible outcomes of infection. The illustration is in French.
A bacterium can be present without the pigeon being ill
Salmonellosis is one of the main bacterial diseases in pigeons. Pigeon fanciers also know it as paratyphoid.
There is more to it than a disease causing diarrhoea, weight loss or death. A pigeon can carry Salmonella without showing any clinical signs. Understanding this carrier state is essential to understanding how the infection can establish itself and persist in a loft.
Salmonellosis or paratyphoid?
Salmonella is a large group of bacteria found in many animal species. In pigeons, salmonellosis is mainly associated with Salmonella enterica serovar Typhimurium. Certain lineages, including those belonging to the Copenhagen variant, are particularly adapted to pigeons.
Experimental work has shown that some PT99 strains isolated from pigeons cause more severe infection in pigeons than strains originating from other animal species.
Paratyphoid remains a familiar term among fanciers. Salmonellosis is the more precise medical term, referring to infection caused by a bacterium of the genus Salmonella.
Infection does not necessarily mean illness
After exposure, a pigeon may develop clinical disease, clear the infection or become an asymptomatic carrier.
A study of 585 domestic pigeons detected Salmonella in 5.47% of the birds examined. All isolates were Typhimurium, and 37.5% of the isolates came from pigeons showing no clinical signs.
The bacterium can persist inside certain immune cells, particularly macrophages. This intracellular persistence helps explain chronic carriage.
A pigeon that looks perfectly healthy can therefore carry and shed the bacterium. Sick birds are visible; apparently healthy carriers often are not. This makes control within a population difficult.
How does Salmonella spread in the loft?
The main route is faecal–oral. An infected pigeon sheds bacteria in its droppings, contaminating floors, perches, feeders, drinking water, food and equipment. Another pigeon ingests the bacterium and the cycle begins again.
Shedding may be intermittent. A single negative droppings sample does not always rule out carriage. Depending on the circumstances, repeated samples or pooled samples collected over several days may be needed.
At an exhibition involving 398 pigeons, Salmonella Typhimurium variant Copenhagen was found in 28 birds, approximately 7%. Positive birds came from 15 different lofts. Some tested positive only in the first sample, others only in the second.
This illustrates the limitations of a single test and the importance of introductions, transport, exhibitions and gatherings in health management.
When the balance is disturbed
The presence of Salmonella does not automatically cause disease. Clinical expression depends on age, general condition and immunity, the bacterial strain and probably the infectious dose.
Transport, a change of environment, breeding, dietary changes, new birds or another infection can contribute to the appearance of disease.
A problem can therefore appear suddenly in a previously healthy-looking loft. The question is not only “How did Salmonella get in?” but also “What allowed the infection to cause illness now?”
A disease with many faces
Salmonellosis is more than diarrhoea. Common signs include diarrhoea, greenish droppings, loss of appetite, weight loss, lethargy and deteriorating condition.
If the bacterium crosses the intestinal barrier and spreads through the body, other signs may occur:
Arthritis and swollen joints.
A drooping wing and reluctance or inability to fly.
Neurological signs, sometimes with a twisted neck.
Severe systemic disease and death.
Breeding problems, embryo death or early death of squabs.
Organ damage, including lesions in the liver or spleen.
A swollen wing or leg joint is particularly suggestive in pigeons. However, a drooping wing, arthritis or green droppings alone does not establish a diagnosis. Other diseases can cause similar signs.
Suspicion is not a diagnosis
The aim is to demonstrate the bacterium. Depending on the circumstances, samples may include droppings, swabs or, at post-mortem examination, organs and affected tissues such as the liver, intestine, joint or ovary.
Examining a recently dead pigeon can provide more information than repeatedly treating the whole loft without an identified cause. A veterinarian may assess whether euthanasia followed by examination is appropriate for a severely affected bird.
Once Salmonella is isolated, antimicrobial susceptibility testing is important. Different strains do not respond equally to antibiotics. Resistance to several antimicrobial groups has been found in isolates from domestic pigeons.
Without diagnosis and susceptibility testing, treatment may be poorly targeted.
Antibiotics are useful, but do not solve everything
Antibiotics may be necessary to treat sick pigeons. The disappearance of symptoms does not automatically mean the bacterium has been eliminated.
An experimental study examined pigeons infected with Salmonella Typhimurium PT99 and treated with florfenicol in drinking water. Treatment reduced bacterial shedding and improved the appearance of droppings. Internal organs nevertheless remained heavily colonised. Under those experimental conditions, treatment could contribute to the establishment of a carrier state.
This does not mean antibiotics should never be used. Treatment should be carefully chosen, based on a diagnosis and, whenever possible, susceptibility testing.
Routinely treating an entire loft “against paratyphoid” without identifying the bacterium can temporarily conceal the problem without resolving its cause.
Prevention requires a whole-loft approach
Control depends on a coordinated health strategy. Every new pigeon may introduce an infectious agent. Proper quarantine allows observation and, when appropriate, examinations before the bird joins the flock.
Hygiene should interrupt the faecal–oral cycle: clean drinkers and feeders, prevent droppings from contaminating food, clean facilities carefully and control pests.
Rodents deserve particular attention. Some pigeon-adapted Salmonella strains have proved highly pathogenic to mice in experimental studies.
Vaccination may form part of a prevention programme. It does not replace hygiene, quarantine or diagnostic investigation.
The apparently healthy carrier: the real challenge
The bird most important to spread may have no visible signs. It eats, flies and breeds normally, yet carries Salmonella and may periodically shed it into the environment.
Treating visibly sick birds alone is therefore insufficient. The entire loft must be considered: the origin of infection, conditions favouring disease, bacterial identification, treatment when necessary, new introductions, carriers, environment and prevention.
An infected pigeon is not necessarily ill. An apparently recovered pigeon is not necessarily free of bacteria. A healthy-looking pigeon can still be a carrier.
Observation remains important. Diagnosis is preferable to treatment without an established cause. Lasting prevention requires more than a succession of courses of medication.
Five points to remember
Paratyphoid in pigeons generally refers to salmonellosis, mainly associated with Salmonella Typhimurium.
A pigeon without clinical signs can carry and shed the bacterium.
Green droppings, weight loss, arthritis, a drooping wing, neurological signs and breeding problems warrant investigation but do not prove the disease.
Bacteriological testing, with susceptibility testing where possible, should guide antibiotic treatment.
Treatment must be accompanied by attention to the whole loft: introductions, carriers, hygiene, environment, pests and prevention.
References supplied with the article
Santos H.M., Tsai C.Y., Catulin G.E.M. et al. (2020). Common bacterial, viral, and parasitic diseases in pigeons (Columba livia): A review of diagnostic and treatment strategies. Veterinary Microbiology, 247, 108779. DOI: 10.1016/j.vetmic.2020.108779.
Pasmans F., Baert K., Martel A. et al. (2008). Induction of the carrier state in pigeons infected with Salmonella enterica subspecies enterica serovar Typhimurium PT99 by treatment with florfenicol: a matter of pharmacokinetics. Antimicrobial Agents and Chemotherapy, 52(3), 954–961. DOI: 10.1128/AAC.00575-07.
Methner U., Lauterbach L. (2003). Studies on the detection of Salmonella Typhimurium variant Copenhagen DT2 in fancy pigeons. Deutsche Tierärztliche Wochenschrift, 110(6), 239–244.
Pasmans F. et al. (2004). Assessment of virulence of pigeon isolates of Salmonella enterica subsp. enterica serovar Typhimurium variant Copenhagen for humans.
5 / 10 / 2026
Salmonellose bei Tauben: verstehen, um besser vorzubeugen
Dr. Emmanuel Leysens
Vom symptomlosen Träger zur kranken Taube: Verbreitung von Salmonella und mögliche Folgen einer Infektion. Die Abbildung ist auf Französisch.
Ein Bakterium kann vorhanden sein, ohne dass die Taube krank ist
Salmonellose gehört zu den wichtigsten bakteriellen Erkrankungen bei Tauben. Taubenzüchter kennen sie auch als Paratyphus.
Dahinter steckt mehr als eine Krankheit, die Durchfall, Abmagerung oder Tod verursacht. Eine Taube kann Salmonella tragen, ohne klinische Symptome zu zeigen. Dieser Trägerzustand erklärt, wie sich die Infektion in einem Schlag festsetzen und dauerhaft bestehen kann.
Salmonellose oder Paratyphus?
Salmonellen bilden eine große Bakteriengruppe, die bei vielen Tierarten vorkommt. Bei Tauben wird Salmonellose hauptsächlich mit Salmonella enterica Serovar Typhimurium in Verbindung gebracht. Bestimmte Linien, darunter die Variante Copenhagen, sind besonders an Tauben angepasst.
Experimentelle Untersuchungen zeigten, dass bestimmte aus Tauben isolierte PT99-Stämme bei Tauben stärkere Infektionen verursachen als Stämme anderer Tierarten.
Paratyphus bleibt ein gebräuchlicher Begriff im Taubensport. Salmonellose ist die präzisere medizinische Bezeichnung für eine Infektion mit Bakterien der Gattung Salmonella.
Infektion bedeutet nicht unbedingt Krankheit
Nach einer Ansteckung kann die Taube klinisch erkranken, die Infektion überwinden oder zum symptomlosen Träger werden.
Bei einer Untersuchung von 585 Haustauben wurde Salmonella bei 5,47 Prozent nachgewiesen. Alle Isolate gehörten zu Typhimurium; 37,5 Prozent der Isolate stammten von Tauben ohne klinische Symptome.
Das Bakterium kann in bestimmten Abwehrzellen, insbesondere Makrophagen, überleben. Diese intrazelluläre Persistenz hilft, chronisches Trägertum zu erklären.
Eine völlig gesund wirkende Taube kann somit Bakterien tragen und ausscheiden. Kranke Tiere fallen auf; symptomlose Träger häufig nicht. Das erschwert die Kontrolle im Bestand.
Wie verbreitet sich Salmonella im Schlag?
Der wichtigste Übertragungsweg ist fäkal-oral. Infizierte Tauben scheiden Bakterien mit dem Kot aus. Dieser verunreinigt Böden, Sitzplätze, Futtertröge, Trinkwasser, Futter und Geräte. Eine andere Taube nimmt die Bakterien auf, und der Kreislauf beginnt erneut.
Die Ausscheidung kann zeitweise erfolgen. Eine einzelne negative Kotprobe schließt einen Trägerzustand nicht immer aus. Je nach Situation sind wiederholte Untersuchungen oder Sammelproben über mehrere Tage erforderlich.
Bei einer Ausstellung mit 398 Tauben wurde Salmonella Typhimurium Variante Copenhagen bei 28 Tieren nachgewiesen, also bei etwa sieben Prozent. Die positiven Tiere kamen aus 15 verschiedenen Schlägen. Manche waren nur bei der ersten, andere nur bei der zweiten Probe positiv.
Das verdeutlicht die Grenzen einmaliger Untersuchungen und die Bedeutung von Neuzugängen, Transporten, Ausstellungen und Zusammenkünften für das Gesundheitsmanagement.
Wenn das Gleichgewicht gestört wird
Das Vorhandensein von Salmonella führt nicht automatisch zur Erkrankung. Alter, Allgemeinzustand, Immunabwehr, Bakterienstamm und wahrscheinlich auch die aufgenommene Bakterienmenge beeinflussen den Verlauf.
Transport, ein Umgebungswechsel, Zucht, Futterumstellungen, neue Tiere oder eine zusätzliche Infektion können den Ausbruch begünstigen.
Ein Problem kann deshalb scheinbar plötzlich in einem zuvor gesund wirkenden Schlag auftreten. Neben „Wie kam Salmonella hinein?“ muss man fragen: „Was ermöglicht der Infektion, gerade jetzt zur Krankheit zu führen?“
Eine Krankheit mit vielen Gesichtern
Salmonellose ist mehr als Durchfall. Häufige Symptome sind Durchfall, grünlicher Kot, Appetitverlust, Abmagerung, Mattigkeit und ein schlechter werdender Allgemeinzustand.
Gelangen die Bakterien aus dem Darm in den Körper, können weitere Probleme auftreten:
Gelenkentzündungen mit geschwollenen Gelenken.
Ein hängender Flügel und fehlende Flugbereitschaft oder Flugunfähigkeit.
Neurologische Symptome, manchmal mit verdrehtem Hals.
Schwere Allgemeinerkrankung und Tod.
Zuchtprobleme, abgestorbene Embryonen oder frühe Todesfälle bei Jungtauben.
Organschäden, insbesondere an Leber oder Milz.
Ein geschwollenes Flügel- oder Beingelenk ist bei Tauben besonders verdächtig. Ein hängender Flügel, eine Gelenkentzündung oder grüner Kot allein beweist jedoch keine Salmonellose. Andere Krankheiten können ähnliche Symptome verursachen.
Ein Verdacht ist noch keine Diagnose
Ziel ist der Nachweis der Bakterien. Je nach Situation werden Kotproben, Abstriche oder bei einer Sektion Organe und betroffenes Gewebe untersucht, etwa Darm, Leber, Gelenk oder Eierstock.
Die Untersuchung einer frisch verstorbenen Taube kann mehr Informationen liefern als wiederholte Behandlungen des ganzen Schlags ohne festgestellte Ursache. Bei einem schwer erkrankten Tier kann der Tierarzt beurteilen, ob eine Euthanasie mit anschließender Untersuchung angezeigt ist.
Nach dem Nachweis von Salmonella ist ein Antibiogramm wichtig: die Prüfung der Empfindlichkeit gegenüber Antibiotika. Stämme reagieren unterschiedlich. Bei Isolaten aus Haustauben wurden Resistenzen gegen mehrere Wirkstoffgruppen festgestellt.
Ohne Diagnose und Empfindlichkeitsprüfung kann die Behandlung unzureichend gezielt sein.
Antibiotika sind hilfreich, lösen aber nicht alles
Antibiotika können zur Behandlung kranker Tauben notwendig sein. Das Verschwinden der Symptome bedeutet nicht automatisch, dass auch die Bakterien verschwunden sind.
In einer experimentellen Studie wurden mit Salmonella Typhimurium PT99 infizierte Tauben mit Florfenicol im Trinkwasser behandelt. Die Bakterienausscheidung nahm ab und der Kot sah besser aus. Dennoch blieben die inneren Organe stark besiedelt. Unter diesen Versuchsbedingungen konnte die Behandlung zur Entstehung eines Trägerzustands beitragen.
Das bedeutet nicht, dass Antibiotika grundsätzlich vermieden werden müssen. Die Behandlung sollte auf einer Diagnose und möglichst einem Antibiogramm beruhen.
Eine routinemäßige Behandlung des ganzen Schlags „gegen Paratyphus“ ohne Bakteriennachweis kann das Problem vorübergehend verdecken, ohne seine Ursache zu beheben.
Vorbeugung betrifft den ganzen Schlag
Die Bekämpfung erfordert ein abgestimmtes Gesundheitskonzept. Jede neue Taube kann einen Erreger einschleppen. Eine richtig durchgeführte Quarantäne ermöglicht Beobachtung und bei Bedarf Untersuchungen vor der Aufnahme in den Bestand.
Hygiene soll den fäkal-oralen Kreislauf unterbrechen: saubere Tränken und Futtertröge, kein Kot im Futter, sorgfältige Reinigung und Schädlingskontrolle.
Nagetiere verdienen besondere Aufmerksamkeit. Einige an Tauben angepasste Salmonella-Stämme erwiesen sich im Versuch auch für Mäuse als stark krankmachend.
Eine Impfung kann Teil eines Vorbeugungsprogramms sein. Sie ersetzt weder Hygiene noch Quarantäne oder Diagnostik.
Der symptomlose Träger: die eigentliche Herausforderung
Für die Verbreitung kann gerade die Taube ohne erkennbare Symptome wichtig sein. Sie frisst, fliegt und züchtet normal, trägt aber Salmonella und kann die Bakterien zeitweise in die Umgebung ausscheiden.
Nur sichtbar kranke Tiere zu behandeln, reicht daher nicht aus. Zu berücksichtigen sind der gesamte Schlag, die Herkunft der Infektion, begünstigende Faktoren, der Erregernachweis, erforderliche Behandlung, Neuzugänge, Träger und die Umgebung.
Eine infizierte Taube ist nicht unbedingt krank. Eine scheinbar genesene Taube ist nicht unbedingt bakterienfrei. Eine gesund wirkende Taube kann trotzdem Träger sein.
Beobachtung bleibt wichtig. Eine Diagnose ist einer Behandlung ohne festgestellte Ursache vorzuziehen. Dauerhafte Vorbeugung braucht mehr als eine Folge von Medikamentenkuren.
Fünf Punkte zum Merken
Paratyphus bei Tauben bezeichnet meist eine Salmonellose, vor allem durch Salmonella Typhimurium.
Eine symptomlose Taube kann Träger sein und Bakterien ausscheiden.
Grüner Kot, Abmagerung, Gelenkentzündungen, hängende Flügel, neurologische Symptome und Zuchtprobleme erfordern Abklärung, beweisen aber die Krankheit nicht.
Bakteriologische Untersuchung und möglichst ein Antibiogramm sollten die Antibiotikabehandlung leiten.
Die Behandlung muss mit Maßnahmen für den ganzen Schlag verbunden werden: Neuzugänge, Träger, Hygiene, Umgebung, Schädlinge und Vorbeugung.
Literaturangaben des Originalartikels
Santos H.M., Tsai C.Y., Catulin G.E.M. et al. (2020). Common bacterial, viral, and parasitic diseases in pigeons (Columba livia): A review of diagnostic and treatment strategies. Veterinary Microbiology, 247, 108779. DOI: 10.1016/j.vetmic.2020.108779.
Pasmans F., Baert K., Martel A. et al. (2008). Induction of the carrier state in pigeons infected with Salmonella enterica subspecies enterica serovar Typhimurium PT99 by treatment with florfenicol: a matter of pharmacokinetics. Antimicrobial Agents and Chemotherapy, 52(3), 954–961. DOI: 10.1128/AAC.00575-07.
Methner U., Lauterbach L. (2003). Studies on the detection of Salmonella Typhimurium variant Copenhagen DT2 in fancy pigeons. Deutsche Tierärztliche Wochenschrift, 110(6), 239–244.
Pasmans F. et al. (2004). Assessment of virulence of pigeon isolates of Salmonella enterica subsp. enterica serovar Typhimurium variant Copenhagen for humans.
5 / 10 / 2026
Salmonelosis en la paloma: comprender para prevenir mejor
Dr. Emmanuel Leysens
Del portador asintomático a la paloma enferma: transmisión de Salmonella y posibles consecuencias de la infección. La ilustración está en francés.
Una bacteria puede estar presente sin que la paloma esté enferma
La salmonelosis es una de las principales enfermedades bacterianas de las palomas. Los colombófilos también la conocen como paratifosis.
Es más que una enfermedad que causa diarrea, adelgazamiento o muerte. Una paloma puede albergar Salmonella sin mostrar ningún signo clínico. Este estado de portador es esencial para comprender cómo la infección puede instalarse y persistir en un palomar.
¿Salmonelosis o paratifosis?
Salmonella constituye un grupo muy amplio de bacterias presentes en numerosas especies animales. En las palomas, la salmonelosis se asocia principalmente a Salmonella enterica serovar Typhimurium. Ciertos linajes, incluidos los de la variante Copenhagen, están especialmente adaptados a la paloma.
Los estudios experimentales han mostrado que determinadas cepas PT99 aisladas de palomas producen en ellas una infección más importante que cepas procedentes de otras especies.
Paratifosis sigue siendo un término habitual en colombofilia. Salmonelosis es el término médico más preciso: designa una infección causada por una bacteria del género Salmonella.
Estar infectada no significa necesariamente estar enferma
Tras el contagio, una paloma puede desarrollar enfermedad clínica, eliminar la infección o convertirse en portadora asintomática.
Un estudio de 585 palomas domésticas detectó Salmonella en el 5,47 % de las aves. Todos los aislamientos pertenecían a Typhimurium; el 37,5 % de los aislamientos procedían de palomas sin signos clínicos.
La bacteria puede persistir dentro de ciertas células defensivas, especialmente los macrófagos. Esta persistencia intracelular ayuda a explicar el estado de portador crónico.
Una paloma aparentemente sana puede, por tanto, albergar y eliminar la bacteria. El ave enferma llama la atención; la portadora sin síntomas suele pasar inadvertida. Esto dificulta el control en una población de palomas.
¿Cómo circula Salmonella en el palomar?
La vía principal es fecal-oral. Una paloma infectada elimina bacterias en las heces, que contaminan suelos, posaderos, comederos, agua, alimentos y material. Otra paloma ingiere la bacteria y el ciclo se repite.
La eliminación puede ser intermitente. Una única muestra de heces negativa no siempre descarta que el ave sea portadora. Según la situación, pueden ser necesarias muestras repetidas o muestras agrupadas durante varios días.
En una exposición de 398 palomas se detectó Salmonella Typhimurium variante Copenhagen en 28 aves, aproximadamente el 7 %. Procedían de 15 palomares. Algunas fueron positivas solo en la primera muestra y otras únicamente en la segunda.
Esto ilustra las limitaciones de una sola prueba y la importancia sanitaria de las incorporaciones, transportes, exposiciones y concentraciones.
Cuando se rompe el equilibrio
La presencia de Salmonella no causa automáticamente enfermedad. Influyen la edad, el estado general e inmunitario, la cepa bacteriana y probablemente la cantidad de bacterias ingeridas.
El transporte, un cambio de entorno, la reproducción, cambios alimentarios, nuevas aves u otra infección pueden favorecer la aparición de síntomas.
Así, un problema puede surgir aparentemente de repente en un palomar que parecía sano. No basta con preguntar «¿Cómo entró Salmonella?». También hay que preguntar «¿Qué ha permitido que la infección se manifieste ahora?».
Una enfermedad con muchas caras
La salmonelosis no se limita a la diarrea. Son frecuentes las heces verdosas, la falta de apetito, el adelgazamiento, el abatimiento y el deterioro general.
Cuando la bacteria atraviesa la barrera intestinal y se disemina por el organismo, pueden aparecer:
Artritis e hinchazón de las articulaciones.
Un ala caída y rechazo o incapacidad para volar.
Signos neurológicos, a veces con tortícolis.
Enfermedad general grave y muerte.
Problemas reproductivos, mortalidad embrionaria o muerte temprana de los pichones.
Lesiones orgánicas, especialmente en hígado o bazo.
La hinchazón de una articulación del ala o de la pata resulta especialmente sugestiva. Sin embargo, un ala caída, artritis o heces verdes por sí solas no confirman salmonelosis. Otras enfermedades pueden producir signos similares.
Sospechar no es diagnosticar
El objetivo es demostrar la presencia de la bacteria. Según el caso, se analizan heces, hisopos o, durante una necropsia, órganos y tejidos afectados: intestino, hígado, articulaciones, ovarios, etc.
Examinar una paloma recién fallecida puede aportar más información que tratar repetidamente todo el palomar sin una causa identificada. En un ave gravemente afectada, el veterinario puede valorar si procede una eutanasia seguida de investigación.
Tras aislar Salmonella, el antibiograma es importante: determina la sensibilidad a los antibióticos. Las cepas no responden todas igual. Se han detectado resistencias a varios grupos de antimicrobianos en aislamientos de palomas domésticas.
Sin diagnóstico ni estudio de sensibilidad, el tratamiento puede estar mal dirigido.
Los antibióticos ayudan, pero no lo resuelven todo
Los antibióticos pueden ser necesarios para tratar aves enfermas. La desaparición de los síntomas no significa automáticamente que la bacteria haya sido eliminada.
Un estudio experimental examinó palomas infectadas por Salmonella Typhimurium PT99 y tratadas con florfenicol en el agua. El tratamiento redujo la eliminación bacteriana y mejoró el aspecto de las heces. Sin embargo, los órganos internos seguían intensamente colonizados. En esas condiciones experimentales, el tratamiento podía contribuir al establecimiento de un estado de portador.
Esto no significa que nunca deban utilizarse antibióticos. Deben elegirse de forma razonada, a partir de un diagnóstico y, siempre que sea posible, un antibiograma.
Tratar rutinariamente todo el palomar «contra la paratifosis» sin identificar la bacteria puede ocultar temporalmente el problema sin resolver su causa.
La prevención requiere una estrategia para todo el palomar
El control exige una estrategia sanitaria coordinada. Cada nueva paloma puede introducir un agente infeccioso. Una cuarentena bien realizada permite observarla y, cuando proceda, examinarla antes de incorporarla al grupo.
La higiene debe interrumpir el ciclo fecal-oral: bebederos y comederos limpios, evitar heces en los alimentos, limpieza cuidadosa de las instalaciones y control de plagas.
Los roedores merecen especial atención. Algunas cepas adaptadas a palomas resultaron muy patógenas para ratones en estudios experimentales.
La vacunación puede formar parte de un programa preventivo. No sustituye la higiene, la cuarentena ni el diagnóstico.
El portador sin síntomas: el verdadero desafío
El ave más importante para la difusión puede no mostrar ningún síntoma. Come, vuela y se reproduce normalmente, pero alberga Salmonella y puede eliminarla periódicamente al entorno.
Por eso no basta con tratar solo las aves visiblemente enfermas. Hay que considerar todo el palomar: origen de la infección, factores favorecedores, identificación bacteriana, tratamiento necesario, nuevas incorporaciones, portadores, entorno y prevención.
Una paloma infectada no está necesariamente enferma. Una paloma aparentemente recuperada no está necesariamente libre de bacterias. Una paloma de aspecto sano puede seguir siendo portadora.
Observar es importante. Diagnosticar es preferible a tratar sin causa establecida. Una prevención duradera requiere más que una sucesión de tratamientos.
Cinco puntos para recordar
La paratifosis en palomas suele referirse a salmonelosis, principalmente asociada a Salmonella Typhimurium.
Una paloma sin signos clínicos puede ser portadora y eliminar bacterias.
Heces verdes, adelgazamiento, artritis, ala caída, signos neurológicos y problemas reproductivos justifican investigación, pero no prueban la enfermedad.
La bacteriología, con antibiograma cuando sea posible, debe orientar el tratamiento antibiótico.
El tratamiento debe acompañarse de medidas para todo el palomar: incorporaciones, portadores, higiene, entorno, plagas y prevención.
Referencias del artículo original
Santos H.M., Tsai C.Y., Catulin G.E.M. et al. (2020). Common bacterial, viral, and parasitic diseases in pigeons (Columba livia): A review of diagnostic and treatment strategies. Veterinary Microbiology, 247, 108779. DOI: 10.1016/j.vetmic.2020.108779.
Pasmans F., Baert K., Martel A. et al. (2008). Induction of the carrier state in pigeons infected with Salmonella enterica subspecies enterica serovar Typhimurium PT99 by treatment with florfenicol: a matter of pharmacokinetics. Antimicrobial Agents and Chemotherapy, 52(3), 954–961. DOI: 10.1128/AAC.00575-07.
Methner U., Lauterbach L. (2003). Studies on the detection of Salmonella Typhimurium variant Copenhagen DT2 in fancy pigeons. Deutsche Tierärztliche Wochenschrift, 110(6), 239–244.
Pasmans F. et al. (2004). Assessment of virulence of pigeon isolates of Salmonella enterica subsp. enterica serovar Typhimurium variant Copenhagen for humans.
Verzorging
september 2026
Medicijnen voor duiven steeds strenger gereguleerd in Europa
Diergeneesmiddelen worden niet volledig verboden, maar de regels voor het voorschrijven, leveren en gebruiken ervan worden strenger. Vooral antibiotica en andere antimicrobiële middelen staan onder scherp toezicht.
De basis hiervoor is de Europese Verordening 2019/6 betreffende diergeneesmiddelen. Deze regelgeving is sinds 28 januari 2022 van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie. De belangrijkste doelstellingen zijn het tegengaan van medicijnresistentie, het beschermen van de volksgezondheid en het bevorderen van verantwoord medicijngebruik bij dieren.
Waarom worden de regels aangescherpt?
Wanneer antibiotica te vaak, verkeerd of zonder duidelijke diagnose worden gebruikt, kunnen bacteriën ongevoelig worden voor deze middelen. Daardoor worden infecties bij zowel dieren als mensen steeds moeilijker te behandelen. Dit probleem, antibioticaresistentie genoemd, stopt niet bij landsgrenzen. Daarom probeert Europa het routinematige en preventieve gebruik van antibiotica sterk terug te dringen.
Ook binnen de duivensport kwamen behandelingen zonder voorafgaand onderzoek jarenlang regelmatig voor. Een kuur tegen luchtweginfecties, paratyfus of andere mogelijke aandoeningen werd soms preventief aan de hele kolonie verstrekt. Precies dit automatische behandelen ‘voor alle zekerheid’ past niet meer binnen de nieuwe Europese benadering.
Eerst onderzoeken, dan behandelen
De dierenarts krijgt een steeds belangrijkere rol. Een recept mag in beginsel pas worden uitgeschreven nadat de dierenarts de duif of de groep duiven klinisch heeft onderzocht, of nadat op een andere verantwoorde manier een beoordeling van de gezondheidstoestand heeft plaatsgevonden.
Voor het voorschrijven van antimicrobiële middelen aan een groep dieren moet een duidelijke veterinaire rechtvaardiging bestaan. De voorgeschreven hoeveelheid moet bovendien beperkt blijven tot wat voor de betreffende behandeling noodzakelijk is. Een recept voor een antimicrobieel middel is volgens de Europese regels slechts vijf dagen geldig. Dat betekent niet dat de behandeling maar vijf dagen mag duren, maar dat het geneesmiddel binnen die termijn op basis van het recept moet worden geleverd.
Preventief behandelen wordt een uitzondering
Antimicrobiële middelen mogen niet meer routinematig worden gebruikt. Ook mogen zij niet dienen als compensatie voor slechte hygiëne, onvoldoende verzorging of gebrekkige huisvesting. Preventief gebruik is alleen nog toegestaan in uitzonderlijke situaties, wanneer het besmettingsrisico zeer groot is en de mogelijke gevolgen ernstig zijn. Voor antibiotica geldt daarbij een nog strengere beperking: preventieve toepassing behoort in principe beperkt te blijven tot één individueel dier.
Het behandelen van een hele groep nadat bij een deel daarvan een infectie is vastgesteld — de zogenoemde metafylactische behandeling — blijft mogelijk, maar alleen wanneer de kans op verspreiding groot is, de infectie door een dierenarts is vastgesteld, geen geschikte alternatieven beschikbaar zijn en de dierenarts de behandeling kan motiveren.
Wat betekent dit voor de duivenliefhebber?
De tijd waarin een liefhebber zonder onderzoek bij een handelaar of via internet een willekeurig geneesmiddel kon bestellen, loopt ten einde. Steeds meer middelen zijn uitsluitend op recept verkrijgbaar. Apothekers, dierenartsen en leveranciers worden strenger gecontroleerd en moeten de herkomst, aflevering en bestemming van bepaalde medicijnen kunnen verantwoorden.
De precieze wijze van aflevering kan per lidstaat verschillen. Europese regels vormen de gemeenschappelijke basis, maar Frankrijk, Nederland, België en andere landen mogen aanvullende nationale voorwaarden stellen.
Onderhoud tijdig contact met een gespecialiseerde dierenarts.
Laat bij ziekteverschijnselen eerst onderzoek uitvoeren.
Laat zo mogelijk mest-, keel- of ander laboratoriumonderzoek doen.
Gebruik medicijnen uitsluitend volgens voorschrift en pas dosering of behandelingsduur niet zelf aan.
Gebruik restanten van eerdere kuren niet opnieuw zonder overleg en neem geen medicijnen van andere liefhebbers over.
Voer ongebruikte geneesmiddelen op verantwoorde wijze af.
Blijven medicijnen voor duiven beschikbaar?
Ja. Wanneer een duif ziek is, moet zij behandeld kunnen worden. De Europese regelgeving erkent nadrukkelijk dat voldoende en werkzame diergeneesmiddelen noodzakelijk blijven voor de gezondheid en het welzijn van dieren.
Wanneer geen geschikt middel beschikbaar is dat speciaal voor duiven is toegelaten, kan een dierenarts onder bepaalde voorwaarden een ander diergeneesmiddel voorschrijven. In uitzonderlijke gevallen kan zelfs een geneesmiddel voor menselijk gebruik worden ingezet. Dit gebeurt uitsluitend onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de dierenarts. Deze uitzonderingsmogelijkheid wordt ook wel de ‘cascade’ genoemd.
Vaccins, middelen tegen parasieten en ondersteunende producten verdwijnen dus niet automatisch. Per product moet worden bekeken of het een receptplichtig diergeneesmiddel, een vrij verkrijgbaar middel, een voedingssupplement of een ontsmettingsmiddel betreft.
Gevolgen voor de duivensport
De strengere regels vragen om een andere manier van denken: niet langer eerst behandelen en daarna kijken of het helpt, maar eerst vaststellen wat er werkelijk aan de hand is. Daardoor worden begeleiding door een deskundige dierenarts en gericht laboratoriumonderzoek steeds belangrijker.
Tegelijkertijd komt de nadruk sterker te liggen op een droog en goed geventileerd hok, regelmatige reiniging, verantwoord gebruik van drinkpotten en voerbakken, quarantaine voor nieuw aangekochte duiven, tijdige vaccinatie, beperking van besmettingsrisico’s tijdens transport en inkorving en selectie op natuurlijke gezondheid en weerstand.
De Europese regelgeving betekent niet het einde van medicijnen voor postduiven. Wat langzaam verdwijnt, is de mogelijkheid om zonder diagnose, zonder recept en zonder veterinaire begeleiding complete hokken routinematig medicijnen toe te dienen. De toekomst ligt in beter onderzoeken, gerichter behandelen en vooral meer voorkomen.
Meer weten? Klik op de bronvermeldingen bij dit artikel.
Les médicaments pour pigeons de plus en plus strictement réglementés en Europe
Les médicaments vétérinaires ne sont pas totalement interdits, mais leur prescription, leur délivrance et leur utilisation sont davantage encadrées. Les antibiotiques et autres antimicrobiens font l’objet d’une surveillance particulière.
Le règlement européen 2019/6 relatif aux médicaments vétérinaires en constitue la base. Applicable dans tous les États membres depuis le 28 janvier 2022, il vise notamment à lutter contre les résistances, à protéger la santé publique et à promouvoir une utilisation responsable des médicaments chez les animaux.
Pourquoi les règles sont-elles renforcées ?
Lorsque les antibiotiques sont utilisés trop souvent, incorrectement ou sans diagnostic précis, les bactéries peuvent devenir résistantes. Les infections sont alors plus difficiles à traiter, chez l’animal comme chez l’être humain. C’est pourquoi l’Europe cherche à réduire fortement l’usage routinier et préventif des antibiotiques.
En colombophilie aussi, des traitements étaient parfois administrés à toute la colonie « par précaution », sans examen préalable. Cette manière automatique de traiter ne correspond plus à l’approche européenne actuelle.
Examiner d’abord, traiter ensuite
Le vétérinaire occupe une place de plus en plus importante. Une ordonnance doit en principe être établie après un examen clinique du pigeon ou du groupe, ou après une autre évaluation appropriée de son état de santé. La prescription d’antimicrobiens à un groupe doit être justifiée et la quantité prescrite limitée aux besoins du traitement.
Une ordonnance d’antimicrobiens n’est valable que cinq jours. Cela ne signifie pas que le traitement ne peut durer que cinq jours, mais que le médicament doit être délivré sur la base de l’ordonnance pendant ce délai.
Le traitement préventif devient exceptionnel
Les antimicrobiens ne peuvent plus être utilisés de façon routinière ni pour compenser une mauvaise hygiène, des soins insuffisants ou un logement inadapté. L’usage préventif n’est autorisé que dans des situations exceptionnelles où le risque d’infection est très élevé et les conséquences potentiellement graves. Pour les antibiotiques, la prévention doit en principe rester limitée à un seul animal.
Le traitement d’un groupe lorsqu’une infection a été diagnostiquée chez une partie de celui-ci — la métaphylaxie — reste possible lorsque le risque de propagation est élevé, qu’aucune solution adaptée n’existe et que le vétérinaire peut justifier son choix.
Qu’est-ce que cela signifie pour le colombophile ?
Il devient de plus en plus difficile d’obtenir un médicament au hasard, sans examen, auprès d’un commerçant ou sur internet. Davantage de produits sont soumis à ordonnance. Pharmaciens, vétérinaires et fournisseurs doivent pouvoir justifier l’origine, la délivrance et la destination de certains médicaments. Les modalités précises peuvent varier selon les pays, qui peuvent ajouter des règles nationales.
Maintenez un contact régulier avec un vétérinaire compétent en colombophilie.
Faites examiner les pigeons avant de commencer un traitement.
Demandez si possible une analyse des fientes, de la gorge ou un autre examen de laboratoire.
Respectez l’ordonnance, la dose et la durée du traitement.
Ne réutilisez pas d’anciens médicaments sans avis et n’échangez pas de traitements entre amateurs.
Éliminez correctement les médicaments inutilisés.
Les médicaments resteront-ils disponibles ?
Oui. Un pigeon malade doit pouvoir être soigné. Lorsqu’aucun médicament adapté n’est autorisé spécifiquement pour le pigeon, le vétérinaire peut, sous certaines conditions et sous sa responsabilité personnelle, prescrire un autre médicament vétérinaire et exceptionnellement un médicament humain. Ce dispositif est appelé la « cascade ».
Les vaccins, antiparasitaires et produits de soutien ne disparaissent donc pas automatiquement. Il faut déterminer pour chaque produit s’il s’agit d’un médicament sur ordonnance, d’un produit en vente libre, d’un complément alimentaire ou d’un désinfectant.
Conséquences pour la colombophilie
Les nouvelles règles imposent une autre manière de penser : établir d’abord ce qui ne va pas, puis traiter de façon ciblée. L’accompagnement vétérinaire et les analyses de laboratoire deviennent plus importants. La prévention repose davantage sur un colombier sec et bien ventilé, l’hygiène, la quarantaine, la vaccination, la maîtrise des contaminations pendant le transport et l’enlogement, ainsi que la sélection sur la santé naturelle.
La réglementation européenne ne signifie pas la fin des médicaments pour pigeons voyageurs. Elle met progressivement fin aux traitements routiniers de colonies entières sans diagnostic, sans ordonnance et sans accompagnement vétérinaire. L’avenir réside dans de meilleurs examens, des traitements plus ciblés et davantage de prévention.
Pour en savoir plus, cliquez sur les liens des sources de cet article.
Pigeon medicines increasingly restricted across Europe
Veterinary medicines are not being banned outright, but stricter rules govern how they are prescribed, supplied and used. Antibiotics and other antimicrobials are under particular scrutiny.
The legal basis is European Regulation 2019/6 on veterinary medicinal products. It has applied throughout the European Union since 28 January 2022 and aims to combat resistance, protect public health and promote responsible medicine use in animals.
Why are the rules becoming stricter?
When antibiotics are used too often, incorrectly or without a clear diagnosis, bacteria can become resistant. Infections then become harder to treat in both animals and people. Europe is therefore working to reduce routine and preventive antibiotic use.
In pigeon racing, entire lofts were sometimes treated “just in case” without prior examination. This automatic approach no longer fits the current European policy.
Examine first, treat second
The veterinarian’s role is becoming more important. A prescription should generally follow a clinical examination of the pigeon or group, or another proper assessment of its health. Prescribing antimicrobials to a group requires veterinary justification, and the amount supplied must be limited to what the treatment requires.
An antimicrobial prescription is valid for only five days. This does not mean that treatment may last only five days; it means the medicine must be supplied against that prescription within the five-day period.
Preventive treatment becomes exceptional
Antimicrobials may not be used routinely or to compensate for poor hygiene, inadequate care or unsuitable housing. Preventive use is permitted only in exceptional situations where the risk of infection is very high and the likely consequences severe. Preventive antibiotic use should, in principle, be limited to an individual animal.
Treating a group after infection has been diagnosed in part of it — known as metaphylaxis — remains possible when the risk of spread is high, no suitable alternatives are available and the veterinarian can justify the treatment.
What does this mean for pigeon fanciers?
The days of ordering an arbitrary medicine from a trader or online without examination are coming to an end. More products are available only on prescription. Pharmacists, veterinarians and suppliers face tighter controls and must be able to account for the origin, supply and destination of certain medicines. The exact rules may vary because member states can impose additional national requirements.
Maintain regular contact with a veterinarian experienced in pigeons.
Arrange an examination before starting treatment.
Where possible, use droppings, throat or other laboratory testing.
Follow the prescription and do not alter dosage or duration yourself.
Do not reuse leftover courses without advice or take medicines from other fanciers.
Dispose of unused medicines responsibly.
Will pigeon medicines remain available?
Yes. A sick pigeon must still be able to receive appropriate treatment. When no suitable medicine is specifically authorised for pigeons, a veterinarian may, under certain conditions and personal responsibility, prescribe another veterinary medicine and, exceptionally, a human medicine. This system is known as the “cascade”.
Vaccines, antiparasitic treatments and supportive products will not automatically disappear. Each product must be assessed as a prescription medicine, an over-the-counter product, a feed supplement or a disinfectant.
Consequences for pigeon racing
The stricter rules require a different approach: establish what is wrong first, then treat in a targeted way. Veterinary guidance and laboratory testing therefore become increasingly important. Greater emphasis also falls on dry, well-ventilated lofts, regular cleaning, responsible drinker and feeder hygiene, quarantine, timely vaccination, infection control during transport and basketing, and selection for natural health.
European regulation does not mean the end of medicines for racing pigeons. What is gradually disappearing is routine treatment of entire lofts without diagnosis, prescription or veterinary guidance. The future lies in better testing, more targeted treatment and, above all, better prevention.
Want to know more? Click the source links in this article.
Arzneimittel für Tauben werden in Europa strenger geregelt
Tierarzneimittel werden nicht vollständig verboten. Für Verschreibung, Abgabe und Anwendung gelten jedoch strengere Regeln – besonders bei Antibiotika und anderen antimikrobiellen Mitteln.
Die Grundlage ist die seit dem 28. Januar 2022 geltende EU-Verordnung 2019/6 über Tierarzneimittel. Sie soll Resistenzbildung eindämmen, die öffentliche Gesundheit schützen und einen verantwortungsvollen Einsatz fördern. Tierarzneimittel werden nicht generell verboten; vor allem für Antibiotika und andere antimikrobielle Mittel gelten strengere Regeln für Verschreibung, Abgabe und Anwendung.
Warum werden die Regeln strenger?
Werden Antibiotika häufig, falsch oder ohne Diagnose eingesetzt, können Bakterien resistent werden. Infektionen sind dann bei Tier und Mensch schwerer zu behandeln. Früher wurde auch in Taubenschlägen manchmal der gesamte Bestand vorsorglich gegen vermutete Atemwegsinfektionen oder andere Erkrankungen behandelt. Ein solches pauschales Vorgehen widerspricht dem heutigen europäischen Ansatz.
Erst untersuchen, dann behandeln
Ein Rezept soll grundsätzlich nach einer klinischen Untersuchung der Taube oder Gruppe oder einer anderen angemessenen Gesundheitsbeurteilung ausgestellt werden. Für eine Gruppe muss die Anwendung antimikrobieller Mittel tierärztlich begründet und die Menge auf den Behandlungsbedarf beschränkt sein. Ein entsprechendes Rezept ist nach EU-Recht fünf Tage gültig. Das ist die Frist für die Abgabe, nicht eine Begrenzung der Behandlungsdauer auf fünf Tage.
Vorbeugung wird zur Ausnahme
Antimikrobielle Mittel dürfen weder routinemäßig angewandt noch als Ausgleich für mangelhafte Hygiene, schlechte Versorgung oder ungeeignete Unterbringung verwendet werden. Prophylaxe ist auf Ausnahmefälle mit hohem Risiko und schweren Folgen begrenzt; Antibiotika sollen vorbeugend grundsätzlich nur einem einzelnen Tier gegeben werden. Eine Behandlung der Gruppe nach Feststellung einer Infektion bei einigen Tieren, die sogenannte Metaphylaxe, bleibt bei hohem Ausbreitungsrisiko, fehlenden geeigneten Alternativen und tierärztlicher Begründung möglich.
Was bedeutet das für Taubenzüchter?
Regelmäßig Kontakt zu einem taubenerfahrenen Tierarzt halten.
Vor einer Behandlung eine Untersuchung durchführen lassen.
Wenn möglich Kot-, Rachen- oder andere Laboruntersuchungen nutzen.
Dosierung und Behandlungsdauer nicht eigenmächtig verändern.
Reste alter Kuren nicht ohne Beratung wiederverwenden.
Nicht benötigte Arzneimittel ordnungsgemäß entsorgen.
Der ungezielte Kauf über Händler oder das Internet und die Behandlung ohne Untersuchung werden schwieriger. Apotheker, Tierärzte und Lieferanten müssen Herkunft und Abgabe bestimmter Arzneimittel dokumentieren. Neben der gemeinsamen EU-Grundlage gelten in Frankreich, den Niederlanden, Belgien und anderen Ländern weitere nationale Bedingungen. Praktisch bedeutet dies: frühzeitig eine fachkundige Tierärztin oder einen Tierarzt hinzuziehen, bei Symptomen Kot-, Rachen- oder andere geeignete Proben untersuchen lassen, Dosierung und Dauer einhalten, Reste nicht eigenmächtig wiederverwenden und nicht benötigte Mittel sachgerecht entsorgen.
Bleiben Medikamente verfügbar?
Kranke Tauben müssen weiterhin angemessen behandelt werden können. Gibt es kein speziell für Tauben zugelassenes Mittel, darf ein Tierarzt unter bestimmten Bedingungen und eigener Verantwortung ein anderes Tierarzneimittel und ausnahmsweise ein Humanarzneimittel verschreiben; dies heißt „Kaskade“. Impfstoffe, Parasitenmittel und unterstützende Produkte verschwinden nicht automatisch. Wichtig bleiben trockene, gut belüftete Schläge, Reinigung, Quarantäne neuer Tiere, rechtzeitige Impfungen und weniger Ansteckungsrisiken beim Transport und Einkorben.
Die europäische Regelung bedeutet nicht das Ende von Arzneimitteln für Brieftauben. Was verschwindet, ist die routinemäßige Behandlung ganzer Bestände ohne Diagnose, Rezept und tierärztliche Begleitung. Die Zukunft liegt in besserer Diagnostik, gezielter Behandlung und vor allem guter Vorbeugung.
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks in diesem Artikel.
Los medicamentos para palomas están cada vez más regulados en Europa
Los medicamentos veterinarios no están prohibidos, pero existen reglas más estrictas para recetarlos, entregarlos y utilizarlos, especialmente en el caso de antibióticos y antimicrobianos.
El Reglamento (UE) 2019/6 sobre medicamentos veterinarios, aplicable desde el 28 de enero de 2022, establece la base común. Pretende combatir la resistencia a los antimicrobianos, proteger la salud pública y promover un uso responsable de los medicamentos en los animales.
¿Por qué se endurecen las normas?
Cuando los antibióticos se emplean demasiado, incorrectamente o sin un diagnóstico claro, las bacterias pueden hacerse resistentes. Las infecciones resultan entonces más difíciles de tratar en animales y personas. La resistencia no se detiene en las fronteras. También en colombofilia se administraban tratamientos a veces a toda la colonia «por si acaso» y sin examinarla primero. Este uso rutinario ya no corresponde al enfoque europeo.
Primero examinar, después tratar
El veterinario debe examinar la paloma o el grupo, o realizar otra evaluación adecuada de su salud, antes de prescribir. Un antimicrobiano destinado a un grupo necesita una justificación veterinaria y la cantidad se limita a lo necesario para el tratamiento. Una receta de antimicrobianos es válida durante cinco días a partir de su emisión. Se trata del plazo para dispensar el producto, no de una limitación de cinco días para la duración del tratamiento.
La prevención se vuelve excepcional
Los antimicrobianos no deben usarse de forma rutinaria ni para compensar una higiene, unos cuidados o un alojamiento deficientes. Su uso preventivo se reserva a situaciones excepcionales de riesgo muy alto y consecuencias graves; la profilaxis con antibióticos se limita en principio a un animal individual. Si ya existe una infección en parte del grupo, el veterinario puede justificar un tratamiento colectivo, llamado metafilaxis, cuando el riesgo de propagación es alto y no hay alternativas adecuadas.
¿Qué cambia para el colombófilo?
Los medicamentos no deben comprarse al azar por internet ni administrarse sin investigación. Farmacias, veterinarios y proveedores deben poder documentar la procedencia y dispensación de ciertos productos. Las normas nacionales de Francia, Bélgica, Países Bajos y otros Estados pueden añadir condiciones a la legislación europea común.
Mantener contacto con un veterinario especializado en palomas y pedir un examen cuando aparezcan síntomas.
Utilizar análisis de heces, garganta u otras pruebas cuando estén indicados.
Respetar la dosis y la duración prescritas.
No reutilizar restos ni aceptar medicamentos de otros aficionados sin asesoramiento.
Eliminar de manera responsable los medicamentos sobrantes.
¿Seguirán disponibles los medicamentos?
Sí. Una paloma enferma debe poder recibir un tratamiento adecuado. Si no existe un producto autorizado específicamente para palomas, un veterinario puede, bajo determinadas condiciones y su responsabilidad, prescribir otro medicamento veterinario o, excepcionalmente, uno de uso humano. Este mecanismo se conoce como «cascada». Vacunas, antiparasitarios y productos de apoyo no desaparecen automáticamente; cada producto debe clasificarse según sus reglas.
Consecuencias para la colombofilia
La prevención cobra importancia: palomares secos y ventilados, limpieza regular, bebederos y comederos bien mantenidos, cuarentena para nuevas palomas, vacunas a tiempo y menos riesgo de contagio durante transporte y enceste. La selección por salud y resistencia natural también cuenta. La normativa no supone el fin de los medicamentos para palomas, sino un tratamiento más dirigido, basado en el diagnóstico y la orientación veterinaria.
Para saber más, haz clic en los enlaces a las fuentes de este artículo.
De nieuwe iPhone-versie 1.4 van Pigeon Magazine is goedgekeurd. Android-versie 1.5 is ingediend en wacht op goedkeuring van Google.
Controleer of automatische appupdates op je telefoon zijn ingeschakeld. Zo ontvang je nieuwe versies zodra ze voor jou beschikbaar zijn.
iPhone: open de App Store, zoek Pigeon Magazine en tik op ‘Werk bij’ als die knop wordt getoond. Staat er ‘Open’, dan biedt de winkel je op dat moment geen update aan.
Android: zodra versie 1.5 is goedgekeurd en voor jou beschikbaar is, open je Google Play, zoek je Pigeon Magazine en tik je op ‘Updaten’. De gesloten test blijft voorlopig alleen toegankelijk voor aangemelde testers.
Het vernieuwen van artikelen in de app is iets anders dan het installeren van een nieuwe appversie: appupdates verlopen via de App Store of Google Play.
La nouvelle version iPhone 1.4 de Pigeon Magazine a été approuvée. La version Android 1.5 a été soumise et attend l’approbation de Google.
Vérifiez que les mises à jour automatiques des applications sont activées sur votre téléphone pour recevoir les versions disponibles pour vous.
iPhone : ouvrez l’App Store, recherchez Pigeon Magazine et touchez « Mettre à jour » si ce bouton apparaît. « Ouvrir » signifie qu’aucune mise à jour ne vous est proposée à ce moment-là.
Android : une fois la version 1.5 approuvée et disponible pour vous, ouvrez Google Play, recherchez Pigeon Magazine et touchez « Mettre à jour ». Le test fermé reste pour le moment réservé aux testeurs inscrits.
Actualiser les articles dans l’application ne remplace pas une mise à jour de l’application, qui passe par l’App Store ou Google Play.
Pigeon Magazine’s new iPhone version 1.4 has been approved. Android version 1.5 has been submitted and is awaiting Google’s approval.
Check that automatic app updates are enabled on your phone to receive new versions when they become available to you.
iPhone: open the App Store, search for Pigeon Magazine and tap “Update” if shown. “Open” means the store is not offering you an update at that moment.
Android: once version 1.5 is approved and available to you, open Google Play, search for Pigeon Magazine and tap “Update”. The closed test remains limited to registered testers for now.
Refreshing articles inside the app is different from installing a new app version: app updates are installed through the App Store or Google Play.
Die neue iPhone-Version 1.4 von Pigeon Magazine wurde genehmigt. Android-Version 1.5 wurde eingereicht und wartet auf die Genehmigung von Google.
Prüfen Sie, ob automatische App-Updates auf Ihrem Telefon aktiviert sind, damit neue Versionen installiert werden können, sobald sie für Sie verfügbar sind.
iPhone: Öffnen Sie den App Store, suchen Sie Pigeon Magazine und tippen Sie auf „Aktualisieren“, falls diese Schaltfläche erscheint. „Öffnen“ bedeutet, dass Ihnen derzeit kein Update angeboten wird.
Android: Sobald Version 1.5 genehmigt und für Sie verfügbar ist, öffnen Sie Google Play, suchen Sie Pigeon Magazine und tippen Sie auf „Aktualisieren“. Der geschlossene Test bleibt vorerst auf registrierte Tester beschränkt.
Das Aktualisieren von Artikeln in der App ersetzt kein App-Update. Neue App-Versionen werden über den App Store oder Google Play installiert.
Noticias de la app: iOS 1.4 aprobada, Android 1.5 enviada
La nueva versión 1.4 para iPhone de Pigeon Magazine ha sido aprobada. La versión 1.5 para Android se ha enviado y está pendiente de aprobación por Google.
Comprueba que las actualizaciones automáticas de aplicaciones estén activadas para recibir las nuevas versiones cuando estén disponibles para ti.
iPhone: abre el App Store, busca Pigeon Magazine y pulsa «Actualizar» si aparece ese botón. «Abrir» significa que la tienda no te ofrece una actualización en ese momento.
Android: cuando la versión 1.5 esté aprobada y disponible para ti, abre Google Play, busca Pigeon Magazine y pulsa «Actualizar». La prueba cerrada sigue limitada por ahora a los probadores inscritos.
Actualizar los artículos dentro de la aplicación no sustituye la instalación de una nueva versión de la app, que se realiza mediante el App Store o Google Play.
Naar aanleiding van berichten over kwetsbaarheden in de programmeertaal PHP is Pigeon Magazine gecontroleerd.
Onze website maakt geen gebruik van PHP en wordt daarom niet geraakt door de gemelde PHP-kwetsbaarheden.
U kunt Pigeon Magazine gewoon blijven bezoeken en uw artikelen lezen.
Redactie
21 · 10 · 2026
Pigeon Magazine n’utilise pas PHP
À la suite d’informations concernant des vulnérabilités du langage PHP, Pigeon Magazine a été vérifié.
Notre site n’utilise pas PHP et n’est donc pas concerné par les vulnérabilités PHP signalées.
Vous pouvez continuer à consulter Pigeon Magazine et à lire vos articles.
La rédaction
21 · 10 · 2026
Pigeon Magazine does not use PHP
Following reports about vulnerabilities in the PHP programming language, Pigeon Magazine has been checked.
Our website does not use PHP and is therefore unaffected by the reported PHP vulnerabilities.
You can continue visiting Pigeon Magazine and reading your articles as usual.
Editorial team
21 · 10 · 2026
Pigeon Magazine verwendet kein PHP
Nach Berichten über Sicherheitslücken in der Programmiersprache PHP wurde Pigeon Magazine überprüft.
Unsere Website verwendet kein PHP und ist daher von den gemeldeten PHP-Sicherheitslücken nicht betroffen.
Sie können Pigeon Magazine weiterhin wie gewohnt besuchen und Ihre Artikel lesen.
Redaktion
21 · 10 · 2026
Pigeon Magazine no utiliza PHP
Tras las noticias sobre vulnerabilidades en el lenguaje de programación PHP, se ha revisado Pigeon Magazine.
Nuestro sitio web no utiliza PHP y, por tanto, no se ve afectado por las vulnerabilidades de PHP señaladas.
Puede seguir visitando Pigeon Magazine y leyendo sus artículos con normalidad.
La redacción
22 · 10 · 2026
Nieuwe bezoekersteller geïnstalleerd — Android volgt later
De nieuwe bezoekersteller van Pigeon Magazine is geïnstalleerd voor de website en de bijgewerkte iPhone-app. Android volgt zodra de betreffende update beschikbaar is.
Eén teller voor website en apps, met bezoekers per land. Symbolische AI-illustratie; de balken tonen geen werkelijke bezoekerscijfers.
Wat telt de teller? Sinds 22 oktober 2026 telt iedere browser op de website en iedere appinstallatie één keer per land. Opnieuw openen, ook op een volgende dag, verhoogt het aantal niet. De cijfers zijn dus geen aantallen dagelijkse bezoeken en ook geen exacte aantallen personen: dezelfde lezer kan via verschillende browsers, apparaten of de app meermaals meetellen.
De cijfers zijn per land te raadplegen via het bezoekersoverzicht op onze website. In de app open je dit overzicht met de link hieronder; er staat geen afzonderlijke teller op het beginscherm van de app.
Android is voorlopig nog niet opgenomen in de nieuwe gezamenlijke telling. Het overzicht geeft daardoor nog geen volledig beeld van het bereik via alle platforms. Oude appversies zonder tellerkoppeling tellen evenmin mee.
Le nouveau compteur de Pigeon Magazine est installé pour le site et l’application iPhone mise à jour. Android suivra lorsque la mise à jour correspondante sera disponible.
Un compteur commun au site et aux applications, par pays. Illustration symbolique créée avec l’IA ; les barres ne représentent pas les chiffres réels.
Que compte ce compteur ? Depuis le 22 octobre 2026, chaque navigateur sur le site et chaque installation de l’application sont comptés une seule fois par pays. Une nouvelle ouverture, même un autre jour, n’augmente pas le total. Ces chiffres ne représentent donc ni les visites quotidiennes ni un nombre exact de personnes : un même lecteur peut être compté plusieurs fois via différents navigateurs, appareils ou l’application.
Les chiffres par pays sont consultables sur notre site. Dans l’application, ouvrez cet aperçu avec le lien ci-dessous ; aucun compteur distinct ne figure sur son écran d’accueil.
Android ne fait pas encore partie de ce nouveau comptage commun. Les chiffres ne représentent donc pas encore l’ensemble des plateformes. Les anciennes versions sans connexion au compteur ne sont pas non plus comptabilisées.
New visitor counter installed — Android will follow
Pigeon Magazine’s new visitor counter is installed for the website and the updated iPhone app. Android will follow when the relevant update becomes available.
One counter for the website and apps, by country. Symbolic AI-generated illustration; the bars do not show actual visitor figures.
What does the counter measure? Since 22 October 2026, each website browser and each app installation is counted once per country. Opening it again, even on another day, does not increase the total. These figures are therefore neither daily visits nor an exact count of people: the same reader can count more than once through different browsers, devices or the app.
View the figures by country on our website. In the app, open the overview using the link below; there is no separate counter on the app’s home screen.
Android is not yet included in this new shared count, so the overview does not yet cover all platforms. Older app versions without the counter connection are also excluded.
Neuer Besucherzähler installiert — Android folgt später
Der neue Besucherzähler von Pigeon Magazine ist für die Website und die aktualisierte iPhone-App installiert. Android folgt, sobald das entsprechende Update verfügbar ist.
Ein gemeinsamer Zähler für Website und Apps, nach Ländern. Symbolische KI-Illustration; die Balken zeigen keine tatsächlichen Besucherzahlen.
Was zählt der Zähler? Seit dem 22. Oktober 2026 wird jeder Browser auf der Website und jede App-Installation einmal pro Land gezählt. Erneutes Öffnen, auch an einem anderen Tag, erhöht die Zahl nicht. Die Zahlen sind daher weder tägliche Besuche noch eine genaue Personenzahl: Derselbe Leser kann über verschiedene Browser, Geräte oder die App mehrfach zählen.
Die Zahlen nach Ländern sind auf unserer Website abrufbar. In der App öffnen Sie die Übersicht über den folgenden Link; auf der Startseite der App gibt es keinen gesonderten Zähler.
Android ist vorerst noch nicht in dieser neuen gemeinsamen Zählung enthalten. Die Übersicht erfasst daher noch nicht alle Plattformen. Ältere App-Versionen ohne Zähleranbindung werden ebenfalls nicht erfasst.
Nuevo contador instalado — Android se incorporará más adelante
El nuevo contador de Pigeon Magazine está instalado para la web y la aplicación actualizada de iPhone. Android se incorporará cuando esté disponible la actualización correspondiente.
Un contador para la web y las aplicaciones, por país. Ilustración simbólica creada con IA; las barras no representan cifras reales.
¿Qué cuenta el contador? Desde el 22 de octubre de 2026, cada navegador de la web y cada instalación de la aplicación se cuentan una sola vez por país. Volver a abrirlos, incluso otro día, no aumenta el total. Las cifras no representan visitas diarias ni un número exacto de personas: un mismo lector puede contarse varias veces mediante distintos navegadores, dispositivos o la aplicación.
Las cifras por país se pueden consultar en nuestra web. En la aplicación, abre el resumen mediante el enlace siguiente; no hay un contador independiente en la pantalla de inicio.
Android todavía no está incluido en este nuevo recuento conjunto. Por tanto, el resumen aún no abarca todas las plataformas. Las versiones antiguas sin conexión al contador tampoco se contabilizan.
Klik op de bronlink en lees verder bij de oorspronkelijke publicatie. Illustratie gemaakt met AI.
Bij veel artikelen vind je bronvermeldingen. Je kunt op deze links klikken om de oorspronkelijke publicatie te bekijken. Daar vind je vaak aanvullende informatie, achtergronden of volledige uitslagen. Zo kun je zelf verder lezen en nagaan waarop het artikel is gebaseerd.
Redactie
18 · 10 · 2026
Pour en savoir plus, cliquez sur les sources
Cliquez sur le lien vers la source pour consulter la publication originale. Illustration créée avec l’IA.
De nombreux articles comportent des références aux sources. Cliquez sur ces liens pour consulter la publication originale, qui propose souvent des informations complémentaires, du contexte ou les résultats complets. Vous pouvez ainsi approfondir le sujet et vérifier sur quelles informations repose l’article.
Rédaction
18 · 10 · 2026
Want to know more? Follow the source links
Click the source link to read more in the original publication. AI-generated illustration.
Many articles include source references. Click these links to read the original publication, which often provides further information, background or full results. This lets you explore the subject and check the information behind the article.
Editorial team
18 · 10 · 2026
Mehr erfahren? Klicken Sie auf die Quellenlinks
Klicken Sie auf den Quellenlink und lesen Sie in der Originalveröffentlichung weiter. Mit KI erstellte Illustration.
Viele Artikel enthalten Quellenangaben. Über diese Links gelangen Sie zur ursprünglichen Veröffentlichung. Dort finden Sie oft weitere Informationen, Hintergründe oder vollständige Ergebnisse. So können Sie weiterlesen und nachvollziehen, worauf der Artikel beruht.
Redaktion
18 · 10 · 2026
¿Quieres saber más? Consulta los enlaces a las fuentes
Pulse el enlace de la fuente para seguir leyendo en la publicación original. Ilustración creada con IA.
Muchos artículos incluyen referencias a sus fuentes. Haz clic en esos enlaces para consultar la publicación original, donde a menudo encontrarás información adicional, contexto o resultados completos. Así podrás profundizar en el tema y comprobar en qué información se basa el artículo.
Redacción
01
De Duif op 1
Ervaring delen, verschillende meningen een plaats geven en blijven leren van elkaar — met respect voor mens én dier.
Verzorging & planning
Praktisch
Een overzichtelijke weekindeling als houvast. Pas de belasting altijd aan het seizoen, het weer en de conditie van uw duiven aan.
MaandagHerstel
Rust, controle en licht verteerbare voeding.
DinsdagObservatie
Vrije training en conditie beoordelen.
WoensdagOpbouw
Gerichte training en bad aanbieden.
DonderdagVoorbereiding
Voeding afstemmen op afstand en weer.
VrijdagRust
Laatste controle vóór het inkorven.
WeekendConcours
Aankomsten noteren en herstel volgen.
Soins & planning
Pratique
Un planning hebdomadaire clair comme point de repère. Adaptez toujours les efforts à la saison, à la météo et à la condition de vos pigeons.
LundiRécupération
Repos, contrôle et alimentation facile à digérer.
MardiObservation
Volée libre et évaluation de la condition.
MercrediProgression
Entraînement ciblé et bain à disposition.
JeudiPréparation
Adapter l’alimentation à la distance et à la météo.
VendrediRepos
Dernier contrôle avant l’enlogement.
Week-endConcours
Noter les arrivées et suivre la récupération.
Care & planning
Practical
A clear weekly schedule provides guidance. Always adapt the workload to the season, the weather and the condition of your pigeons.
MondayRecovery
Rest, observation and easily digestible feed.
TuesdayObservation
Free exercise and assessment of condition.
WednesdayBuild-up
Focused training and a bath available.
ThursdayPreparation
Adjust feeding to the distance and weather.
FridayRest
Final check before basketing.
WeekendRace
Record arrivals and monitor recovery.
Versorgung & Planung
Praktisch
Ein übersichtlicher Wochenplan als Orientierung. Passen Sie die Belastung stets an Saison, Wetter und Zustand Ihrer Tauben an.
MontagErholung
Ruhe, Kontrolle und leicht verdauliches Futter.
DienstagBeobachtung
Freier Trainingsflug und Beurteilung der Form.
MittwochAufbau
Gezieltes Training und ein Bad anbieten.
DonnerstagVorbereitung
Fütterung auf Entfernung und Wetter abstimmen.
FreitagRuhe
Letzte Kontrolle vor dem Einsetzen.
WochenendePreisflug
Ankünfte notieren und Erholung beobachten.
Cuidados y planificación
Práctico
Una planificación semanal clara como orientación. Adapte siempre la carga a la temporada, el tiempo y la condición de sus palomas.
LunesRecuperación
Descanso, control y alimentación fácil de digerir.
MartesObservación
Vuelo libre y valoración de la condición.
MiércolesPreparación
Entrenamiento dirigido y baño disponible.
JuevesPreparación
Adaptar la alimentación a la distancia y al tiempo.